Aan de grens
Sjef wordt tijdens zijn tocht richting de grens benaderd om de Engelsen op de hoogte te stellen van de Duitse posities. Sjef stemt in, maar had er niet op gerekend dat hij voorbij de Duitsers moest om bij de Engelsen te komen. Het is Sjef te gevaarlijk en hij besluit niet te gaan. Even later komen er twee Engelse patrouillewagens de grens over gereden. Sjef geeft op een kaart aan waar de Duitsers zich bevinden.
Valkenswaard bevrijd
Met de Engelsen gaat Sjef richting Valkenswaard. Hier zijn de dorpsbewoners de bevrijding al aan het vieren. Wanneer de Engelsen een Duitse tank spotten slaat de sfeer om. De brug over de Dommel in Valkenswaard is nog intact, wat betekent dat de strijd nog niet voorbij is. Onderweg naar Bergeijk wordt Sjef opgeschrikt door een granaat die vlakbij ontploft. Hij is genoodzaakt met zijn fiets een sloot in te duiken en baant zich door de sloot een weg terug richting Valkenswaard.
De broers herenigd
Sjef weet de granaten een het mitrailleurvuur te ontwijken en bereikt uiteindelijk Valkenswaard. Daar wordt hij gevraagd een groep burgers door het gevaarlijke gebied naar de zuivelfabriek te begeleiden. Pas in de avond keert hij terug naar huis. Uren van onzekerheid volgen, tot Sjef in de verte het geluid van een fiets hoort. Het is zijn broer Jan, beide zijn ze ongedeerd de bevrijding van hun dorp doorgekomen.
Sjef Theuws vertelt
Interview met Sjef Theuws
Ik ging naar huis toe omdat er geruchten waren dat mijn broer door de Duitsers was opgehaald en stantepede naar Duitsland op transport werd gesteld naar Brandenburg.
Daarom reed ik op maandagmorgen vanuit dalem in hapert, hè, van familie Walters, daar was ik dus ondergedoken, reed ik door de bossen naar Bergeijk toe.
Kwam om 12 uur zowat achter bij ons de boomgaard binnen zag geen mens, hè, de deur stond open, ging binnen.
Daar stonden de borden met soep op tafel, maar er was geen mens te zien.
Mijn moeder die stond voor aan de deur en die vertelde de Engelsen zijn in de buurt en onze Jan, die is er ook naartoe.
Ja, maar dan ga ik ook. “Moet je niet een stukje eten?” zei ons moeder.
Ik zei, nee, ik heb geen tijd pak munne fiets weer en ik rij naar de Brier.
Mee dat ik achter het huis uitkom, zie ik daar een buurjongen, dan nog een ander, en ik zeg tegen hun “gade nie mee naar de Brier toe?”.
Ja, en dus met zijn drieën tot ongeveer voorbij Sjang Martens en daar vloog de eerste granaat over ons heen, hè, zo gierend nie, en toen ik dus aan de Luikerweg aankwam, toen waren de twee anderen verdwenen, die zag ik niet meer.
Zo gauw toen die granaten kwamen, waren die in de sloot gekropen en ik reed in de richting van het douanekantoor, en daar bleef ik staan, en ik zag dus in de verte heel veel mensen door elkaar lopen en ik kon geen enkele Engelsman zien en ik denk, ik ga dadelijk wel even verder, maar ik moet hier eerst eens even de zaak verkennen en terwijl ik daar zat te wachten komt ineens die hele drom uit Bergeijk, Valkenswaard, Borkel, Westerhoven.
Die kwamen op de fiets en bekende riepen tegen mij: “Zie da ge weg bent, want dadelijk beginnen ze te schieten”.
Ik bleef staan tot de hele stroom voorbij was, maar ik had mijn broer niet gezien.
Op een gegeven moment sta ik daar helemaal alleen, geen mens meer te zien tot er op een gegeven moment van de overkant een man naar me toekomt, en aan de taal te horen, was het de Belg en die vraagt aan mij, “ken je Engels?”.
Ik zeg: “ja wel een beetje”.
En toen zei hij daarginds liggen de Engelse zegt ‘ie, zou u ze willen vertellen dat er in, dat de Liskes, dat ‘ie helemaal vol Duitsers zit.
Ik zei, “oh ja, dat wil ik wel effe doen”.
De afstand tussen de Engelse en de Liskes dus, die is niet zo heel erg groot.
Ik stap op de fiets, rijd richting de grens naar de Engelsen toe.
Ja, toen keek ik in de richting van de Liskes dus en alles kaal.
Ik denk, goh jee zeg, als ze me daar een keer zien naar de Engelse zien rijden en er wijst er maar eentje vanachter na, dan is het houdoe jongens, hè?
Dus ik kreeg eigenlijk een beetje schrik.
Ik vond het zo akelig en ik draaide om en ben teruggereden.
Maar ondertussen was de tijd verstreken en het was een minuut of tien over twee en toen kwamen er twee patrouillewagens van de Engelsen over de grens in onze richting en ze begonnen te seinen maar ik hoorde in het begin niets anders dan een code en wanneer dat op een gegeven moment dat ze contact hadden, dan vertelde hij in het Engels dus: “wij zitten achter de vijand aan” en nog een paar zinnetjes en dan werd het weer afgesloten.
