Onderduiken
Onder valse namen reist Celine van plek naar plek, steeds maar weer van identiteit wisselend om niet op te vallen. Ze krijgt hulp van de ondergrondse en weet door de inspanningen van een Amsterdamse verzetsman te ontkomen. In Noord-Brabant, in het kleine dorp Den Hout, vindt ze een veilig onderkomen bij de familie Van Gils. Ze duikt er onder als ‘hulp in de huishouding’ en doet zich voor als Katholiek. Iedere zondag gaat ze mee naar de kerk en doet ze mee met de communie. Niemand vermoedt dat ze eigenlijk Joods is. Zelfs de pastoor, die op de hoogte is van haar geheim, speelt mee in de schijnvertoning. Het is voor Celine een periode van angst, maar ook van bijzondere verbondenheid met de mensen die haar opvingen.
De Nasleep
Celines verhaal is er een van aanpassen, van overleven, maar ook van verlies. Ze overleefde in tegenstelling tot het overgrote deel van de Nederlandse Joodse bevolking de oorlog. Alhoewel ze zelf met succes is ondergedoken, zijn de meeste van haar familieleden vermoord in de Holocaust. De herinneringen aan de mensen die hun leven waagden om haar te redden, zijn haar altijd bijgebleven.
Celine Ehrlich vertelt
Interview met Celine Ehrlich
Mijn naam nu officieel is Celine, maar op z'n Hollands ben ik natuurlijk ‘Lien’ en mijn meisjesnaam was Kis, maar ik ben getrouwd met een Amerikaan en bij ons heb je alleen je man zijn naam en ik ben Celine Ehrlich.
Ik ben, kom, oorspronkelijk was ik geboren in Amsterdam, maar ik heb in Rotterdam gewoond.
Echter door de ondergrondse heb ik een andere naam gehad.
Ik was niet ondergedoken onder die naam.
Als het met Brabant en die tijd verband heeft, was ik Corrie Kamp, destijds.
Ik had verschillende, als ik weer wegging, dan had ik weer een andere naam ergens anders.
Ik moest onderduiken Omdat ik joods geboren was, en eigenlijk toen de Duitsers kwamen, wisten we het wel, maar we beseften nooit dat we zogenaamd anders waren, want we zijn allemaal Hollanders maar toen kwam de tijd dat we vervolgd werden.
En zodoende moest ik of het een, of het ander doen en mijn zuster was in de Amsterdam destijds, en de hele bekende hoofd van de ondergrond, Gerrit van der Veen was een vriend van een tandarts waar mijn zuster destijds werkte en die hebben mij valse papieren verschaft en hier en daar laten onderduiken
Het eerste moment dat ik dan werkelijk moest onderduiken was dat, ik was alleen thuis op een zaterdagochtend en Ik was bordjes aan het wassen.
En ik ga daar ineens, ik weet niet wat me overkwam, ik had een gevoel dat ik weg moest en ik deed mijn schortje af en ik liet de bordjes In de gootsteen zitten.
We hadden een winkel in Rotterdam en alles was gesloten, maar ik ging weg uit de zaak en ik ging om de hoek naar kennissen van me en toen zei ik, ik kom even een kopje koffiedrinken.
Ik zeg, het is wel een gekke tijd, maar ik heb een zin om een kopje koffie te drinken.
En toen zeiden zij dat zou fijn zijn, maar toevallig gaan wij net boodschappen doen, kom over een uurtje terug.
Ik zeg “goed” en ik liep terug.
En daar stond op de hoek en ik kan geen namen allemaal herinneren, de heer die naast ons was in een zaak en hij zegt: “Lien, ze zijn net voor je geweest, ze zijn je net komen halen, de SS”, en toen ben ik ervandoor gegaan.
Sindsdien ben ik ondergedoken geweest.
Mijn vader was gestorven toen ik drieëntwintig maanden oud was, maar mijn moeder was hertrouwd en mijn moeder lag in Rotterdam in het Joodse ziekenhuis.
En, toen ben ik eens wezen opzoeken.
Ik heb allerlei rare dingen, zijn er gebeurd, want ze zei, ga, blijf maar niet hier, ga nou maar weg, je weet nooit wat er gebeurt en de volgende dag hebben ze haar weggenomen naar Westerbork.
En haar man, mijn stiefvader, die werd opgeroepen zogenaamd verwerkt zoals velen niet-Joden opgeroepen werden en die hebben ze ook naar Westerbork gezonden.
En Ik had een zuster in Amsterdam die ze was een ‘diamant tekenares’, maar ze namen toen geen tandartsassistenten, dus daarom was ze daar, werkte ze daar en die is eventueel ook weggenomen en die was in Bergen Belsen en die is wel niet vermoord, maar de rest van de familie wel, maar mijn zuster is teruggekomen uit Bergen Belsen.
Wel, ik was destijds verloofd met een niet-Joodse jongen, en toen ben ik gauw naar zijn huis gegaan, maar die konden mij niet verbergen dus die hadden weer kennissen en van kennissen ben ik door dan eventueel de ondergrond op wel zeven verschillende plaatsen ondergedoken.
Maar er kwam een punt waar ik weg moest uit Rotterdam, door de ondergrondse uit Amsterdam, ben ik in contact gekomen met Meneer Severijns, Peer Severijns.
Hij was in de militaire muziek, dus hij liep in een uniform, dus was ik heel veilig.
