De strijd om Den Hout en onderduikers

Oorlogsschade Den Hout

Oorlogsschade in Den Hout. Uit de collectie van het Maczek Memorial Breda

Alle rechten voorbehouden

Betsie Vissers-van Gils woont tijdens de Tweede Wereldoorlog als jong meisje in het dorpje Den Hout bij Oosterhout. Haar familie biedt op hun boerderij onderdak aan kinderen uit het noorden van het land maar ook aan een jonge Joodse vrouw, ‘Lien’ (Céline Ehrlich), die zich voordoet als dienstmeisje. Lien wordt verraden en moet plotseling vertrekken. Betsies familie komt hierdoor in gevaar.

Duitse inkwartiering

Het dagelijks leven wordt steeds moeilijker naarmate de oorlog vordert: de school wordt gevorderd door de Duitsers, boeren verbergen hun koeien voor de bezetters, en voedsel wordt schaars. In oktober 1944 verschijnen Duitse soldaten aan de deur van het gezin Van Gils voor inkwartiering. Ze eisen toegang, maar de moeder van Betsie weigert de soldaten in huis te nemen.

 

De oorlog bereikt Den Hout

Later, op 2 november, bereikt het oorlogsgeweld hun straat. Haar opa wordt gedood door granaatvuur en haar vader weet ternauwernood te ontkomen aan een standrechtelijke executie door Duitse soldaten. Tijdens de geallieerde opmars wordt de boerderij van de familie van Gils geraakt door een granaat. De schade is groot en het gezin moet weg. Door de hulp van de oom van Betsie slaagt het gezin Van Gils erin naar de buren te vluchten, waar ze in de kelder schuilen.

 

Bevrijd

Na de bevrijding worden er Poolse en Engelse soldaten in Betsies huis ingekwartierd. Het leven wordt weer opgepakt. De kinderen gaan weer naar school, al is dat in eerste instantie in boerenstallen en Betsie breit kousen en jurken van parachutestof. Pas na de oorlog komt Betsie er achter dat het dienstmeisje - ‘Lien’ - een Joodse onderduikster was, en hoe gevaarlijk de hulp die haar ouders Lien geboden hadden voor het gezin was.  

 

Betsie Vissers-van Gils vertelt

Interview met Betsie Vissers-van Gils

Alle rechten voorbehouden

Wij hadden dus in huis ook meestal kinderen uit ‘Het Noorden’, noemden wij dat dan en wij hadden ook een, ja, zogenaamd ‘dienstmeisje’ in huis, maar ze deed nooit veel, maar dat viel mij niet op natuurlijk.

Wij zongen altijd Franse liedjes onder het wassen van: “Plaisir d’Amour!” witte ’t nie, want zij wou geen Duits zingen natuurlijk, want achteraf bleek zij dus een Joodse onderduikster te zijn die bij ons thuis zat.

En die kinderen, dat was een jongen uit Amsterdam. Theo Schippers heette hij, die kwam van een broederschool daar, kinderen uit Rotterdam, die waren allemaal bij ons thuis, en dat was allemaal omdat de oorlog was.

Maar op een gegeven moment kom ik uit school en iedereen stil en wij hadden Anna, ons werkster, die zong altijd, die zong toen niet. Ik zeg: “Wat is er?”, ja zegt ons moeder moeder, Lientje, die is ergens anders gaan wonen, die kan niet meer bij ons blijven wonen, die is ergens anders.

Maar ja, later bleek dus dat zij verraden was, hè, en dat wij dus, ja, in gevaar kwamen met heel het gezin.

Maar goed, toen even later moest al die andere kinderen ook naar huis en toen zaten er dus echt de oorlog een beetje aan te komen.

Ons vader die werkte als analist in Breda bij de HKI, was toen de Hollandse Kunstzijde Industrie. Ja, die had ook gezegd, het moet allemaal weg, want het wordt echt gevaarlijk.

