De koloniale banden van de familie-Smits van Oyen

Het Paradijs

“Het Paradijs", een deel van het fabriekscomplex van textielfabriek J.Th.M. Smits & Zn in Eindhoven rond 1825. (Bron: M. D. Knip en J. A. Knip, Het Noordbrabants Museum)

De familie-Smits van Oyen heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Eindhoven. Johannes Theodorus Smits (1754-1827) en zijn nakomelingen werden rijk door hun activiteiten in de textielindustrie, en werden in de negentiende eeuw verheven tot de Brabantse adel. Twee van hen schopten het zelfs tot burgemeester van Eindhoven. Dit grote succes werd deels mogelijk gemaakt door de banden van de familie met slavenarbeid en het koloniale systeem.

Familiegeschiedenis

Toen Johannes Theodorus Smits zich rond 1780 in Eindhoven vestigde, beschikte zijn familie reeds over aanzienlijke bezittingen en middelen. Het eerste kapitaal kan goed zijn gebouwd op de winsten van land dat zij verpachtten aan lokale boeren bijvoorbeeld. Of winsten uit de vele windmolens die ze in het gebied bezaten. In die tijd was dit een gangbare manier om kapitaal te vergaren en te vermeerderen. Naast de molenaarstraditie, leverde de familie generaties lang bestuurders zoals schepenen, raadsleden, wethouders en burgemeesters.

In de loop van de negentiende eeuw werd een tak van Smits van Oyen tot de Brabantse adel verheven, mede door hun industriële verdiensten die toen ook als grond voor verheffing golden. Nadat een tak in 1836 de heerlijkheid Oijen nabij Den Bosch kocht, werd de naam ‘Smits van Oyen’ bekrachtigd. Voor Eindhoven als stad in opkomst speelde de familie een belangrijke rol. Deze Eindhovense familie had voorouders die al generaties in Peel- en Kempenland leefden. Vandaag de dag kent Eindhoven de Burgemeester Smits van Oyenstraat, vernoemd naar Johannes Theodorus Smits van Oyen (1828-1898).

 

Familiebedrijf J.Th. Smits en Zonen 

In de eerste decennia van de negentiende eeuw ontstond er in Eindhoven een gunstiger klimaat voor textielondernemingen. Eindhoven kende toen verschillende voorname textielfabrikanten. Het familiebedrijf J.Th. Smits en Zonen springt hier bovenuit.

De oorsprong van de textielfirma gaat terug tot 1780 toen molenaarszoon Johannes Theodorus Smits samen met zijn zwager Antoni Janssen een textielonderneming startte. De ondernemers waren internationaal georiënteerd en ontleenden technieken uit het buitenland voor het spinnen van katoenen garen. Het bedrijf werd groot middels haar gemengde stoffen.

Na het vertrek van Janssen maakte Smits in 1810 een doorstart met zijn zonen onder de naam J. Th. Smits en Zonen. Dit bedrijf zou een van de best lopende textielbedrijven in de regio Eindhoven worden. In de textielfabriek verwerkt de firma Smits en Zonen per jaar 18.000 pond katoen.

Uit archiefonderzoek blijkt dat een deel van dit katoen kwam van slavernijplantages in het zuiden van de Verenigde Staten. In de bijgehouden overzichten van het jaar 1840 – 1841 komt naar voren dat dit katoen afkomstig was uit onder meer Georgia en New Orleans. In de Zuidelijke Staten van de VS was in die tijd het aantal mensen dat tot slaaf was gemaakt verdrievoudigd en werkten drie van de vier miljoen tot slaaf gemaakte mensen in de katoenvelden. In deze periode importeert de firma Smits en Zonen katoen uit deze regio. Daarnaast importeert de firma katoen afkomstig uit Surat in India, destijds een Britse kolonie waar katoen werd geproduceerd via een systeem van gedwongen arbeid.

