Een herinnering aan het wassen en strijken in Brabant

Poppenhuis huishouden

Poppenhuis dat verbeeldt hoe het er vroeger aan toeging bij het doen van de was. (Foto: 2019, Joke Timmermans-Bogaarts)

Alle rechten voorbehouden

Tegenwoordig is het doen van de was een klusje dat hooguit een paar uur kost en dat zowel door mannen als vrouwen wordt uitgevoerd. Hoeveel complexer en tijdrovender was dit in vroegere tijden toen vrouwen dagen kwijt konden zijn aan het hele wasprocedé. Joke Timmermans-Bogaarts, oprichtster van Museum Dè Wascht en Strekt in Gilze, beschreef in december 2019 haar herinneringen aan hoe Brabantse vrouwen in de vorige eeuw de was deden. Dit ging stap voor stap.

Wassen

"Wassen was vroeger meer dan een dagtaak. Er werd niet zo vaak gewassen als heden ten dage. Bij ons hier in Brabant werden de kinderen op zaterdag in bad gestopt. Dat wil zeggen: er werd een grote zinken teil op twee stoelen gezet en om de beurt werd je ‘geroefeld’ (gewassen). Daarna kreeg je schoon ondergoed aan en het vuile goed werd in de week gezet. Het weken duurde 12 tot 24 uren en af en toe werd het doorgeroerd.

De volgende dag werd de witte was gekookt in het fornuis, meestal op zondagavond. Ook werd bij kleinbehuisden de was in een wasketel op een veldkacheltje (‘duveltje’) gekookt. Het wasgoed kon men op verschillende manieren bewerken. Het ging in de waskuip, wastobbe werd er ook wel gezegd, of in een teil. Deze plaatste men op een stoel en vervolgens ging men met de wasklok of stamper aan de slag. Dan maandagmorgen vroeg uit de veren want er moest gewassen worden. Het was hier een sport wie het eerste de was aan de lijn had hangen. Vandaar dat men vroeg begon.

Ook na de uitvinding van de moderne wasmachine werd er nog lang op deze wijze gewassen, want lang niet iedereen kon zich zo’n dure machine permitteren. Zo ken ik in ons dorp een mevrouw, die in 1964 trouwde en samen met haar man een nieuw huis liet bouwen. Geld voor een wasmachine was er niet. Jarenlang heeft ze nog met de plank en de borstel de was gedaan.

De wasmachine

De oudste wasmachine die met de hand in beweging gebracht moest worden is in Amerika uitgevonden. In 1846 vroeg de heer Wilson daar patent aan voor een wasmachine. In Museum Dè Wascht en Strekt is zo’n wasmachine te zien, de zogenaamde waswieg. In deze houten kuip moet een soort schommel heen en weer bewogen worden. Tussen de schommel en de kuip worden de kleren zo moeiteloos schoon gewreven. In feite zijn het twee wasborden die in tegengestelde richting het werk doen. Deze wasmachine ging de wereld over en kwam zo ook in Europa terecht.

Waswieg

Een ouderwetse waswieg in Museum Dè Wascht en Strekt. (Foto: 2019, Joke Timmermans-Bogaarts)

In 1914, na de uitvinding van de elektromotor, bouwde men zo’n motor onder een wasmachine die eerst handmatig gebruikt werd. Ongevaarlijk was zoiets niet. De houten wastobbes waren niet goed waterdicht en de motor was open en slecht geaard. In de Hoogstraat heeft een boerengezin nog tot 1953 een wasmachine gebruikt die was aangesloten op de motor van een dorsmachine, pas daarna werden de buitenwijken van Gilze op het elektriciteitsnet aangesloten.

Na 1945 kwam de halfautomatische wasmachine op de markt en mijn vader verhuurde in de vijftiger jaren al wasmachientjes voor de prijs van één gulden per dag. Twee buurvrouwen deelden dan de machine: de een gebruikte hem voor de middag en de andere na de middag, zodat ze ieder 50 cent kwijt waren. Dit waren snelwassers, met onderin een wasrozet of pulsator die heel snel ronddraaide.