Nou, ja, wij moesten uit de school uit, want de Duitsers die vorderden de school. En, we gingen toen naar school bij de boeren in de lege stallen, want ze hadden dan gezegd nou in het najaar, dan kunnen we niet meer terug in die school, dus dan wordt het nog erger. Dan kunnen we helemaal niet meer naar school. Want dan moeten die koeien terug in de stal.

Maar er kwamen steeds minder koeien, want die Duitsers die haalden hele kuddes met koeien uit de wei. Dat was voor de vlees voorraad van het leger. Dat weet ik nog goed, als we de kans kregen dan smokkelden we koeien achter het huis en dan hadden ze die weer niet natuurlijk.

En boerenjongens bij ons in de buurt, die hadden dan een keer zo tegen in opstand geweest, die waren gewoon vechten met die soldaten. Nou, we dachten, nou, die zijn, ja, die die gaan allemaal de oorlog in, hè? Maar die kwamen allemaal terug, want die soldaten begrepen heel goed dat als er geen boeren meer waren, dat er ook geen eten meer was, natuurlijk.

'S avonds werd er hartstikke veel gekaart, Hè, dan konden die mannen, die konden naar stiekem naar de radio luisteren, en dan ons vader, die gaf EHBO-les en onder dat mom werd er van alles uitgespookt en iedereen dacht dat ik het niet wist, maar ik hoorde het goed genoeg. En dan moest je vroeg naar bed en lag je daar al om zeven uur op bed als elfjarige. Want ja, dat kon niet anders natuurlijk.

En op een gegeven moment was het zeventien september en toen was het, ‘Sinter Cornelis’ noemden wij dat in Den hout, Sint Cornelius feest van de kerk en dan was het ook altijd kermis, was er ieder uur in dienst, maar op die zeventiende september kwam er niemand naar de kerk en was er geen kermis. Tenminste, ik weet niet het kermis was, want toen kwamen er heel de zondag duizenden en duizenden vliegtuigen over en die gingen allemaal naar die naar Arnhem, dan hebben we later weer gehoord. Zaten Duitsers bij ons in huis en die die vertrokken toen weer en zonder iets te zeggen eigenlijk, nou en dat geluid, als ik het nou vertel, dan hoor ik nog steeds dat geluid van al die vliegtuigen en als ik nou een vliegtuig laag over hoor gaan, dan hoor ik weer en dan denk ik weer: “Hé!”

Zo werd op een gegeven moment oktober en toen kwamen er weer nieuwe soldaten naar Den hout en ons moeder die had intussen het huis zo ingericht dat er dus geen soldaten meer kamers konden vorderen.

Op een gegeven moment, waar was dat, was de bibliotheek naar boven gegaan. Die was normaal bij ons beneden, altijd elke zondag uit de Kerk, bibliotheek. De kinderen sliepen beneden, moesten allemaal naar beneden en het ‘mèske’ ging boven slapen en de bibliotheekboeken boven en ze hadden het zo ingericht dat er geen Duitsers meer bij konden.

Dat ging ik toen weer een tijdje zo, en toen moesten die kinderen ja, iedere, ja iedere nacht eigenlijk mijn licht aan blijven slapen. We hoefden niet meer naar school en daar kwamen we ja, de mensen die kwamen weer kaarten 's avonds, want het werd weer donker en zo, en toen was er weer een nieuwe radiozender die ze dus met veel, ja met veel te veel herrie, zodat ik het In de slaapkamer kon horen, weer op moesten zoeken, die ze dus op het laatst ook weer gevonden hadden. En die radio die ging ik dan in drie delen weer tussen het plafond als ze klaar waren met luisteren.

