Eerst soldaat voor de vijand, dan voor de bevrijder

Poolse Infanterist

Een Poolse infanteriesoldaat, 1938. Bron: Wikimedia Commons

Hij werd geboren in Polen, was daarna onderdaan van het Derde Rijk, werd gedwongen in het Duitse leger te vechten, en was vervolgens soldaat in het geallieerde bevrijdingsleger. Uiteindelijk vestigde Konrad Ruczynski zich in Nederland, waar hij een gezin startte. Zo is hij het vleesgeworden voorbeeld van de miljoenen die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog huis en haard moesten verlaten om elders een nieuw leven op te bouwen. Dat Konrad in Noord-Brabant uitkwam, is niet toevallig, zoals zijn verhaal duidelijk maakt. 

Dat begint ruim twee jaar na de Duitse inval. Konrad werd geboren op 4 januari 1919 in Zielkowo bij Lubawa, in Noord-Polen, ruim 150 km ten zuidoosten van Gdańsk ofwel Danzig. Na de bezetting in 1939 en de inlijving in het Derde Rijk lag de stad in een Duitse gouw, Danzig-Westpreuβen. Daarmee was iedere inwoner Duitser geworden - of, liever gezegd, in het toenmalige spraakgebruik, een Rijksduitser. En dus moesten de jongemannen in Duitse krijgsdienst. Uiteindelijk ging het om 375.000 mannen.

Konrad kon zich deze dag nog goed herinneren, en deelde deze en de daaropvolgende ervaringen in 1989 met zijn zoon, zoals hieronder weergegeven.

“Toen de oorlog uitbrak was ik nog te jong voor militaire dienst. In het voorjaar van 1942 werd ik als dienstplichtige ingeschreven. Op 12 december 1942 werden de lichtingen 1917 tot en met 1921 tegelijk in dienst geroepen. Met vader en moeder samen moest ik mij melden in Lubawa. Later, ’s nachts om één uur, vertrokken we als soldaten met de trein. Ik weet niet meer waar we eerst naartoe moesten. Later gingen we naar een kazerne in Graudenz, nu Grudziądz. (…) Een Duitse legerpredikant vertelde ons, wat ook later vaak gebeurde, dat wij eigenlijk Duitsers waren omdat onze vaders in het Duitse keizerlijke leger hadden gediend, vooral in de periode 1914-1918. Vlak daarna zijn we met een lange trein vervoerd naar Duitsland. Ik naar Herford in Westfalen, vele anderen stapten onderweg uit in andere garnizoensplaatsen. Vlak na aankomst in Herford (…) werden we naar Denemarken gestuurd voor de rekrutenopleiding.”

Lang hoefde Konrad daar niet te dienen, want een medisch probleem stak weer de kop op.

“Ik herinner me nog dat ik bij een kanaal in Denemarken wacht moest lopen. Het was hartje winter en we stierven van de kou, er lag ook sneeuw. (…) Na drie dagen meldde ik mij, samen met twee andere kameraden, ziek. Ik had in Polen al lang last van een breuk. (…) De dokter onderzocht mij en constateerde inderdaad een breuk. Hij zei dat het wel meeviel, maar ik verzekerde hem dat ik er erg veel pijn aan had. De volgende dag werd ik met mijn boeltje terug naar Herford gestuurd. Daar aangekomen werd ik weer medisch onderzocht. De diagnose werd bevestigd en ik belandde in het ziekenhuis. (…) Vrij snel daarna werd ik geopereerd en ik zou nog acht dagen in het ziekenhuis moeten blijven. Na een paar dagen dacht ik dat ik hallucinaties of koortsdromen had. Ik zag mijn vader met mijn oudste zus Marichna naar mij toekomen. Mijn vader had een grote muts op en mijn zuster huilde. Zij waren na aankomst van mijn brief meteen op reis gegaan. Ik kon hen snel gerust stellen dat het allemaal niet zo erg was en dat ik al wat rondgelopen had. Mijn vader, die net als veel oudere Polen vloeiend Duits sprak, klampte meteen een paar nonnen, moeder overste en een arts aan. ‘Mijn zoon is altijd kerngezond geweest en nu hebben jullie hem binnen een paar weken het ziekenhuis in gekregen.’” 