Een passage uit het overzicht van ontvangen katoen door de firma Smits en zonen tussen 1840-1841

Een passage uit het overzicht van ontvangen katoen door de firma Smits en zonen tussen 1840-1841. (Bron: Archief Familie Smits van Oijen, 1567-1987, Brabants Historisch Informatie Centrum)

Het is aannemelijk dat uit de gegevens van andere jaren zal blijken dat dit geen uitzondering was. De import van katoen uit de Zuidelijke Staten van de VS en uit andere Europese koloniën in Azië was in de Nederlandse textielindustrie immers gebruikelijk. Uit het recente slavernijonderzoek van de provincie Overijssel is gebleken dat katoen voor de Twentse textielnijverheid in de negentiende eeuw eveneens van slavernijplantages in het zuiden van de Verenigde Staten en uit India kwam. Niet alleen de import van katoen is van belang, maar ook de export. De groei van de industrie in Twente hing bijvoorbeeld samen met de export naar Nederlands-Indië via de in 1824 opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM). 

Uit het bedrijfsarchief van de firma Smits en zonen komen in het midden van de negentiende eeuw ook investeringen in de vorm van obligaties en aandelen naar voren in banken en staten die betrokken zijn  bij koloniale slavernij en andere vormen van onvrije arbeid. Er zijn obligaties in De Citizens Bank of Louisiana en Hope & Co die beiden betrokken waren bij slavernij in het zuiden van de Verenigde Staten. Ook zijn er aandelen in De Nederlandsche Bank (DNB) en de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM). Het gaat hierbij niet om lage bedragen. Zo vertegenwoordigen de aandelen van de NHM in 1865 een waarde van 37.762.97 gulden, omgerekend naar nu komt dat neer op € 528.691.150. 

De in 1824 opgerichte NHM had als bedoelde opvolger van de VOC tot doel de bestaande handelsrelaties tussen Nederland en overzeese gebieden (met name voormalig Nederlands-Indië) uit te bouwen. Hierin profiteerde het NHM van het Cultuurstelsel. Met dit systeem dwong de Nederlandse overheid Javanen winstgevende gewassen als koffie, suiker en thee te verbouwen. Recent onderzoek toonde aan dat deze gedwongen arbeid in de negentiende eeuw op Java tot voedseltekorten en aanzienlijke oversterfte onder de plaatselijke bevolking heeft geleid.

Passage uit het archief van de firma Smits en Zonen

Passage uit het archief van de firma Smits en Zonen. (Bron: Archief Familie Smits van Oijen, 1567-1987, Brabants Historisch Informatie Centrum)

De erfenis van Johannes Theodorus Smits

In het omvangrijke archief van de familie-Smits van Oyen, in beheer bij het Brabants Historisch Informatie Centrum in Den Bosch, is veel informatie voorhanden over de commerciële activiteiten van de familie. Familiearchieven bieden inzicht in eventuele relaties met de koloniën. Testamenten en afwikkelingen van erfenissen zijn hiervoor een belangrijke bron.

De eerst gearchiveerde erfenis uit 1832 betreft een omschrijving van het nalatenschap van Johannes Theodorus, de eerder genoemde oprichter van J.Th. Smits en Zonen, en zijn vrouw Veronica Cornelia Janssen. Smits behoorde tot de Eindhovense bovenlaag en was een van de rijksten in Eindhoven. Naast ondernemer was Smits ook lid van het Eindhovense stadsbestuur. 

In zijn nalatenschap lijken geen sporen te zijn die duiden op betrokkenheid bij koloniale slavernij. Er zijn weliswaar obligaties van Hope & Co, de voorloper van ABN AMRO die betrokken was bij slavernij. Allen betreffen echter Russische staatsleningen. Hoewel in Rusland sprake was van lijfeigenschap gekoppeld aan gedwongen arbeid, waren deze staatsleningen niet verbonden aan koloniale slavernij.

 

Koloniale beleggingen en aandelen 

Toen in de loop van de achttiende eeuw de markt voor obligaties verzadigd raakte, groeide het aantal investeringen in buitenlandse obligaties. In het archief van Petrus Laurentius Wilhelmus Smits van Oyen (1824 – 1881), een kleinzoon van Johannes en Veronica Smits, is een persoonlijk boek met daarin een nauwkeurig bijgehouden staat van aan- en inkoop van effecten, aandelen en obligaties. In de vroegste aantekeningen uit 1839 zijn onder meer inkopen te zien van katoen en andere producten als koffie, wijn en vanille. Vanaf 1849 worden ook aandelen en obligaties geadministreerd. Hier komen investeringen naar voren die verweven zijn met de koloniën en slavernij. 