Op negentwintig oktober, zitten ons nel en ik buiten op de op de stoep de spelen, en dan komen twee soldaten aan, een officier en een laarzenknecht. Met zijn Tweeën op een fiets, en die stapte dus brokken er nek bijna over ons benen dus stapte gewoon over ons heen en naar achteren en zo stapten ze naar binnen en de fietsen lagen allemaal onder de bedden. Want ja, wij wilden die fietsen niet kwijt natuurlijk. En stootte ze hun schenen aan, maar eigenlijk of “Kein Fahrad?”, witte 't nie? Dat wou hij, die officier dus, dat ons moeder mee naar boven ging, maar die was niet bang en die zei, dat doe ik niet. "Ik weet niet wat u bedoelt, ik kan u niet verstaan!” Kon ze wel hoor, maar, en ik heb geen, ik moet bij de bij de kleintjes blijven, want ja, dan zaten er nog drie kleine kinderen binnen ook.

 En dat herhaalde zich nog een keer nogal een keer totdat het de tweede november was en toen was het langs het Wilhelminakanaal waren ze al volop aan het vlechten. En mijn opa en oma, die woonde op de Vrachelsestraat en dat is, die liep parallel met de met het Wilhelminakanaal.

En wij hoorden daar al wel het schieten, en ons vader die werd dus geroepen, mijn vader was EHBO-er. Daags van tevoren had ons vader nog tegen de muur gestaan, want toen was hij wel thuis toen die twee officieren kwamen en hij had het rood-wit-blauw speldje van de EHBO op, nou, en ze hebben, ze pakken hem gelijk vast en ze zetten hem tegen een muur aan. Ze hadden al twee een stengun bij hun. Nou, dat vergeet ik ook nooit meer, hè? Daar stonden ze dan met z'n Tweeën en toen had ‘ie gelukkig z'n colbert aan, waar dus dat ding dus op zat en zijn papieren van het EHBO in zijn zak en die kon hij gelijk laten zien anders hadden ze hem in huis doodgeschoten.

En dat hadden we dus net meegemaakt en de andere dag was hij weer net weggeroepen toen ze weer kwamen, maar voordat ze toen kwamen, was hij teruggekomen met z'n moeder en zijn zussen en broer, want toen was opa al doodgeschoten. Die ging helpen bij een buurman van een granaat was gevallen en de tweede granaat die viel op de putrand bij die buurman en zo’n klein scherfje in zijn slaap en weg. Maar ja, dat dat nou zo dichtbij kwam dat was natuurlijk je eigen opa, dat was wel erg

Dus iedereen hartstikke bedroefd, en dan komen die twee soldaten weer aan, “Raus!”. Nou, zei ons vader, want ze hebben mijn vader pas, die is pas gesneuveld door het granaatvuur. Hij zei: “mijn vader is al zo lang dood, wat zou dat nou?” En ze pakten wat eten en ze vroegen toch niet meer om naar boven te gaan. Ze gingen weg en Dat was wel ook de laatste dag, want ze zijn niet meer terug geweest.

Maar dat zijn de dingen die ik dus het meeste onthouden heb. Van de oorlog was ik als kind niet bang genoeg, niet bang genoeg eigenlijk denk ik, maar wel die dingen die bij ons in huis afspeelde. Dat vond ik dus gewoon heel erg.

Toen zei ons moeder: alle meubels moeten naar de voorkamer en alle bedden moeten op de grond. Want als ze nou al op de Vrachelsestraat zijn, dan zijn ze straks hier. En wij op die kamer, op de grond, zijn wij gaan slapen en ik weet eigenlijk van die nacht niet zo gek veel, maar ik weet wel dat we halverwege de nacht, en ik, het was donker en ik was een kind en Ik weet niet hoe laat het was, maar moesten wij allemaal naar de kelder, mijn dekens en al en al die kinderen werden op de aardappels gelegd en ik denk dat wij gewoon heel de nacht geslapen hebben, ik weet het verder ook niet.