Na ontslag uit het ziekenhuis reisde Konrad naar huis voor een kort verlof. Dat bracht hem bijna in problemen. 

“Ik meldde mij wel te laat terug omdat mijn vader het terugkomsttijdstip verkeerd had gelezen. In Herford werd ik dan ook gelijk door de militaire politie naar de kazerne gebracht. Het liep met een sisser af.”

In de kazerne ontmoette Konrad lotgenoten, andere Rijksduitsers, “mensen uit de Sudeten en uit Elzas-Lotharingen”. Vanwege zijn herstel hoefde hij aanvankelijk geen zware diensten te verrichten. Die betrekkelijke rust duurde tot het einde van het jaar. 

“Vlak voor Kerstmis 1943 kregen we bericht dat we zouden vertrekken naar Frankrijk. Vlak daarvoor had ik nog vijf dagen verlof gehad om thuis afscheid te nemen. We reden met de trein naar Parijs en van daaruit ging het in nachtmarsen in de richting van Dieppe.” 

Gefreiter ofwel soldaat eerste klas Konrad Ruczynski werd ingedeeld bij de 84. Infanterie-Division van luitenant-generaal Erwin Menny. Deze eenheid was nieuw en begon in een verzamelgebied in het achterland van de kustplaats Saint-Valery-en-Caux. De divisie was voorlopig ingedeeld bij de reserve van het 15e Leger. Nu begon het echte soldatenleven voor Konrad. Hij had daarbij geluk.

“We waren onder andere ondergebracht bij een Franse pastoor. In Frankrijk werd ons op een van de eerste appèls gevraagd wie er goed met paarden kon omgaan. De Duitsers hadden verzorgers en koetsiers nodig. Hoewel ik ervaring had met het omgaan met paarden, wilde ik mij niet zo snel voor deze dienst melden. Ik zag er niet zoveel in en hield mij het liefst zoveel mogelijk op de vlakte. Een Poolse vriend, een collega-militair die iets ouder was, drong er echter op aan dat ik en nog een derde soldaat zich zouden melden. Hij zag allerlei voordelen in deze functie. Hij had gelijk. Als anderen moesten lopen zat ik op de bok van mijn kar die bestuurd werd door een Rus. We moesten ook regelmatig vervoersdiensten verrichten. Dit gaf ons de gelegenheid de eigen eenheid te verlaten. We moesten vaak hout halen in het bos of haver bij het station of munitie rijden. We dropten soms wat hout en haver bij de pastoor, die daar erg blij mee was.”

Spoedig bleek dat ook het katholieke geloof voordelen bood.