Met de volautomatische wasmachine werd het pas echt iets in 1960 door de komst van de laagschuimende wasmiddelen. Ik kreeg in april 1969 mijn allereerste volautomatische wasmachine, geleverd door Jac van Dooremalen. De allereerste keer dat ik waste met die machine keek ik constant door het raampje van de trommel. Dan draaide de trommel links om, dan weer rechts om, maar toen hij even stil stond dacht ik meteen: hij zal toch niet kapot zijn gegaan.

Wasmiddelen

Om de was schoon te krijgen werd van oudsher groene zeep gebruikt. Dit was makkelijk oplosbaar. Voor de stukken zeep gebruikte men een zeepklopper. Het stuk zeep ging erin en werd dan in heet water opgeklopt, zo kreeg men een vettig sop.

Gaandeweg de twintigste eeuw kwamen de grote zeepmerken op de markt met bijbehorende reclames. Louis Davids (1883-1939) nam op 28 januari 1932 in de Lindströmstudio al een reclamelied voor Persil op. Het refrein van het lied was als volgt:

Wat een meisje weten moet, wanneer ze wil gaan trouwen,
dat ze altijd al haar goed met Persil schoon moet houden.
In het huwelijk beste meid, dan win je het altijd,
met Persil en verdraagzaamheid.

Een ander bekendje liedje was dat van Radion, op de melodie van Jingle Bells: 

De was in vroeger tijd,
gaf enkel narigheid.
Zo'n moegesloofde boenslavin
werd niet bepaald benijd.
Die nare tijd ging heen!
Ja heus, voor iedereen
kan wasdag nu een feestdag zijn,
want Radion wast alléén!

Radion

Radion-reclamebord dat vroeger aan de gevels hing. (Foto: 2019, Joke Timmermans-Bogaarts)

Bleken

Het bleken van de was, oftewel het witten van het wasgoed, deed men meestal op een grasveld omgeven door een hekje of heg om ongewenst bezoek weg te houden. Denk daarbij aan de poes, de hond of de kinderen! Op het grasveld werd de vochtige was in de zon te bleken gelegd. Het bleekproces voltrok zich onder de inwerking van licht. Vandaar dat bleken in het voorjaar het beste resultaat had. 

Al in de Middeleeuwen en nog lang daarna bestond het beroep van de bleker, getuige ook Jan Luyken’s (1649-1712) gedicht Het menselijk bedrijf:

Om ’t lijnwaad schoon en wit te bleiken
Is ’t noodig eerst in loog te weiken:
Begooten, en gespreid op ’t veld,
Werd alles door de lucht hersteld.

Terwijl de witte was lag te bleken, werd in hetzelfde sop de lichtbonte was nog gedaan. Daarna de bonte was en het sop werd dan nog gebruikt om werkkleding en sokken in te reinigen. Het water werd nog niet weggegooid, want het stoepje moest er daarna nog mee geschuurd worden. Vervolgens moest alles uitlekken over het waspaard.

In de loop van de twintigste eeuw kwamen de bleekpoeders –en waters op de markt, bijvoorbeeld Wennex uit Oosterbeek. In 1936-37 was er een reclameliedje over Wennex met het volgende refrein:

O juffrouw Krakepit wat zijn jouw kleertjes wit
jij bleekt met Wennex, mens, dat zie ik aan je goed.
Ik neem ook strakkies, die blauwe pakkies.
Alleen met Wennex bleek je zo je bleken moet.

