Object

Opus 12

Instelling/bron: Museum Jan Cunen

In de jaren vijftig legde Jaap Wagemaker (1906-1972) zich toe op de materieschilderkunst. Hij voegde materialen als hout, jute, leer, leisteen, teer en touw toe aan de verf, waardoor er relief ontstond in het oppervlak van het schildersdoek. Dit verhoogde de expressiviteit en zorgde voor een sterke fysieke ervaring van het schilderij. Het ruwe oppervlak deed ook denken aan niet-westerse kunst die Wagemaker zelf verzamelde en die hem inspireerde. Daarnaast waren ook de buitenlandse reizen en Wagemakers' plakboeken met foto's van woestijnen, kraters, rotsformaties en maanlandschappen belangrijke inspiratiebronnen. De schilderijen en assemblages lijken op verlaten landschappen waar geen leven is. Wagemaker schilderde ze in vogelvluchtperspectief. Voor 'Opus 12', dat structuren in de aardkorst zou kunnen verbeelden, maakte hij gebruik van jute bij de verf en van het constant terugkerende sombere gamma van aardkleuren: grijzen, okers en bruinen.