Als ik met hem in een trein naar Oosterhout ging en daar woonde de hele familie. Stadhouder, zo was het, en Severijns in Oosterhout en mevrouw Severijns, Nel, had zusters.
Een was Cor en die was getrouwd met Nol Bakx en de Severijns hadden kleintjes en het huis was te klein, dus toen ben ik tijdelijk bij Bakx geweest, en daar werd het ook.
Alles, wat als een beetje ze niet zeker waren of ik veilig was.
Toen had mevrouw Bakx, een zuster van Gils-Stadhouders op Den Hout, Jan van Gils en Betsie van Gils-Stadhouders en daar ben ik zogenaamd als een, uhm, iemand die ziekelijk was naar buiten moest, als hulp in huishouding gegaan.
Daar ben ik bijna twee jaar ondergedoken geweest en niemand wist het eigenlijk omdat ik moest iedere ochtend naar de kerk was net katholiek zogenaamd meisje.
Ze hadden de pastoor gezegd wie ik was, en dan ging ik op zaterdag naar de biecht en dan zaten de pastoor en ik lekker te babbelen voor een poosje en zondagochtend een had ik natuurlijk communie, maar kreeg hem natuurlijk niet echt en dat leek er wel naar en zo ging ik holde ik weer door en dat is allemaal goed gegaan.
Natuurlijk hebben de Severijns, Stadhouders en Van Gilsen werkelijk hun leven gewaagd door mij, maar het ging goed, want, omdat ik er eigenlijk niet zo Joods uitzag ik wat blonder en men herkende me niet als zodanig.
Wel, ze hadden een winkel en ze hadden kinderen, dus ze had het echt nodig, Betje van Gils.
En, dus het was allemaal goed, en het was gezellig, en alhoewel ik steeds zeg met alle ellende van de oorlog waren dit de twee fijnste jaren die ik daar heb doorgebracht.
Maar toen bleek het, oh, er was een jonge man en die vond mij wel aardig en die was altijd op de Hoogmis en daar ging ik altijd naartoe en dan gingen we samen wandelen en dat ging allemaal prachtig.
Hij geloofde alles, want Ik was zogenaamd alleen uit Rotterdam en zodoende op een gegeven moment begon ‘ie me veel dingetjes te vragen.
En daar was ik niet zo comfortabel mee en toen bleek het dat die meneer Bakx hier en daar wat gesproken had.
En toen, toen was het mis hè.
Toen moest ik weg en zodoende moest ik weer naar een andere.
Ik was ook beland in Valkenburg, toen na de oorlog ben ik altijd in contact gebleven ik, ik ben toen, uiteindelijk ben ik in Maastricht geweest, en daar heb ik gewerkt voor Michiels van Kessenich.
Die was burgemeester van Maastricht, maar die was geen burgemeester toentertijd.
Die was het Koninklijke Papierfabriek, waar hij wist wie ik was, alhoewel ik toen in Valkenburg, ben ik katholiek geworden, want ik ben Hollands, maar ik ben toch Amerikaan, en ik ben katholiek en toch joods.
Dus een split personaliteit, dat, dat heb ik wel.
Maar toen werkte ik in Maastricht en toen was er een de bevrijding.
Ik was in Valkenburg, daar ben ik bevrijd en toen sprak ik wat Engels al, en toen heb ik voor drie verschillende Amerikaanse instanties gewerkt, maar eventueel voor het Rode Kruis en daar heb ik mijn man ontmoet, die kwam uit Amerika.
En ja, er waren nog andere heren die er waren maar dat deed, ik ging nooit uit, want ik wist niet of die mannen getrouwd waren en daar nam ik geen kans mee, maar dat is ook weer een heel verhaal.
Mijn man was natuurlijk vrijgezel en wij waren de eerste, mijn man was de eerste Amerikaan die in Maastricht trouwde en daar zijn we getrouwd en vandaar ben ik op 5 december 1945 ben ik naar Amerika vertrokken en daar heb ik gewoond en daar woon ik nou bijna 49 jaar.
Ik ben natuurlijk dankbaar, en Ik had de adressen, en ik heb ze altijd geschreven, aan de Severijnsen, vooral en ook natuurlijk de Van Gilsen, vooral met Kerstmis enzovoort.
Ik voelde me veilig en ik speelde, Ja, nou, dat is een beetje Engelse vertaling, "the part" van een ziekelijke hulp in de huishouding.
Interviewer:
U voelde zich voelde zich goed in uw rol?
Celine:
Er zijn altijd gekke dingen waar je aan denkt en, het is, en ik heb net nog vandaag aan mevrouw Van Gielen gevraagd of ze wist waar die grote pan was, want het was een grote pan die haar moeder had, waar ze altijd op vrijdag spiering, zo’n grote spieringpannenkoek bakte.
En ook teruggedacht aan, ze hadden een winkel, daar kwamen Duitsers en dan moest ik naar boven hollen, mij verbergen en daar zaten de Duitsers beneden en ik zat boven.
Interviewer:
Ja.
Celine:
Oh en, ik denk aan de dagen dat we met een kinderwagentje met de tarwe naar de molen ging om het te malen of even wat melk halen bij de boeren.
En de prettige, echt prettige tijd.
Als je steeds aan gevaar dacht, dan kon je het niet uithouden en Betje en Jan van Gils.
Die waren natuurlijk zo gezellig en lief dat daar denk je aan.