Onderduiken
Ad besloot naar zijn schoonzussen te gaan, die in Drunen een café uitbaatten. Zonder hen in te lichten, regelde hij dat de soldaten daar konden schuilen. Later op de dag vertelde hij ze pas dat er achtentwintig Engelsen bij het café zouden worden ondergebracht. Toen de plek te gevaarlijk werd door Duitse inkwartiering, zocht Ad een nieuwe schuilplaats. Hij ging naar de overste van het Sint Norbertusgesticht in Elshout en drong erop aan de mannen op te nemen. In eerste instantie weigerde de overste maar Ad hield voet bij stuk. Iedere nacht bracht Ad voedsel naar de ondergedoken soldaten en regelde een radio, zodat ze het nieuws konden volgen. Hij zag hoe ze samen met de paters ondanks de dreiging probeerden er wat van te maken.
Evacuatie en bevrijding
Toen de Duitsers werden ingekwartierd in Elshout, wilden enkele van de geallieerde soldaten een aanval uitvoeren. Ad hield hen tegen en waarschuwde voor de represailles die zeker zouden volgen bij een aanval. Toen het door de aanstroom van Duitse soldaten te gevaarlijk werd, organiseerde Ad een nachtelijke evacuatie. Hij leidde de mannen door de polder, over het kerkhof en langs Duitse posten. Na drie dagen schuilen op een boerderij leidde Ad hen verder naar het natuurgebied ‘De Kampina’. Vanuit daar trokken de soldaten naar Boxtel, waar ze zonder een schot te lossen de stad bevrijdden.
Ad vertelt
Interview met Ad Veltman
Op 17 september 1944 is er een glider neer gekomen in de Margriet.
Er zaten 6 Engelsen in dan zijn er vier naar Drunen gegaan en twee naar Helvoirt.
Twee zijn er bij vissers in Drunen terechtgekomen en twee heb ik er thuis gehad.
Toen in de dag daarna waren er vijftien Amerikanen die zijn in, bij de rustende Jager in Udenhout neergekomen en die zijn dwars door de hei naar de Drongelens Kanaal gebracht.
Toen is afgesproken, dat die vier, die zes, die konden niet meer terug, maar die vier en wel die zijn bij die vijftien Amerikanen gevoegd.
Die commandanten hebben erover gepraat, maar toen kregen we plotseling een bericht dat er in De Moer dat er achtentwintig Engelsen waren gevallen, De Moer bij Kaatsheuvel.
Nou, daar hebben we ook weer die commandant gehaald, of die zou bij ons komen met in twee vrachtwagens, en dan zou de groep van kapitein André, daar zou een van, zou met die zevenveertig zo door de linie gaan.
Slot van rekening, vanwege het gevaar durfde hij niet, dus toen zaten wij met de gebakken peren.
Toen hebben we die vijftien en die vier, die hebben ze ondergebracht bij de Dominicanen in Drunen en achtentwintig, ze kwamen bij mij om te vragen: “kun je achtentwintig geallieerden onderbrengen?”.
Toen ben ik geweest naar mijn schoonzusters, die hadden het café De Gekroonde Hoed. Erachter stond de schuur ik zeg, breng ze maar en dat wisten zij nog niks van.
Toen ben ik later naar hun gegaan en zeg, nou, vannacht komen er achtentwintig Engelsen.
We zijn daar geweest en daar een dag of drie keer geweest, ,aar het werd daar gevaarlijk, want er kwam Duitse inkwartiering.
Nou goede raad was duur, toen ben ik toch uiteindelijk naar de overste gegaan, van het Sint Norbertusgesticht en met hem gepraat en gepraat, “Het kan niet, het is vol”, hebben we het gebouw bekeken en toen zouden ze in Slot ondergebracht worden, maar dat mocht niet van de bisschop.
Ik zeg: “nee, het is een oorlog, ik zeg ze komen”, en zonder meer.