Het wasgoed dat gesteven moest worden werd apart over het waspaard gehangen na het spoelen. Dan werd stijfsel aangemaakt. Linnengoed hoefde nooit gesteven te worden, nat gestreken steef het vanzelf op. Er zijn diverse merken stijfsel geweest, onder andere een pakje uit 1823 van het merk Duijvis met octrooi van Z. M. Koning Willem I (1795-1815). Glansstijfsel was stijfselpoeder waaraan glansmiddel werd toegevoegd. Dat werd gebruikt voor het ‘hard’ stijven van manchetten en boorden. Door de hardheid van de boorden werden deze ook wel ‘vadermoordenaars’ genoemd. Na het stijven werd het wasgoed met de hand uitgewrongen en ook te drogen gehangen.

Bleekveld

Een aan Jan Brueghel de Oude en Joos de Momper toegeschreven schilderij van een zeventiende-eeuws bleekveld in Vlaanderen. (Bron: 1620, Museo Nacional del Prado)

Drogen

Wasgoed drogen kon op verschillende manieren, afhankelijk van het weer. Bij regen moest men binnen drogen. De meeste mensen droogden het over een staand rekje dat rond de kachel werd gezet. Ook werd de was wel aan het plafond te drogen gehangen. Met een katrol werd de ‘droogparaplu’ naar beneden gehaald. Dan kon moeder er de was op hangen en even later werd deze weer met de katrol naar boven getrokken, zodat het wasgoed niet in de weg hing. Vergeet niet dat vroeger maar in één vertrek gestookt werd.

Sommige moeders van een groot gezin waren vindingrijk en zetten ’s avonds als de kleine kinderen te bed waren de box op de zijkant. Hierdoor kwamen de spijlen van de box aan de bovenkant, waardoor deze gebruikt konden worden om er de was over te hangen.

Bij droog en zonnig weer droogde men buiten over de heg, als men tenminste geen ruzie met de buren had. Want soms gebeurden er vreemde dingen tijdens het drogen. Als het wasgoed buiten te drogen hing, kon het wel eens zijn dat het de andere dag weg was. Een landloper had de kleren dan aangetrokken, maar was wel zo goed om zijn vuile goed achter te laten.

Strijken

Na het drogen werd de was afgehaald. Men had hiervoor een tenen wasmand, houten mangelbak of een goed uitgedroogde teil. Binnen werd het goed dat gestreken moest worden opnieuw ingevocht. Er werden rolletjes van gemaakt en het werd een nacht in de wasmand in de kelder gezet. Daarna kon men gaan strijken. De meeste vrouwen streken op de tafel, waarover een moltondeken (katoenen onderlaken) werd gelegd. Anderen schaften al een strijkplank aan.  In 1949 kostte zo’n strijkplank bij de Bijenkorf ƒ 16,20. Deze was dan wel mooi gestoffeerd met flanel.

Collectie museum Wasch en Streckt

Museum Dè Wascht en Strekt beschikt onder meer over een collectie eeuwenoude strijkijzers. (Foto: 2019, Joke Timmermans-Bogaarts)

De meeste zeventiende-eeuwse strijkijzers werden op de kachel verwarmd. Dit gebeurde zowel in de zomer als in de winter. De met de hand gesmede strijkijzers waren vaak uit één stuk gemaakt, bij andere was de handgreep er aan geweld. Ook waren er houtskoolbouten die verwarmd werden met kooltjes of krieken.

In 1892 begon men te experimenteren met het elektrisch verwarmen van het strijkijzer. In het begin was het echt gevaarlijk. Later, toen er elektrisch licht in huis kwam, gebruikte men ‘diefjes’, want een stopcontact was er nog niet. Een ‘diefje’ is een soort stopcontact dat je in de fitting van de lamp draaide en in dat ‘diefje’ kon dan weer de lamp gedraaid worden. Van de eerste experimenten met elektrische strijkijzers profiteren we vandaag de dag nog steeds.”

Meer informatie over de geschiedenis van het wassen en strijken is te vinden op de website van Museum Dè Wascht en Strekt: www.waschtenstrekt.nl