Petrus Smits had, net als bij de firma Smits en Zonen, obligaties in Hope & Co en de Citizens Bank of Louisiana. In de periode van deze investeringen waren Hope & Co en de Citizens Bank betrokken bij slavernij in het Zuiden van de Verenigde Staten. De Citizens Bank droeg zo bij aan de groei van de plantagesector in het zuiden van de Verenigde Staten. Deze bank bezat daarbij het hypotheekrecht op duizenden tot slaaf gemaakte mensen, waarvan het aantal bij het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1860 tot ruim 9.000 was gestegen. Hope & Co, de voorloper van ABN AMRO, vervulde een spilfunctie in de internationale slavernijeconomie en zette tot slaaf gemaakte mensen in als onderpand voor leningen. Uit het effectenboek blijkt net als bij Smits en Zonen bezit van obligaties in de Citizens Bank of Louisiana. In het jaar 1859 stond het saldo van Smits op totaal 26.092, 83 gulden, omgerekend naar nu ruim 360.000 euro.

Passage uit de aan- en verkoop van effecten en winsten tussen 1839-1864

Een passage uit de aan- en verkoop van effecten en winsten tussen 1839-1864. (Bron: Archief Familie Smits van Oijen, 1567-1987, Brabants Historisch Informatie Centrum, uit De stad vertelt)

Alle rechten voorbehouden

Smits bezat in de periode van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861 – 1865) ook obligaties van de Geconfedereerde Staten. Een oorlog waarin slavernij een belangrijke rol speelde en voor behoud hiervan werd gestreden door de zuidelijke slavenstaten als Louisiana. Deze obligaties waren verbonden aan de economie van het Zuiden, die sterk afhankelijk was van arbeid door tot slaaf gemaakte mensen. De Geconfedereerde Staten haalden voor de oorlogsvoering geld op via de internationale markt. 

In 1863, in het midden van deze burgeroorlog, stond het bedrag van de investeringen in obligaties van Smits op 16.130,03 gulden, omgerekend naar nu ruim 485.000 euro. Zijn investering in obligaties van de Geconfedereerde Staten impliceert dat hij een economisch belang zag, en in zekere zin vertrouwen leek te hebben gehad in een gunstige uitkomst van de Amerikaanse Burgeroorlog voor de zuidelijke staten. Hoewel Smits positie ten opzichte van slavernij niet uit de geraadpleegde bronnen naar voren komt, toont de investering ten minste een acceptatie van de economische structuren die gebouwd waren op slavernij. Het was immers bekend dat de economie van de zuidelijke staten afhankelijk was van slavernij en arbeid door tot slaaf gemaakte mensen. In elk geval droegen de investeringen eraan bij dat de slavernij-economie van de Verenigde Staten een financiële injectie kreeg. 

In het aantekeningenboek zijn er verder vanaf 1856 aandelen in De Nederlandse Bank (DNB). In het bijgehouden overzicht staat er in 1865 onderaan de streep een credit van in totaal 107.763,36 gulden, omgerekend nu ruim 1.5 miljoen euro. Uit onderzoek is gebleken dat DNB en haar vroegere bestuurders in de jaren 1814 – 1863 betrokken zijn geweest bij de trans-Atlantische slavernij. Hiervoor bood de bank op 1 juli 2022 excuses.

 

Het Eindhovens kanaal (1846) 

In hetzelfde boek staan ook de obligaties ten behoeve van het Eindhovens Kanaal. Op initiatief van Eindhoven ging het project, dat was begroot op 150.000 gulden, van start. Voor de financiering van dat bedrag besloot de gemeente Eindhoven tot de uitgifte van driehonderd obligaties van vijfhonderd gulden. Veel inwoners van Eindhoven tekenden in. De familie Smits kocht voor maar liefst 82.000 gulden aandelen in en was hiermee een van de grootste financiers. Met de wetenschap dat er vanuit Smits investeringen zijn geweest die indirect verbonden zijn aan koloniale slavernij, rijst de vraag met welk kapitaal dit kanaal is gebouwd. Wie waren de andere vermogende (Eindhovense) investeerders en waar kwam hun vermogen vandaan? Deze vragen gelden ook voor andere infrastructuur van de stad zoals de spoorwegen.