'S morgens was het dus zo, dat het schieten wel rondom het huis al was. En dan lagen we op die aardappels en dan konden wij precies zien dat er om de vijf minuten en om de twintig meter een granaat insloeg aan den overkant van de straat en dat was gewoon zonder trottoirs of zonder iets. En ja, wij vonden dat prachtig en dat was dat je dat zomaar kon zien vlakbij. Maar ja, ik denk bij m'n eigen: ik ga toch eens uit het raam bij dat raam weg, toen ben ik op de keldertrap gaan zitten, dan heb ik niet meer gekeken.

En op een gegeven moment slaat er een bij ons in het huis aan de zijkant, zijgevel eruit. We hadden nog zo een duur op opzij eruit. Alle stofs, je kon niks meer zien, je kon maar amper meer slikken.

Maar dat zakte weer en dan moeten zij nog wel blijven hier hoor. Toen kwam er een vrouw uit de buurt. Jan kom toch eens helpen tegen ons vader, want ze hebben ons moeder raak geschoten.

Ons moeder zei “en nou is 't afgelopen, je gaat niet” zei ze tegen die vrouw, Maar het was Marie Windy. Kom maar maar binnen, kom maar bij ons. Want hij gaat niet meer mee. Een dode in de familie is genoeg. Nou, dat deed ze niet.

Nou, ze hebben ze later in drie of vier delen teruggevonden, want zij woonde zeven minuten van ons vandaan en dat was langer als vijf minuten en je kon maar vijf minuten buiten zijn, als je dat wouw dan.

Toen viel er weer een bom op de voorkant van het Huis bij ons nou, toen is mijn oom de jongste broer van mijn vader, die dus dan ook bij ons was, die is bij twee huizen verder, is hij bij buren wist te vragen bij familie Rovers, of we daar in de kelder mochten. Die hadden nog een grotere kelder en een betere.

Die moest onderweg dat ‘ie liep, moest hij luisteren, rekenen. Hoe dat je het moest doen om al die mensen over te brengen. Die heeft ons twee voor twee overgebracht. Iedere keer kwamen er vliegtuigen boven. Als die vliegtuigen erboven vliegen, vlogen, dan kon je dus eventjes lopen. Dan werd er even niet geschoten, maar dat was altijd maar één minuut of vijf, zeven, en in die in die minuten moest dat nou, ik heb nooit van mijn leven meer zo hoog gesprongen en zo hard gelopen als toen, en ons moeder was de laatste en toen viel er nog een voltreffer vlak voor het keldergat en die ontplofte niet

Die Duitsers die waren, die waren eigenlijk voor twee kanten bang, want die moest eigenlijk vechten, dus die waren bang voor d'r eigen officieren dat ze gevonden werden, maar die waren ook bang voor de bevrijders.

Dus de, en de mannen moesten die koeien melken. Wij kregen lammetjes pap, pap van melk en bloem, want op dat moment hadden ze niks anders.

Nou, en die mannen die gingen dan de zaak in de gaten houden. De vrouwen en de kinderen bleven allemaal in de kelder.

Op een gegeven moment een hoop tranen bij ons Ad. Die had zo'n gebreid broekje gedaan, zelf gebreid en die had een draadje gevonden en die had gaan zitten winden en die had er hele broek uitgetrokken tot de boordjes toe, die zat in haar blote gat, “ik heb geen broek meer”, dus zij huilen van verdriet en wij huilen van het lachen natuurlijk.

Maar ons vader, die kon heel goed Duits spreken, die had in zijn studie had hij in uit Duitse boeken moeten leren, dus die kon daar goed mee over weg en die gingen eens polsen bij die militairen. En hij zegt zo: “ze spreken, geen vlot Duits en ze spreken ook geen vlot Engels”. Toen bleken het dus Polen te zijn.

Die Polen die die die die die hadden honger en dorst en die stonken, en die, maar wij hadden ook vuile kleren aan, want wij hadden er ook al meer dan 24 uur in gelegen natuurlijk.