“Op een keer ’s avonds lagen ik en nog enige Poolse kameraden op onze bedden in de boerderij van de pastoor. (…) Uit verveling zongen we wat Poolse liederen. Door onze katholieke achtergrond zongen we ook wat kerkliedjes zoals een Marialied. Plotseling werd er geklopt. We knepen hem een beetje omdat we dachten dat de “Polizei” ons wel eens betrapt kon hebben. (….) Het bleek de pastoor te zijn, die over de tachtig was, met in zijn kielzog de huishoudster. Hij gluurde om de deur en zei in het Frans, want ik verstond het niet zo goed, dat we mooi hadden gezongen, vooral het liedje over Maria natuurlijk. Mijn vriend liet hem weten dat wij geen Duitsers maar Polen waren. De pastoor keek wat vreemd, draaide als een oud mannetje wel drie keer rond en verdween weer zoals hij gekomen was. Wij dachten, die heeft ons vast niet begrepen, maar even later kwam hij met een half flesje wijn en een pakje shag terug. Dat was natuurlijk een leuke verrassing want onze rantsoenen waren niet zo breed. We vonden dat we iets terug moesten doen. Nu hadden we daags daarvoor in het gebied van onze andere compagnieën tijdens een van onze transporten een boerderij gezien waar de boer kippen en konijnen hield. Op een nacht hebben we hem daarvan verlost. Ik geloof dat we vijf kippen en vijf konijnen hadden. Een gedeelte hebben we gelijk geslacht maar de rest hebben we verstopt op de zolder van de pastoor. Daar hadden we lege voorraadkastjes ontdekt waar de nog levende kippen en konijnen in konden. Al snel werd besloten een van onze trofeeën aan de pastoor te schenken. (...) De pastoor was verrukt en wilde ons ervoor betalen maar we zeiden dat we geld genoeg hadden. (…) Toen we later de boerderij moesten verlaten, namen de pastoor en zijn huishoudster in tranen afscheid van ons.”

Het vertrek eind juli betekende meteen het einde van de pastorale idylle. De oorlog kwam nu met rasse schreden dichterbij. Het moreel werd er intussen niet beter op. 

“De streek waarin we ons bevonden, was al tijdenlang zwaar gebombardeerd. Daardoor waren we verstoken van aanvoer van alles, vooral eten en water. We aten groene appels uit de boomgaard en knollen van het veld. We waren vuil want we hadden ons in weken niet meer fatsoenlijk kunnen wassen. Ook zaten we onder de luizen. We waren met drie Polen ingedeeld bij een Duitse compagnie die vooral bestond uit jonge jongens en oude mannen. Ook oorlogsinvaliden, de een zonder oog, de ander zonder een aantal vingers, maakten hiervan deel uit. De oude mannen, Duitsers van veertig tot zestig jaar en klaarblijkelijk middenstanders of zakenlieden, lieten zich doorgaans negatief uit over het Duitse leger. Ze wilden het liefst weer naar moeder de vrouw en voorspelden al de Duitse ondergang. Dit ging gepaard met veel gevloek en verwensingen aan het adres van Hitler.”

De divisie kwam terecht in Normandië. Begin augustus arriveerden de eerste onderdelen aan het front bij Vire, bijna 40 kilometer ten zuiden van Saint-Lô, in een laatste poging de Amerikaanse doorbraak te stoppen. Maar de strijd was voorbij voordat Konrad goed en wel besefte wat er was gebeurd.

“In de nacht zaten een kameraad uit de buurt van Hannover en ik in een schuttersput met een mitrailleur. Om het uur losten we elkaar af. (…) Om ongeveer 03.00 uur hoorde en zag ik een voertuig naderen over de weg. Het geluid en de vorm van het voertuig kende ik niet. Het bleek later de eerste Amerikaanse Jeep te zijn die ik zag. (…) Een uur later, het begon te schemeren, begonnen mortieren onze stellingen onder vuur te nemen. Eerst een paar, maar later steeds heviger. (…) Tegelijk werd het gegrom van tanks hoorbaar. Nadat het lichter was geworden, konden we in de verte de contouren van de naderende tanks zien. We zaten in onze schuttersputten met slechts een mitrailleur. Geen partij voor de tanks. We hadden ook niet de behoefte ons te verdedigen. Er werd dan ook door ons niet geschoten. Mijn Duitse collega in de schuttersput, een oudere man, gaf me een hand en wenste me succes. Hij verzekerde me dat het nu voor ons spoedig voorbij zou zijn en hij het er dan waarschijnlijk levend vanaf had gebracht, zodat hij zijn familie nog terug kon zien. De tanks naderden van alle kanten en begonnen over onze hoofden heen te vuren. Verschillende soldaten zochten iets wits, staken dat op hun geweer en hielden dat boven hun dekking uit. De soldaten die we al tussen de bomen hadden zien naderen en die later Amerikanen bleken te zijn, riepen ons toe tevoorschijn te komen. Dat gebeurde en zo werden we zonder tegenstand van onze kant krijgsgevangen gemaakt. We werden afgevoerd naar een boerderij op een kilometer afstand. Daar moesten we met zijn allen, vuil, hongerig en dorstig, tegen een muur in de zon gaan zitten.”