Eindhovensch Kanaal

Het Eindhovensch Kanaal, gefotografeerd vanaf de Kanaaldijk-Zuid. (Foto: S. Perquin, 2024, Wikimedia Commons)

Verwevenheid met katholieke instellingen 

Uit de nalatenschap van Petrus Smits van Oyen komen schenkingen aan de Rooms-Katholieke parochie in Eindhoven naar voren. Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 kon het katholieke geloof weer vrijelijk beleden worden en begon het een hoofdrol te spelen in het maatschappelijk, sociaal en culturele leven van Eindhoven en haar inwoners. Deze periode van katholieke bloei in Nederland (1860-1960) en de tijd waarin de katholieke Eindhovenaren hun identiteit sterk ontwikkelden, wordt ook wel aangeduid met het ‘Rijke Roomse Leven’. Tijdens het hoogtepunt van deze periode telde Eindhoven maar liefst zevenendertig kloostercommuniteiten en liepen er paters, broeders en zusters van zesentwintig verschillende kloostergemeenschappen of religieuze instituten (verzamelnaam voor orden en congregaties) rond. Vanuit deze nieuw aangeworven kloostercommuniteiten hielden de paters, broeders en zusters zich voornamelijk bezig met onderwijs, bejaardenzorg, ziekenzorg en andere maatschappelijke en sociale zorg voor de bewoners van Eindhoven.

De financiële ondersteuning voor zowel de vestiging van de religieuze gemeenschappen als de bouw van nieuwe kerken en kloostercommuniteiten waarvan het merendeel maatschappelijk actief was kwam deels van particulieren. Wie waren deze particulieren en hoe kwamen zij aan hun geld? Uit een eerste verkenning in het archief van Smits van Oyen komt naar voren dat de familie inderdaad banden had met katholieke instellingen en nalatenschap ten behoeve van armenzorg.

 

Gedachten over de afschaffing van slavernij en het Eindhovens subcomité Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling 1883 

Johannes Theodorus Smits van Oyen (1823 – 1898), kleinzoon van Veronica Cornelia en Johannes Theodorus, had ook interesse in koloniale zaken in zowel Suriname als in koloniaal Indonesië. Hij bewaarde en verzamelde vele krantenknipsels en verhandelingen over de afschaffing van slavernij. 

Het archief bevat een voorblad getiteld ‘esclavage’ (slavernij) met puntsgewijs op wat lijkt op een opsomming van thema’s. Het vervolgt met een handgeschreven brief in het Frans, gericht aan de Minister van Koloniën. De brief uit 1856 is een uiteenzetting van de, in de ogen van de auteur, benodigde voorwaarden voor de realisatie van de afschaffing van slavernij. Het lijkt een abolitionistische toon weer te geven. Tegelijk was er ook kritiek op de emancipatiebeweging die, aldus de schrijver, een beperkte kijk heeft op de zaak. “De grootste fout van de abolitionisten” was dat zij de vinger alleen wezen naar de regering, en van haar verwachtten dat zij volledig verantwoordelijk was voor “de wederopbouw en het welzijn” van Suriname in vrijheid. In de ogen van de auteur draagt de gehele koloniale samenleving verantwoordelijkheid voor de vrijheid en emancipatie van tot slaafgemaakten en de toekomst van de kolonie. Immers, “[…] als de koloniale samenleving meer heeft bijgedragen dan de regering aan de oprichting en het onderhoud van de slavernij, [is] het ook de samenleving […] die moet bijdragen aan de afschaffing ervan.”

Burgemeester van Eindhoven, Johannes Theodorus Smits van Oyen

Portret van Johannes Theodorus Smits van Oyen (1823-1898) als burgemeester van Eindhoven, een functie die hij bekleedde tussen 1853 en 1885. (Bron: auteur onbekend, Eindhoven in beeld)

Een spoedige afschaffing zou een gevaar betekenen voor de tot slaaf gemaakte mensen. “On ne change pas du jour au lendemain les idées dominantes”, ofwel heersende ideeën verander je niet van de ene op de andere dag. Een deel van de oplossing lag in de aanwas van ‘nieuwe arbeiders’ uit onder meer Indonesië, China, maar ook uit Nederland. Zo zou de vermenging van slaafgemaakten en vrije arbeiders zorgen voor een ‘rustige overgang’. Uiteindelijk sluit de brief af met de verwachting dat deze hervormingen binnen een relatief korte tijd in “Suriname een nieuw tijdperk van welvaart en voorspoed” voort zouden brengen waarvan het “nieuwe vaderland de onschatbare vruchten zal plukken.”