Dan zei ons vader dus: “ik zal die zeven broden eens gaan halen die nog bij ons thuis liggen, kijken da ‘t veilig is”. Dus hij met een soldaat daar naartoe. Ja, ja dus geleerd natuurlijk. Die waren al lang op, de weck was op, het vlees dat in de weckflessen zat was op, de sigaren die hij bewaard had voor de bevrijding, z'n fles ‘ouwe klaar’, die had hij 4 jaar bewaard van: “Als we bevrijd zijn, dan kan ik met heel de buurt een borreltje drinken”.

We keken onze ogen uit naar de tanks, die grote machine hadden wij dus gewoon nog nooit gezien en ik weet nog wel dat onze buurman, die zei van: “Nou, maar als direct de oorlog afgelopen is, koop ik zo'n tank, die zullen er best te koop zijn, dan heb ik mijn land zo omgeploegd”.

Na de oorlog gingen we dus ‘opa’s’ begraven, al die Mensen werden begraven en pas veel later is er een dienst gehouden in het Patronaat toen, wat nou d'n Brink is in Den Hout, voor al die Mensen tegelijk.

Maar wat mij toen het meeste trof, dat was dat dus het witte laken wat hij ondergelegd was toen ze naar ons gekomen zijn, er nog afgehaald was, dat mensen dat nog meegenomen hadden? Dat treft, dat treft eigenlijk het ergste nog. Zulke dingen eigenlijk.

En, dus, maar na de, na de bevrijding werd bij ons alles dichtgetimmerd, dus het glas van de schilderijen die we allemaal in huis hadden, werd er allemaal uitgehaald. Dat werd tussen de planken gezet waar de ramen mee werden dichtgetimmerd en dan had je overdag nog een klein beetje licht en 's avonds kon je het makkelijk verduisteren witte 't nie, want opbouwen, dat was er voorlopig niet bij.

En toch kwamen er al zeven Polen bij ons weer in diezelfde kamers waar vroeger die Duitsers in zaten en die Polen die waren best wel ruw, daar hadden wij het echt niet op, want die gewoon in huis d'r geweer leeg.

En die Engelsen, dat waren heel aardige jongens en daar kon ik goed mee opschieten want ik heette Elisabeth en de koninklijke familie in Engeland, die had nog een paar Elizabethen, Hè.

Toen werd het mijn verjaardag, twee december, geen feest natuurlijk. Ja wel feest, ons moeder had een taart gebakken van cake met pudding en appelmoes erop, want meer was er niet natuurlijk.

Toen werd ze het Kerstmis en begonnen ze weer te schieten, maar toen stonden er bij ons vijf Engelse tanks en die zeven jongens die bij ons in huis waren, die moesten die tanks bedienen en toen kwam het kerstoffensief.

Die, die nacht, hebben we weer allemaal die bedden de beneden gehad en hebben we weer allemaal op de grond geslapen. Maar dan wonnen ze, dus een andere dag feest, maar dan hebben we toch altijd kerstfeest en dat was bij hun nou net of dat het bij ons Carnaval is, allemaal verkleed en zo en twee verschillende laarzen aan en ons vader heeft toen voor de eerste keer van zijn leven whisky gedronken. Want, die hadden whisky natuurlijk. Die kregen pakjes van thuis en daar zat whisky in. Hadden ze zo'n kroes en dan moest de vriendschap gedronken worden en dan ging die kroes met whisky, die ging er rond tussen die soldaten en de mannen die in huis waren, moest ons vader, moest ook meedoen. Nou ik heb die mens nog nooit zo zien proesten en kuchen, want die was die had dat nog nooit van m'n leven op.

Toen later, toen zagen we dat de kerk kapot, de school, de jongensschool was half weg en de meisjesschool was niet zoveel kapot, maar ook wel wat. Maar daar mochten de jongens absoluut niet naartoe, natuurlijk, hè, dus dat werd weer in nog een tijd in boerenstallen en ik maakte daar jurken uit parachutezijde toen, witte parachuteszijde.