Op 7 augustus 1944 was de oorlog voor Konrad voorbij. Hij werd samen met de andere krijgsgevangenen overgebracht naar kampen in Schotland. Daar wachtte hem een verrassing.

“We kwamen in het stadje Stirling terecht, vlak aan de kust. Ik herinner me dat we samen met talloze andere lotgenoten op een soort veemarkt bij elkaar werden gebracht. Ik kon dat zien aan de stangen waar normaal het vee aan vastgebonden wordt. Hier werden we geselecteerd. De Polen hier, de Duitsers daar, enzovoort. Daarna werden we ondervraagd. In Stirling werd ons al verteld geen contact meer met de Duitsers te maken. We konden als we wilden toetreden tot de Poolse troepen. Dat wilden we natuurlijk wel, want we wilden naar huis.”

En zo begon Konrad aan een tweede loopbaan als militair, nu in het Britse leger. Op 28 augustus werd hij officieel ingedeeld bij de Poolse troepen onder Brits bevel. Maar vechten voor de tegenpartij was natuurlijk niet zonder risico: “We hadden ondertussen schuilnamen gekregen om in geval van gevangenschap onze familie niet in problemen te brengen. Mijn nieuwe naam was Adamowski uit Lwów.” 

Op 6 september werd Konrad officieel ingedeeld bij de 1e Poolse Pantserdivisie van generaal-majoor Stanisław Maczek, die op dat moment door Noord-Frankrijk oprukte. Na twee weken opleiding werd hij half september alweer teruggestuurd naar het vasteland van Europa. Op 25 september kwam hij terecht bij het 1e Onafhankelijke Machinegeweer Eskadron onder majoor Marian Kochanowski. Deze eenheid ondersteunde de infanterie met haar zware, watergekoelde Vickers-mitrailleurs. Binnen dit eskadron ondersteunde Konrads eigen peloton meestal het 8e Infanteriebataljon, bijgenaamd ‘De Bloedhemden’, omdat dit onderdeel, in tegenstelling tot de andere twee infanteriebataljons, geen zware wapens had. Konrad werd chauffeur van een zogeheten Bren Carrier, een licht rupsvoertuig. De divisie had vijf dagen eerder de Westerschelde bereikt en Konrad arriveerde tijdens een rustperiode van een week. 

Konrads eerste echte actie was dan ook de volgende fase: de aanval vanuit de omgeving van Merksplas in de richting van Tilburg. Deze actie ging met horten en stoten vanwege de taaie Duitse tegenstand; de operatie strandde uiteindelijk bij Alphen. Het was Konrads eerste gevechtservaring aan geallieerde kant.

“Na de bevrijding van Baarle-Nassau liep ik een keer zonder wapen een huis binnen en vond plotseling een groepje Duitsers die zich hadden verstopt en nu tevoorschijn kwamen. Ik schrok natuurlijk vreselijk want ik was ongewapend. Ik pakte een stoel en joeg ze naar buiten. Gelukkig wilden deze Duitsers zich overgeven. In Alphen hebben we ongeveer drie weken ingegraven gezeten om onze posities te consolideren met af en toe even aflossing om ons in het achterland weer op krachten te laten te komen en te verschonen.” 

Vanwege de grote verliezen kreeg Maczeks divisie opnieuw een periode om de verliezen aan te vullen en bij te komen. Maar rust bestaat niet aan de frontlijn.