Nou dan hebben we ze 's nachts gebracht en midden over de weg kousen over de schoenen en de volgende dag zei je de inwoners nou, de Duitsers kwamen hier vannacht langs en we waren zo bang.
Ze hadden kousen over de schoenen, liepen zo zacht.
Nou, die hebben daar gezeten.
Toen was het in Drunen, daar zaten die negentien en daar werd ook inkwartiering gemaakt, dus toen werd daar gezegd, nou, die kunnen ook niet, waar kunnen die naartoe?
Ik zeg nou, in Elshout kunnen ze er niet meer bij, want het is maar een hokje van vierenhalf bij negen, hè, met een paar, met een schuin dak dus.
Maar ik ga kijken, nou, wij gaan kijken, afgesproken met de overste ze komen vannacht.
We hebben ze die nacht, hebben ze ook weer gebracht via polderwegen zo naar achterover het kerkhof van Elshout dat er tegenover lag, die kerk met kerkhof erachter en zo zijn ze binnengekomen.
Nou toen zijn ze naar boven geloodst.
En hoe zijn we gaan slapen?
Ik weet het nog niet, hoewel dat ik er iedere nacht ben geweest.
Dat was 23 september toen ze daar naartoe gingen.
En ik, ik kwam er met mijn vrouw kwam ik er nog al eens.
Ik kwam er zelf iedere nacht om levensmiddelen te brengen, maar de bakker bracht normaal meer brood.
Want er zaten ook honderdvijfentwintig psychiatrische patiënten dus of daar een brood meer kwam minder kwam, dan was geen kwestie van achterdocht, dus dat werd gewoon meer brood gebracht.
Een van ons heeft bonkaarten gehaald in Waalwijk en die hebben we aan die broeders gegeven en die hebben daar ook weer andere middelen gekocht van, zoals boter en suiker en noem maar op.
Ik heb er later, heb ik van mijn schoonzusjes een radio gebracht, dus ik kon ze naar de nieuwsberichten laten luisteren.
Af en toe kregen ze van hun omdat ze een café hadden een borreltje, dus dat hadden ze ook en dat ging er met smaak in.
Ik zag als ik daar 's nachts kwam, ja, dat was dan om een uur of tien, half elf, elf uur zag ik die broeder-overste Rusman zag ik daar op de grond liggen en daar was een rector, Pater van Zeeland die lag ook op de grond, lagen te schaken, hè?
Dus het was eigenlijk wat dat betreft voor velen, een gezellige boel.
Op een gegeven moment komen die Duitsers ook weer inkwartiering maken.
En toen zagen ze de Duitsers aan de toren, dakraam, zagen ze de Duitsers aan de overkant, inkwartiering maken.
En toen zeiden die Amerikanen vannacht gaan wij daar naartoe en dan zouden ze het met een mes we wel even afmaken.
Nou, dan heb ik met veel moeite, heb ik ze tegengehouden om dat niet te doen, want dan werd heel de boel verraden, want ik heb gezegd, daar komen geen vier, vijf Duitsers daar in de inkwartiering, maar in heel Drunen en Elshout komen er vierduizend hè, en dat was later ook zo.
Dus met dat met die massa en zijn we met de zevenenveertig, moet ik dat tegenhouden. Toen in die tussentijd, toen zijn er ook nog mensen geweest van de groep André en, nou, die wouden er naartoe en die wouden ze onderbrengen in de brug van Heusden.
Ik zeg “nee, nooit”.
“Ja, want dan kunnen ze In de fabriek van Wagenberg vesten”
Nooit!
Ik zeg, want als het voor hun goed is, dan is voor de Duitsers ook goed voor de bewaking van die brug, gebeurde ook zo, week later was het, zaten de Duitsers erin.
"Naar het kasteeltje in Drunen?”
Ik zeg nee, want het is een prachtig munitiedepot.
Gek, maar enkele dagen later was daar het munitiedepot, toen het dan ook daar gevaarlijk werd, want er kwam een radio wagen naast het huis te staan, zij zaten helemaal boven en beneden kwamen de Duitsers in.