Wij reden daar achteraan met de fiets en verder werd er weer gestopt en ik ben op die scoutingcar geklauterd, een grote stafkaart, en aangewezen waar dat de Duitsers allemaal zaten, want ik had van die Belg gehoord, daar zitten ze, en daar, en ik wist van een ander dat er in De Malpie zaten en dergelijke, en de tank stond er, dus ik ging dat allemaal aanwijzen.
Zij stapte weer in reden door en wij d'r weer achteraan, totdat we op een gegeven moment dus, die dat groepje Mensen tegenkwamen uit Borkel met pastoor Goyarts en daar werd wat gepraat, en wat, ja, maar niemand van die mensen die kende natuurlijk een woord, en konden ook niet verstaan totdat de pastoor op een gegeven moment in zijn beste Engels vroeg of dat hij een foto mocht maken, nou dat mocht wel.
Die Engelsen die wilden nog doorrijden, want de bedoeling was dat zij dus naar de brug over de Dommel, van in Valkenswaard hè, dat ze die, dat ze daar, die zouden bereiken.
En ik ben alleen met de Engelsen richting het Witte Paard, dus bij de Steenbergen, ben ik naartoe gereden natuurlijk.
Daar zijn we aangekomen, en nou, daar was het feest hoor.
De vlag uit, het Wilhelmus.
We kregen netjes een borrel, ook de Engelsen.
En ja, daar was het luidruchtig en veel volk, in een paar minuten tijd waren er zoveel mensen hè!
En daar werd gezongen. En ja, het was er een leven als een oordeel gewoon.
Ze gingen even naar de weg toe, namen de verrekijker mee en keken richting Valkenswaard, en op dat moment reed er juist een Duitse tank, reed de weg op richting Valkenswaard.
Dat betekende dat de brug dus nog intact was hè?
En dat hadden ze dus die Engelse ook gezien.
Daarna ben ik naar Bergeijk gereden en weer terug hier naar de Burgemeester Aartslaan natuurlijk, en ik was bijna aan de Aartslaan, nou en honderd meter voor me, daar plofte een granaat op de weg.
Niet, hoe dat ik het zo snel heb kunnen doen, dat weet ik niet, maar ik ben met fiets en al de sloot in gedoken.
Nou, daar lag ik, en toen merkte ik eigenlijk pas dat er voor mij ook nog iemand in die sloot lag en later bleek dat er achter mij ook nog eentje lag.
En toen het even stil was, toen ben ik uit de sloot gekropen om eens over de weg te kijken, zo met een hele lange nek zo, uitsteken, ze zien me wat.
Wij zijn waarschijnlijk met ons hoofd boven de berm uitgekomen en achter ons een mitrailleurvuur! Ik denk “ik moet hier weg zien te komen”, heel snel weg zien te komen, maar hoe?
Ik trek mijn fiets mee zo goed en zo kwaad als het kan maar kan, als ik maar in die sloot blijf. En zo ben ik op Valkenswaard aan gekropen.
Ja, ik heb de Engelsen weer gesproken en hun verteld, hè, wat er aan, wat ik dus zag, aan de grens meegemaakt had.
Zij gingen naar de scoutingcar en pakte zijn zendapparatuur.
En toen vertelde hij mij dat er ferm gevochten werd aan de grens dus en op het laatst, zegt hij, “en daar zijn twee burgers doodgeschoten”.
Maar wij gaan terug, zegt hij tegen mij, maar je moet even vertellen dat ze hier de vlag binnenhalen, de muziek afzetten en dat ze van de weg af blijven, hè, want het kan inderdaad gevaarlijk zijn.
En toen kwam er iemand bij me en ik hoorde dat ik dus naar Bergeijk toe moest.
En dan zegt hij, weet je de weg naar Bergeijk binnendoor?
Ik zeg ja, heel goed.
Hier staan wel vijftien mensen die naar Bergeijk toe moeten en die moeten in Bergeijk naar de zuivelfabriek.
En, ik ben naar die mensen toe gegaan en ik heb toen gezegd, willen jullie naar Bergeijk toe?
Ja, maar niet daar door!
Ik zeg, weet je wat, ik rijd met jullie mee.
Midden in de groep ben ik naar huis toe gereden, en toen ik thuiskwam, ja, het was ongeveer zes uur, maar mijn broer was niet thuis.
Ik blijf thuis, zolang totdat ons jan thuis is.
Dat duurde, zeven, acht uur, en even later, daar komt mijn broer dus achterom gereden zet zijn fiets tegen de muur, en zegt hij: “ik kon niet meer terug, ik was bij de Engelsen in de kolonie, hè, maar ik kon niet meer terug”.
Toen is hij met een paar andere mensen dus binnendoor, door de Elzen en Luyksgestel en dergelijke, is die op huis aangekomen, fietsende en stukken lopende.
Diezelfde avond ben ik nog naar Hapert toe gereden en heb daar zo lang gezeten totdat Bergeijk bevrijd was.
Ik kwam hier en ja, de straat ingereden en tegenover ons was café De Drie Koningen, En daar was het officiersmess, en die soldaten die lagen dus allemaal bij ons in de schuur en dergelijke.
Dat was een hele blijdschap dat ik dus heelhuids en goed, dat we alle twee weer thuis waren.