“In Alphen waren wij infanterie, dat herinner ik me nog goed. Wij lagen bij het raadhuis onder de perenbomen met onze pelotons. Een peloton hier en dan een machinegeweer, dan een ander peloton en dan weer een machinegeweer en zo door. Toen kwam daar ’s avonds zo’n vrouwke in de schemer en voor ons stond er zo’n boerderij met tanks en hun bemanningen. Zij had een smal gezicht. Zij ging naar de soldaten en deze zeiden: ‘Wat kom je hier doen?’ Ze zei dat de tuin waarin sommigen van ons lagen, van haar was, maar dat was niet waar! Twintig minuten later vielen de Duitsers ons aan en schoten met zwaar geschut zo de perenboom naast mij kapot. Alle peren vielen eruit en twee mannen naast mij waren op slag dood. Toen kwam weer die vrouw, maar onze luitenant ging naar haar toe. Maar ze wilde niets vertellen over zichzelf. De luitenant ging toen met vier man naar haar huis en daar vonden ze een radio en zendapparatuur en draden en zo. Zij was een spionne. (…) Die vrouw is later gefusilleerd.”

Op 27 oktober begon de volgende fase voor de Poolse divisie, Operatie Breda. Van de aanval en de bevrijding van de stad herinnert Konrad zich weinig, waarschijnlijk mede omdat zijn eenheid niet echt in actie hoefde te komen. Meteen na de bevrijding werd hij omgeschoold. 

“Al spoedig werden er enige chauffeurs, waaronder ikzelf, vanuit Princenhage tewerkgesteld bij het klooster aan het Liesbos om te laden en te lossen maar ook om ongeveer twee weken te leren rijden op een vrachtauto van drie ton. We werden met zes brencarrierchauffeurs omgeschoold. We konden dus wel vrachtwagen rijden maar we hadden daar geen rijbewijs voor. De rest van ons eskadron werd al verplaatst naar de Belcrum [wijk in noord Breda – JD] rondom het slachthuis. De soldaten werden er in de omliggende straten ingekwartierd. Wij hebben vrachtauto leren rijden om in de toekomst als reservechauffeur te kunnen optreden maar we hebben het later zelden of nooit nodig gehad. Bij het Liesbos heb ik ook mijn latere vrouw, Adrie Dirven, ontmoet. Toen ik daar met een kameraad op straat liep, heb ik haar en vriendinnen getroffen. Ze had ook vis bij zich in water. Ik gaf haar ouders later ook benzine. Na twee weken ben ik ook verplaatst naar het slachthuis in de Belcrum. Hier werd ik bij burgers ingekwartierd.”

Van die inkwartiering herinnerde Konrad zich allerlei details.

‘Ik werd ingekwartierd bij de familie Verweij in de Koekoekstraat nummer 16. Hier was al de kleine, jonge Kazimierz Gruchała uit Chojnice ingekwartierd. Hij was een motorordonnans van ons eskadron; wij hadden er daarvan drie, Kazimierz, Zeikusz en nog een waarvan ik de naam ben vergeten. Kazimierz heb ik pas later leren kennen omdat hij niet in Engeland is geweest, maar ergens op het vasteland is gevangen genomen en overgenomen bij de Poolse troepen. De familie bestond uit vader Hannes, moeder Dina, zoon Rien (twee of drie jaar) en dochter Corrie (vijftien jaar). Pa en Kazimierz noemden ze vati en mutti. We hadden samen de beschikking over het voorkamertje beneden aan de straat. Het was maar een klein kamertje in een klein huisje. Het huisje had nog een achterkamertje en nog ongeveer twee slaapkamertjes. (…) Onze carriers stonden op het plein van het slachthuis waar de koeienhandelaren kwamen. Eten moesten we echter halen bij een café bij het slachthuis in de buurt waar onze keuken was geïnstalleerd. We aten dan in het café aan de overkant. Ik ben hier echter niet veel geweest. Alleen als ik van het front kwam voor wassen en nieuwe kleren of wanneer mijn carrier kapot was, kwam ik hiernaar toe. Kazimierz was als ordonnans van ons eskadron altijd hier. Later, tijdens mijn vier maanden in Breda, is de familie nog verhuisd naar de Industriekade nummer 15c. Ik zat toen in Sprang-Capelle en Kazimierz heeft hen nog met een militaire wagen verhuisd. (…) De mensen waar wij ingekwartierd waren, hadden het meestal niet zo breed. Wanneer ze nu soldaten in huis hadden die van het front terugkwamen, kregen ze een extra rantsoen kolen, een zak vol, voor een paar dagen.”

De vriendschap met de familie Verweij is een leven lang gebleven.

De 1e Poolse Pantserdivisie bereikte op 9 november het Hollands Diep bij Moerdijk. De geallieerde opmars door Noord-Brabant was afgerond. Dat betekende niet dat de militairen van het Eerste Canadese Leger, waaronder ook de Polen vielen, een rustige tijd tegemoet gingen. Vanaf nu was de bewaking van het lange front op de zuidelijke oever van het Hollands Diep, de Amer en de Bergsche Maas de nieuwe taak - een opdracht die meestal saai en vervelend was, maar vaak ook gevaarlijk. Hierbij wisselden Poolse, Canadese en Britse eenheden geregeld van plaats. Konrads eerste opdracht was in Lage Zwaluwe. 

“Dit dijkdorpje aan het Hollands-Diep (de Moerdijk) en de Amer was al door Polen bevrijd. Ik herinner mij het oude kerkje. Wij moesten met een deel van ons peloton, een groep, acht tot twaalf man, vanuit een dijkhuisje bewaken dat geen vijand met bootjes over het Hollands Diep kwam. Andere soldaten hadden soortgelijke taken in het dorp. Het huisje behoorde aan de familie Dubbelman. Hij was chauffeur en had een vrachtwagen. De familie had ook een klein dochtertje van ongeveer anderhalf jaar, Joke. Ze lag nog in een klein wiegje. Voor hen was het ook een voordeel omdat de Polen veel eten bij zich hadden waarvan zij ook konden meeprofiteren. Vanuit een klein zolderkamertje hadden wij een ruim zicht over het Hollands Diep. Op een klein balkon (plat dak) stond onze zware mitrailleur (CKM). Wij sliepen in een klein kamertje van het huis. De familie Dubbelman heeft ons hier ook leren jokeren. (…) Tussen de dijk en het dorp hadden de Duitsers het land onder water gezet. De kelders van de huizen stonden onder water. Wij haalden met onze hoge laarzen weleens kolen uit het ondergelopen schuurtje achter het huis.”

Hierop volgde een korte periode in Breda, waarna Konrads peloton een nieuwe opdracht kreeg. Deze episode maakte een diepe en blijvende indruk op Konrad. De combinatie van kou en bloedige gevechten met zware verliezen aan beide kanten staat voorgoed in zijn geheugen gegrift.

“Op 24 december 1944 zijn we naar Sprang-Capelle getrokken. Onze opdracht was de Engelsen af te lossen en te versterken die tegen het Oude Maasje aan lagen, met zicht op de Overdiepse Polder ten noorden van het plaatsje Capelle. De Duitsers hadden nog steeds vaste voet op dit eilandje tussen het Oude Maasje en de Bergsche Maas. (…) Wij kwamen in Capelle aan om ongeveer vijf uur ’s middags, het was al wat donker. In het dorp Sprang-Capelle hebben we eerst in een kleine school een kerstviering gehad. Daarvoor hebben we de schoolbankjes moeten verzetten. Om twaalf uur ’s nachts hebben we de Engelsen die er zaten afgelost. Dat moest voorzichtig. Eerst gingen de Engelse voertuigen weg en wij zetten achter de huisjes in de tuinen onze voertuigen ervoor in de plaats. De bewoners moesten voor een aantal dagen evacueren.