Toen werd het daar ook gevaarlijk, dus toen was het zaak om weg te komen, en dat ging heel moeilijk, toen heb ik gezegd, we gaan dezelfde weg terug die we gekomen zijn, recht over de straat langs de kerk over het kerkhof en zo door de polder naar de Pessaart, want ik was bij Jan van Kempen geweest en die zegt, “breng ze maar, breng ze maar, hè, zo, zo, ze noemde hem ook Jan plezier hoor, nou, ik ben teruggegaan en zeg, dan en dan gaan we weg, dan is het donker en aan en dan gaan we eruit.
Ik had een politieagent bij ons, Stoter en ik zeg, we stonden daar beneden, hè, want die Duitsers waren er niet toen, ik zeg ga buiten kijken wat er is, want buiten liep er altijd de wacht op en neer voor dat gebouw, want daar hadden ze levensmiddelen en alles staan voor "?".
Hij zei: "daar loopt een dubbele wacht en daar schijnt een generaal te komen en we kunnen er niet langs”.
Ik zeg we gaan achteruit, ik zeg, want daarover een scheiding daar ligt een bruggetje over die loop, een plank lag erover, daar gaan we overheen en dan gaan we zo over de hei of Meerdijk en zo gaan we de hei in.
Duurde wel lang dan, maar dat gaan we doen.
Nou, wij zijn toen over de Kerkhof over achteruit gegaan. Moesten we over het kerkhof van die broeders nou, het zag eruit, want ik ben daar nog wel enkele dagen later geweest, hè?
We zijn de polder in gegaan en toen halfweg.
Toen daar vielen lichtkogels.
Toen kwam Sharp, dat was die luitenant die officier daar ik regelmatig contact mee had.
Hij zegt: “ze willen niet verder hè”, of nee, David Elshout kwam naar me toe en zegt: “ze willen niet verder”.
“Waarom niet”?
Ik kwam, ging ik naar Sharp toe.
Hij zegt: “Nee, ze gaan niet verder”.
Ik zeg daar, daar ligt het, want daar tegenover. Dan lagen de Duitsers. Daar stonden die knollen van de Duitsers in de tuin van Springers.
Dat was een grote tuin, dat is nu allemaal bebouwd, hoor.
En toen zeg ik tegen hem, Ik ga naar hem toe en toen viel er meteen een lichtkogel en ik keek hem in de ogen en toen zei ik: “We give us life for you”, hè.
En ik keek zo even. "Okay, okay boys”, kom aan, hè, en toen gingen we weer verder.
Maar wat blijkt, nou was die plank weg, dus we konden er niet over en toen zijn we dwars door de sloten gegaan, en dikwijls was er drie meter daarnaast was er een hekkendam die we niet zagen, zo donker was het.
En toen zijn we zo een langs mijn huis Kapelstraat 7, zo naar achteren, en zo zijn we de hei in gegaan naar Jan van Kempen naar die boerderij.
Nou, en, daar hebben ze nog wel een dag of drie gebivakkeerd en toen zijn ze via de Rustende Jager, meteen werden ze overgegeven aan die lui van de Kampina en die hebben ze naar de Kampina gebracht.
En toen waren ze daar, toen de dag daarna, toen had meester Sharp had gevraagd om nog even te komen.
Toen ben ik er zelf op de fiets naartoe, gegaan.
En toen kwam ik langs de spoorlijn, kwam ik overal de groepen Duitsers tegen en ze lieten mij fietsen.
Ze namen mijn fiets niet af en dat verwonderde mij nou, toen ben ik daar nog geweest en toen ben ik weer teruggegaan.
En toen het enkele dagen later, toen zijn ze naar Boxtel gegaan, toen is de Boxtel zonder slag of stoot gevallen.
Toen zijn ze, met die ondergrondse daar in Boxtel, die heeft ze daar doorheen geloodst hè, en toen zijn ze midden in Boxtel, hebben ze dat bevrijd, en daar is nooit iemand, was geen Duitser meer te zien, alles was weg.