Johannes Smits van Oyen was ook als erevoorzitter betrokken bij het Eindhovens subcomité van de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in 1883 in Amsterdam. Hij ontving hiervan een ‘herinneringsdiploma’. Deze wereldtentoonstelling had tot doel koloniale handel en rijkdommen te presenteren. Opvallend was dat hier ook vrouwen, kinderen en mannen uit Suriname en Indonesië werden ‘tentoongesteld’ in nagebouwde dorpen achter hekken “alsof het dieren in een dierentuin betrof”. Deze wereldtentoonstelling was dan wel twintig jaar na de officiële afschaffing van de slavernij. Enkelen van hen waren in het verleden nog tot slaaf gemaakt.

Wat was de invulling van de rol die Smits van Oyen als erevoorzitter had? Wat waren de motieven en belangen? Hoe kwam Smits van Oyen in aanmerking voor deze functie? Uit de verkenning is vooralsnog niets te vinden over Smits of de rol van subcomités en specifiek Eindhoven. Het gegeven dat er een subcomité was, laat Eindhovense betrokkenheid bij de koloniën zien en verdient meer onderzoek.

Herinneringsdiploma Eindhovens subcomité Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in 1883

Herinneringsdiploma Eindhovens subcomité Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in 1883. (Bron: Georg Sturm, Collectie Rijksmuseum)

Conclusie en vervolgonderzoek

Uit de eerste verkenning van het archief van de Eindhovense familie Smits van Oyen komen negentiende eeuw investeringen naar voren die een (indirecte) betrokkenheid tonen bij slavernij en andere systemen van koloniale dwangarbeid. Dit gaat ook over slavernij buiten de Nederlandse koloniën, zoals de Zuidelijke Staten van de Verenigde Staten. Hoewel nader onderzoek noodzakelijk is om de cijfers in perspectief te plaatsen, kan gesteld worden dat een deel van de investeringen die naar voren zijn gekomen, investeringen zijn geweest die indirect bijdroegen aan het systeem van slavernij en andere vormen van onvrije arbeid. De verkenning laat zien dat de betrokkenheid zich ook uitte op andere terreinen, zoals verhandelingen over de afschaffing van slavernij en koloniale comités. 

Verder onderzoek is raadzaam, omdat Smits een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Eindhoven. Het omvangrijke archief van Smits van Oyen biedt hiervoor een waardevolle bron. Zo is nader onderzoek nodig om de investeringen en cijfers van familiebedrijf J.Th. Smits en Zonen te duiden en in perspectief te plaatsen, om zo te achterhalen in hoeverre het Eindhovense bedrijfsleven betrokken was bij, en profiteerde van, diensten die (indirect) verbonden waren met slavernij en onvrije arbeid. Ditzelfde geldt voor de investeringen van Petrus Smits van Oyen. Verder is vervolgonderzoek nodig naar de aard en omvang van investeringen van de familie Smits in relatie tot de gekochte landhuizen, heerlijkheden en religieuze instellingen als kerken en kloosters.

 

Dit artikel is een bewerking van De stad vertelt. Vooronderzoek naar het Slavernijverleden van EindhovenHet volledige rapport is hier te vinden: https://www.onderzoekslavernijverledeneindhoven.nl/

 

Bronnen

Beckert, S., De opkomst van de moderne wereldeconomie, Amsterdam, 2016.

BHIC (Brabants Historisch Informatie Centrum), toegang 321 Familie Smits van Oijen, 1567-1987, inleidende omschrijving van de familie Smits van Oyen.

BHIC, 321 Familie Smits van Oijen, inv.nr. 195 Staat van aan-en verkoopeffecten en interest daarvan, 1839-1864.