“Ons peloton had vier groepen. Deze werden ieder in een huis gelegerd aan de Waspikse dijk omdat we niet met een heel peloton in een huis konden. Links van het huis waar wij zaten waren nog meer huizen, maar naar rechts niet meer. Meer naar links lag een groep infanterie. Toen wij in Capelle kwamen, was de Overdiepse Polder, die een eilandje vormt tussen het Oude Maasje en de Bergsche Maas ten noorden van Capelle, nog niet volledig bevrijd. De brug over de Oude Maas was kapot. Ervoor stond een huisje met een soort molen. Ook die waren vernield. Er was al wel slag geleverd maar de Duitsers kwamen vooral ’s nachts nog steeds naar Capelle. Daarom was het eerste wat de Polen deden dezelfde nacht verkenningspatrouilles uitzenden over de dijken. Veel stond onder water dus alleen de hogere delen waren te belopen. Ik wilde ook mee maar mijn luitenant wilde zijn chauffeur niet meesturen. Er gingen mensen van ons peloton en infanteristen. Die nacht kwamen er toch nog Duitsers over de dijken naar Capelle. Ik hoorde later van een inwoner van Capelle, een jongen die af en toe naar zijn boerderij kwam kijken, dat wanneer de Engelsen sliepen de Duitsers tussen de linies doorkwamen, zelfs in burger.” 

Het was verre van eenvoudig of aangenaam om waakzaam te blijven in die strenge winter. 

“We hielden ons warm door op een beschutte plaats een gat te graven van een halve meter diep, dieper kon niet met de hoge grondwaterstand. Hierover werd een zeil gespannen. We vulden munitiekistjes met zand en gooiden hier petroleum in. Dit staken we aan. Het brandde niet echt maar smoorde wel en gaf zodoende enige warmte. Het hoeft geen betoog dat we hierdoor stonken als de pest. (…) Ik zat altijd in de dijk precies recht tegenover de veerstoep. (…) Ik keek ook uit op een soort treurwilg die er nu nog steeds staat, vlak bij een gedenkplaat die de strijd herdenkt op en rondom dit eiland. Aan de Maaskant over de dijk lagen vlak bij onze positie nog dode Engelsen die we niet konden bergen omdat ze bevroren waren en in het zicht van de Duitsers aan de overkant van de Maas lagen. Op een nacht ben ik wel de dijk overgekropen en heb nog een stengun bemachtigd. Ik werd door de Duitsers beschoten en na lang stilliggen heb ik, vlak voordat het licht werd, terug kunnen kruipen. Op de weggetjes lagen ook kapotte karren en dode paarden van de Duitsers. (…) We zaten steeds drie dagen aan de dijk en dan weer drie dagen in het huisje in Capelle om op verhaal te komen. Soms gingen we voor zeer korte tijd terug naar Breda voor andere kleren en een beetje vertier.” 

Ook aan deze barre episode kwam een einde. Op 7 april 1945 vertrok de 1e Poolse Pantserdivisie na bijna een half jaar uit Noord-Brabant om als onderdeel van het Eerste Canadese Leger de oostelijke en noordelijke provincies te bevrijden en vervolgens Duitsland in te trekken. Hiervan kon Konrad zich later weinig meer herinneren. Dat is des te opvallender omdat hij voor zijn aandeel in de bevrijding van Ter Apel op 12 april het Poolse Dapperheidskruis, het Krzyż Walecznych, ontving. 

De triomfantelijke opmars van de Polen eindigde op 6 mei 1945 in Wilhelmshaven, aan de Duitse Waddenkust. De oorlog was voorbij. Nu stond Konrad, net als zijn lotgenoten, voor een afschuwelijke keuze: terug naar het vaderland, dat nu bezet was door de Sovjet-Unie, of een nieuw leven opbouwen in het vrije Westen. Voor hem was de keuze minder moeilijk. Hij was immers verliefd geworden op een meisje uit Breda: Adrie Dirven, in 1922 geboren in Etten-Leur. De keuze betekende natuurlijk wel het afscheid van zijn familie, die achterbleef in Polen. Ook voor zijn nieuwe vrouw was het een toekomst met een zwart randje: haar ouders waren niet gelukkig met Konrad als schoonzoon. Daarom trouwde het echtpaar vanuit het huis van de familie Verweij. Bij het huwelijk, dat op 3 september 1946 plaatsvond in Breda, en het daaropvolgende feest was van Adries familie alleen haar broer Cor aanwezig. Een half jaar later, op 9 december, verliet Konrad de militaire dienst.

“Vanuit Quackenbrück werden wij gedemobiliseerd en gingen we met bussen naar Winschoten naar de dokter. Het was een oude dokter van tachtig jaar of meer die ons onderzocht, want hij trilde helemaal. Van Winschoten weer met bussen naar Duitsland. Ik behoorde tot de tweede groep Polen die werden gedemobiliseerd. De eerste groep waren de Polen die naar Polen teruggingen. Dit was bijna de helft. De tweede groep mocht zelf weten waar ze naartoe wilden. Naar België, Engeland, Nederland of elders. De derde groep werd pas gedemobiliseerd in 1947.”

Op 9 december 1946 verlaat Konrad de militaire dienst en gaat hij terug naar Breda. Hij krijgt een burgerkostuum, schoenen, een hoed en jas, een koffer en tweehonderd dollar, en dat is het. “Ons militair uniform hoefden we niet in te leveren”. In het achterhuis van Achillesstraat 82 wordt in 1948 Frans geboren, de eerste van vijf kinderen, vernoemd naar Konrads vader Franciszek. Konrad wordt officieel tot Nederlands staatsburger genaturaliseerd op 26 maart 1952. Hij is van jongs af aan zeer muzikaal geweest, en heeft een goede stem. Hij zingt in kleine en grote gezelschappen van solo, duo tot koor en kerkkoor. Konrad treedt elke zondag in de Poolse kerken op, en ook bij vele herdenkingen. Als hij in de Poolse kerk in de kerstnacht solo Stille Nacht zingt, kan men een speld horen vallen. Zijn werkzame leven brengt hij door bij machinefabriek Backer en Rueb. Hij is eenvoudig en tevreden en vraagt niet veel. Op de fabriek werken nog diverse Polen met wie hij dagelijks contact heeft. Elke dag eet hij zijn brood op met mijnheer Stolasz. Iedereen kent hem als Koen en hij is graag gezien.

In 1958 gaan Konrad en zijn oudste zoon Frans voor het eerst met de bus op familiebezoek in Polen. Voor Konrad wordt het een emotionele reis omdat hij bijna vijftien jaar niet meer thuis is geweest en intussen in 1952 zijn moeder is gestorven. Er is veel bij te praten. Later volgen andere bezoeken over en weer. Dit contact bestaat tot op de dag van vandaag. Vooral in de eerste jaren is er een hecht contact met zijn Poolse kameraden die her en der in Breda wonen. Langzaam worden de contacten minder doordat er veel sterven en de Poolse kerkparochie ophoudt te bestaan. Sommigen emigreren naar het buitenland. Konrad Ruczynski overlijdt op 15 december 2001; acht jaar later sterft ook Adrie. 

 

Bronnen

Interview met Konrad Ruczynski door zijn zoon Frans Ruczynski, vastgelegd 3 november 1989.

Interview met Konrad Ruczynski door zijn kleinzoon Ben Nelemans, vastgelegd 25 februari 1999.

Interview met Corrie Verweij door Frans Ruczynski, vastgelegd 10 augustus 2014.

Privéarchief Frans Ruczynski.