Object

Te deum laudamus

Instelling/bron: Museum Krona

In 1867 meldt Bosboom in een brief aan schilder Jan Kruseman: 'Wat nu geprepareerd wordt, zijn twee schilderijen, ieder 38 duim breed en 78 hoog, bestemd op twee pendanten en voorstellende 't orgelspelende monnik met een ander die zingt, 't ander twee nonnen bij een altaar, de eene knielende, de ander staande in gebed. De figuren zijn 45 duim lang, dus voor mij veel groter dan gewoonlijk. De sujetten gaf Van Rappard mij aan en de schetsen, die ik op papier ter ware grootte ontwierp, zijn mij bijzonder gelukt.' Vier jaar later bleek Bosboom minder tevreden, hij had de panelen weer in huis gehaald om ze over te schilderen. In een brief aan Potgieter schrijft zijn vrouw (de schrijfster Gertruida Bosboom Toussaint): 'Bosboom is namelijk met iets bezig dat hij af moet hebben, zal hij met opgewekthied van zijn atelier scheiden (...). Ik houd voor zeker, dat hij beter af zal zijn als die lelijke nonnen en monniken maar uit ons huis zijn; die hij nooit op zich had moeten nemen te verschilderen, want dat is de tortuur van zijn en mijn leven geweest, sinds ze weer in huis zijn.' Een van bovengenoemde panelen, 'Twee zingende nonnen' bevindt zich in de collectie van het MRK (zie inv.nr. 0068 ) Het andere paneel, met de orgelspelende monnik, bevindt zich als onderdeel van de Fodor-collectie in het Amsterdams Historisch Museum. Van deze laatste voorstelling maakte Bosboom ook een versie op doek, dat het MRK in 2008 wist te verwerven. De orgelspelende monnik is overigens een voortdurend terugkerend thema bij Bosboom. Zelf vond de schilder de kleine weergave, (MRK 3978), het meest geslaagd.