Nou de kousen, die waren dus allemaal gestopt met allerlei kleuren van de regenboog, want je trok gewoon een oude kous uit en zo maakte je daar het gat mee wat in je beste kousen zat en op los hadden ze alle kleuren natuurlijk.

Lien ons joodse Logé, hè, ik wist toen nog niet dat ze onderduikster was, maar later heb ik dus gehoord. Die was uit de trein naar Auschwitz ontsnapt, eruit gesprongen of eruit gehaald. Dat weet ik niet. Ik denk dat ze dat zelf ook niet precies meer weet.

En die, die die is toen eerst in Rotterdam bij mensen gegaan, maar een oom van mij die veel betrekking met de Joodse gemeenschap had, die zelf uit Den Haag kwam, die kwam bij mijn tante op visite was, hij was en die zegt: Jij bent die en die, en jij woont daar in Amsterdam, en jij bent er een van die Joodse diamanten familie.

Dus toen zegt mijn tante die helemaal niet wist dat zij joods was, die zegt: “ja, maar dat kan niet, die moet hier weg. Nou dan maar naar Brabant

Dus mijn oom, die bracht haar naar Brabant. Toen was ze in Oosterhout. Maar ja, dat was ook niet veilig. En toen zei mijn moeder, Nou, daar komt ze maar bij ons, maar mijn moeder was, die was echt van niemand bang. Die, later, toen ze al bij ons was, heeft ze het pas tegen ons vader gezegd. En, er was dan een ondergrondse die ik dus niet ken en ik nog niet weet wie het is. Maar ik weet wel dat dat hij af en toe kwam om bonnen voor haar te brengen, want zij moest ook eten he. Die wist 't ook. En op een gegeven moment, toen was ze al een hele tijd bij ons hoor, al een winter over. Ik weet niet precies meer welke de winter over en toen is in het voorjaar, wat ik daar net vertelde, toen is ze verraden en toen is ze weg gemoeten.

Maar zij had vrienden bij de vleet en ze ging fietsen. Nou op een gegeven moment, ze had verkering met een jongen uit Den hout. Ze gingen dus fietsen. Op een gegeven moment zei hij in de bossen: “Nou, hier zijn we bij joods kerkhof, dat kunnen ze ook wel omploegen die joden zijn er toch niet meer”, en hij fietste er naast een. Het was echt wel link eigenlijk, hoor.

Maar ja, ze hebben het gedaan, ze hebben zo veel gedaan. Daarom was ik zo bang toen hij op een gegeven moment tegen de muur gezet werd als vader. Toen kwam dat allemaal in mij boven van: “God, Wat hebben ze allemaal niet gedaan, wat ze niet mochten? Zouden zullie dat weten?”

Ze ging gewoon tennissen en zo ze deed eigenlijk van alles. Ze was dus in de, ook gewoon ging ze mee naar de kerk zondags bij ons, want het was bij ons iedere zondag een of twee keer naar de kerk en zij ging altijd een keer mee. Ze hadden de pastoor ook zo omgepraat dat ze zelf de communie kon, Hè.

Maar dat heeft ze dus ook heel, heel erg gewaardeerd, ook zelf. Ze heeft zo gewaardeerd eigenlijk, dat wij dus vorig jaar, mijn man en ik, uitgenodigd zijn om naar Amerika te komen, waar ze nou woont. Ze is in Valkenburg met een Amerikaanse officier getrouwd omdat zij daar tolk was, daarom kwam zij daar dus in mee in kennis.

En ze zijn in de Sint Servaaskerk zijn ze getrouwd in Maastricht en daar, toen is zijn verwachting geraakt en toen moest ze naar Amerika, want dat kind, dat moest in Amerika geboren worden om een of andere praktische reden.

Het is gewoon zo dat wij met zijn allen in gevaar waren, is gewoon zo. Dat heeft echt niemand geweten op Den Hout, niemand. Het is ongelooflijk, want iedereen weet altijd alles van Iedereen. Dat hebben ze niet geweten.