BHIC, 321 Familie Smits van Oijen, inv.nr. 446 Aan- en verkopen van effecten en verkregen interest daarvan, 1833-1865, Rekeningen-courant met erven Antonius Smits, 1836-1846, scans 41, 44.

BHIC, 321 Familie Smits van Oijen, inv.nr. 446 folio 27.

BHIC, toegang 321, inv.nr 132, Fundatie J.T. Smits van Oyen voor RK armen in Eindhoven, 1856 – 1899.

BHIC, toegang 321, inv.nr 213, Machtiging van bisschop van ‘s-Hertogenbosch, aan RK parochie in Eindhoven, om schenkingen van P.L.W. Smits te aanvaarden, kopie door en kwitantie van J. van Iersel, pastoor in Eindhoven, 1881.

BHIC, toegang 321, inv.nr. 129, Afschaffing slavernij in Suriname, stukken en krantenknipsels bewaard door J.Th. Smits van Oyen, 1853 – 1857. 

BHIC, toegang 321, inv.nr. 162.

BHIC, toegangsnummer 321 Familie Smits van Oijen, 1567-1987, Inventaris Firma J.T. Smits en Zonen, periode 1814 – 1865, inv.nr. 484, scan 11.

Burg, J. van der, Wereldtentoonstelling 1883 (geraadpleegd op 1 februari 2024).

De Kok, G. en Brandon, P., Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO: Een onderzoek naar Hope & Co en R. Mees & Zoonen, Amsterdam, 2022. 

De Zwart, P., Gallardo-Albarrán, D., Rijpma, A., ‘The Demographic Effects of Colonialism: Forced Labor and Mortality in Java, 1834–1879’, in: The Journal of Economic History (jrg. 82, nr. 1, 2022).

Douma, K., De adel in Noord-Brabant, 1814-1918. Groepsvorming, adellijke levensstijl en regionale identiteit, Breda, 2015.

Douma, K., "De negentiende-eeuwse Brabantse adel in Oost- en West-Brabant", Brabants Erfgoed, 22-9-2022. (Stand op 2 april 2024).

Van Hooff, W.H.P.M., ‘Het Eindhovens Kanaal, 1846: de ondernemende burgerij’, in H. W. Lintsen, & P. Thoben (red.), De canon van Eindhoven, Eindhoven, 2009, 61-68.

https://eindhoven-encyclopedie.nl/index.php/De_burgemeester_Smits_van_Oyenstraat

https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/eindhovens-kanaal. (Stand op 11 maart 2024).

Jouwe, N., Kuipers, M. en Raben, R. (red.), Slavernij en de stad Utrecht, Utrecht, 2021.

Mandos, H. en Kakkebeeke, A.D., Oud Eindhoven, Voorstudies tot de geschiedenis van Eindhoven, Schiedam, 1976.

"Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM, 1824-19644)", Historiek. (Stand op 23 januari 2024).

Onderzoek slavernijverleden DNB, geraadpleegd op 11 februari 2024 via https://www.dnb.nl/over-ons/slavernijverleden-dnb/onderzoek-slavernijverleden-dnb/

Van Oorschot, J.M.P., Eindhoven een samenleving in verandering. Deel 1 1810-1920, Eindhoven, 1982.

Van Oudheusden, J., ‘Textielfabriek Smits in Eindhoven’, Brabants Erfgoed, 15-11-2017. (Stand op 28 april 2024).

Van Puijenbroek, F.J.M., Beginnen in Eindhoven. Allochtoon ondernemersinitiatief in de negentiende eeuw, Eindhoven, 1985.

Smits, J. en Van Leeuwen-Pilet, M., Vademecum van religieuzen en hun kloosters in Noord-Brabant, Alphen aan de Maas, 2010.

Van der Linde, M., Velden, E. van en Krijnsen, M. (red.), Overijssel & slavernij, Zwolle, 2023.

Verhagen, F., ‘De katoen-revolutie’, Historisch Nieuwsblad, 22-9-2021.

De Vos, K., "Bizar: mensen tentoongesteld in Amsterdam", Oneindig Noord-Holland, 20-03-2018. (Stand op 18 januari 2024).

Zhao, Y Y., "Colonialism and the Decline of the Cotton Industry in British India (1763‐1863)", in: Academic Journal of Management and Social Sciences, 2023.