Object

Opus 171 G

Instelling/bron: Museum Jan Cunen

Vanaf de jaren zestig richtte Jaap Wagemaker zich, na omzwervingen langs het expressionisme en de invloeden van CoBrA, helemaal op abstracte assemblages: schilderijen waarin hele stukken hout en leisteen, schroot, botten, schelpen, machine-onderdelen en allerlei andere objets trouvés werden verwerkt tot robuuste, samenhangende composities die doen denken aan woestijn- en maanlandschappen van bovenaf bezien.

In het oppervlak van 'Opus 171 G' is gekrast en steken delen flink naar voren. Het werk is het resultaat van een langzaam groeiproces van het aanbrengen van materialen. Wagemaker gebruikte hoofdzakelijk aardkleuren maar de werken werden monochromer na 1960. Het was vanaf deze periode dat zijn werk grotere, internationale erkenning kreeg. In 1961 kocht het MOMA in New York een werk aan, in 1962 vertegenwoordigde hij Nederland op de Biënnale van Venetië en in 1967 had hij een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam.