Anders dan andere Brabantse plaatsen zoals Tilburg staat Eindhoven niet bekend als een stad met een grote missiebeweging. Zo zijn er in Eindhoven geen missiecongregaties opgericht die werkzaam waren in de Nederlandse koloniën. Toch waren er wel verschillende ordes en congregaties die actief waren in Eindhoven en verschillende huizen en kloosters in de stad oprichtten. De religieuzen van de kloostercommuniteiten in Eindhoven hielden zich voornamelijk bezig met onderwijs, bejaardenzorg, ziekenzorg en andere sociale zorg voor de bewoners van Eindhoven.
De verschillende orders en congregaties waar deze kloostercommuniteiten bij hoorden, gingen zich vanaf eind negentiende eeuw ook toeleggen op missietaken. Er vestigden zich in Eindhoven vijf zustercongregaties en vijf mannelijke congregaties die actief waren in de missie in de koloniën. Dit waren congregaties die veelal gevestigd waren in andere Nederlandse of Belgische plaatsen en vanuit daar actief werden in Eindhoven en omstreken.
De eerste die zich in Eindhoven vestigden waren de Zusters van Liefde van Tilburg, die in 1843, niet lang na hun oprichting in 1832, door het Rooms-Katholieke armbestuur van Eindhoven naar de stad gehaald werden. Twee decennia later openden de zusters daarnaast nog een huis in Strijp en in Stratum. De zustercongregatie was vanaf 1894 betrokken bij de missie in Suriname. Ook de Zusters van Liefde van Schijndel, die in 1920 naar Curaçao gingen, hadden een link met Eindhoven. In 1880 vestigden zij zich voor het onderwijs en de ziekenzorg in Woensel, in 1884 in Gestel en in 1910 in Tongelre. In de eerste twee decennia van de twintigste eeuw vestigde zich nog drie zustercongregaties in Eindhoven: in 1909 de Zusters van de Sociëteit van Jezus, Maria, Josez (vanaf 1898 betrokken bij de missie in Nederlands-Indië) en de Zusters Franciscanessen van Denekamp (vanaf 1932 betrokken bij de missie in Nederlands-Indië) en in 1917 de Zusters Ursulinen (die als eerste vrouwelijke religieuzen al vanaf 1855 actief waren in de missie in Nederlands-Indië).
De eerste mannelijke religieuzen van een kloostergemeenschap die zich vestigden in Eindhoven waren de redemptoristen. In 1881 verkocht de fabrikant F. Keunen zijn buitengoed De Heihoef in Stratum aan enkele uit Frankijk gevluchte redemptoristen. In 1883 telde hun gemeenschap maar liefst 55 leden. De Nederlandse redemptoristen hadden vanaf 1866 een belangrijke rol in de missie in Suriname. Het lijk er niet op dat deze Franse redemptoristen daar een rol in hebben gespeeld. Hun verblijf in Stratum was van tijdelijke aard en in 1893 gingen zij door de verbeterde politieke situatie voor de katholieken terug naar Frankrijk. Ze werden opgevolgd door de Broeders van Liefde, die zich vanuit Gent in 1894 vestigden op het landgoed De Heihoef, dat zij omdoopten tot pensionaat Eikenburg.
Eindhoven ontwikkelde zich tot een belangrijke vestigingsplaats voor de Nederlandse tak van de Broeders van Liefde, die in 1934 een zelfstandige Nederlandse provincie werden en vanaf dat moment hun provinciaal bestuur en missieprocuur (administratief bureau voor de missie) vestigden op Eikenburg. Hiermee werd Eindhoven de belangrijkste vestiging in Nederland voor de Broeders van Liefde. Zij hebben zich tijdens het zogenoemde ‘grote missie uur’ toegelegd op de missie in onder andere Nederlands-Indië. In 1929 werden de eerste broeders naar de missie in Midden-Java (nu centraal-Java) gezonden. Toen de Broeders van Liefde in 1934 een zelfstandige Nederlandse provincie vormden, gingen de Nederlandse broeders ook in Tegal werken. In Nederlands-Indië hadden de broeders diverse scholen en internaten voor Javaanse en Chinese jongens opgericht, die onderwerp zouden kunnen zijn van verder onderzoek.
Andere mannelijke congregaties die banden hadden met Eindoven en omstreken waren onder andere de paters Augustijnen, een internationale orde die sinds 1891 in Eindhoven gevestigd was. De Augustijnen vestigden zich in het klooster Mariënhage, dat al voor de reformatie gesticht was maar gedurende de eeuwen daarna lange tijd een andere functie had. De Augustijnen hadden sinds 1930 een missie in Bolivia en waren vanaf 1953 werkzaam in Nederlands-Nieuw-Guinea.
Later vestigden zich nog twee congregaties in Eindhoven. In 1929 richtte de Missionarissen van het Heilige Hart een rectoraat en klooster op in de Eindhovense wijk Tivoli. Hun moederhuis was gevestigd in Tilburg. Toen deze orde zich in Eindhoven vestigde, had zij al een missie in Nieuw-Pommeren, destijds een Duitse kolonie ten noordoosten van Papoea-Nieuw-Guinea, waar ook Nederlandse missionarissen werkzaam waren. In 1902 kreeg de zij de verantwoordelijkheid over het apostolisch vicariaat Nederlands Nieuw Guinea en later ook over de apostolische prefectuur Celebes (Sulawesi) en Purwokerto. Tot slot vestigden in 1937 de paters Kapucijnen zich in Eindhoven, toen zij de zielzorg van de wijk Drents Dorp in Strijp op zich namen en daar hun klooster en rectoraatskerk vestigden. De Kapucijnen hadden missies in Noord-Sumatra (prefectuur Padang) en in het vicariaat Borneo (zie kaart).
Missiekaart die de verdeling in apostolische vicariaten en prefecturen weergeeft en de verantwoordelijke priesterlijke ordes. (Bron: J. Kleijntjens, Atlas der R.K. missie in Nederlandsch Oost- en West-Indië, 1928, uit De stad vertelt)
Hoewel dit laat zien dat Eindhoven banden had met verschillende congregaties die actief waren in de missie in koloniale context is het nog niet duidelijk in welke mate de Eindhovense huizen en religieuzen van deze kloostergemeenschappen een rol speelde in deze geschiedenis. Het zou namelijk goed kunnen dat veel van hen zich slechts bezighielden met het sociale werk (de armenzorg, het onderwijs en de ziekenzorg) in Eindhoven zelf. De Broeders van Liefde was de belangrijkste congregatie in Eindhoven waarvan we weten dat er een directe betrokkenheid was van Eindhovense religieuzen in de missie. Vanaf 1934 werden hun missieactiviteiten in Nederlands-Indië georganiseerd en aangestuurd vanuit Eikenburg. Voor andere congregaties is die link onduidelijker en moet gekeken worden naar individuele priesters, broeders en zusters die in Eindhoven geboren en / of opgegroeid zijn en werkzaam waren in de missie. Dit geldt ook voor de diocesane religieuzen die niet verbonden waren aan een kloostergemeenschap.
Het is een onmogelijk opgave om complete statistische gegevens over Eindhovense missionarissen te verzamelen. Een eerste verkennende (maar geenszins complete) inventarisatie laat zien dat er verschillende in Eindhoven en omstreken geboren religieuze mannen en vrouwen naar Suriname en Nederlands-Indië zijn gereisd. Ook naar de Caribische eilanden vertrokken in de negentiende en twintigste eeuw veel Nederlandse missionarissen. Verder onderzoek is nodig om te bepalen in hoeverre ook Eindhovense missionarissen hierbij betrokken waren.
Eindhovense missionarissen
Hieronder volgen enkele voorbeelden van in Eindhoven geboren missionarissen die in de Nederlandse koloniën werkzaam waren die naar voren zijn gekomen in het vooronderzoek. Wilhelmina Antonia Cornelia Tielemans en Maria Clara Alewijns, beiden ingetreden bij de Zusters van Tilburg, reisden in respectievelijk 1916 en 1925 naar Paramaribo om daar te werken in de ouderen-, zieken- en lepraverpleging. Mathias (Trudo) Brans, lid van de order van minderbroeder kapucijnen, vertrok in 1920 naar Nederlands-Indië en werd daar aangesteld als apostolisch vicaris van Padang. Als apostolisch vicaris had hij de leiding over het missiegebied Padang, dat binnen de katholieke hiërarchie een bisdom in wording was. Frans van Lith, geboren in Oirschot en opgegroeid in Eindhoven, trad in bij de Jezuïeten en arriveerde in 1896 in Java. Van Lith stichtte de eerste katholieke kweekschool voor Javanen in Muntilan, een stad die later ook wel het ‘Bethlehem van Java’ werd genoemd. Van Lith wordt onder veel Indonesische katholieken gezien en geëerd als de grondlegger van het katholicisme in Java.
Frans van Lith samen met zijn parochianen voor de kerk in Muntilan, omstreeks 1900. (Foto: Berichten uit Nederlandsch-Oost Indië 1903, uit De stad vertelt)
Hieronder volgen drie verder uitgewerkte portretten van Eindhovense missionarissen die werkzaam zijn geweest in de Nederlandse koloniën. Henricus van der Grinten en Adolphus Philippus Caspar van Moorsel, beiden geboren in Eindhoven en werkzaam in Nederlands-Indië, en de in Woensel geboren Johannes Baptista Swinkels die in Suriname werkzaam was.
Henricus van der Grinten: van Semarang tot Jakarta
Henricus van der Grinten (1811 – 1864) was de eerste Eindhovense missionaris die in de kolonie Nederlands-Indië, het huidige Indonesië, heeft gewerkt. Hij was opgeleid aan de Latijnse school in Eindhoven en later aan het groot seminarie in Haaren. In 1836 werd hij in Den Bosch priester gewijd en in de zomer van 1847 naar Nederlands-Indië uitgezonden. Veertig jaar voor zijn aankomst, in 1808, hadden katholieken in Nederlands-Indië vrijheid van godsdienst verkregen en werden Nederlandse katholieke missionarissen toegelaten tot de kolonie.
Van der Grinten werkte in een kolonie gekenmerkt door een complex geheel van vormen van slavernij en dwangarbeid. Zijn werkzaamheden en ervaringen zullen Van der Grinten in contact hebben gebracht met de realiteit en gevolgen van koloniale slavernij, geweld en uitbuitingssystemen.
Tussen 1847 en 1854 was hij werkzaam in Semarang, daarna werd hij pastoor te Batavia (het huidige Jakarta). In beide plaatsen was hij verantwoordelijk voor de pastorale zorg van katholieke Europese burgers en militairen in de garnizoenen, (militaire) gevangenissen en hospitalen. Onder zijn parochianen in Semarang en toenmalig Batavia waren er ook katholieke West-Afrikaanse soldaten en hun families. Deze Afrikaanse soldaten waren tot slaaf gemaakte mannen die tussen 1831 en 1841 geronseld werden vanuit de toenmalige Nederlandse koloniale handelspost Elmina om als militairen in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) te vechten in Nederlands-Indië. Tussen 1860 en 1872 werden er nog eens duizend Afrikanen ingelijfd in het KNIL. Enkele van deze West-Afrikaanse soldaten waren in Elmina al gedoopt, anderen werden na het volgen van catechismuslessen door priesters in Batavia of Semarang gedoopt. Hun doopregistraties worden nog altijd in de parochiekerken bewaard.
Zoals gebruikelijk voor missionarissen in die tijd, ondernam Van der Grinten ook zogenoemde dienstreizen om de troepeneenheden in de binnenlanden en buitengewesten, of om burgers buiten de stad, zielzorg te verlenen. In 1862 bezocht Van der Grinten op Borneo de troepen van het KNIL gedurende de Banjarmasinse oorlogen. Tijdens deze koloniale oorlogen werd de befaamde diamant van Banjarmasin buitgemaakt door het KNIL.
In Semarang en Batavia zette Van der Grinten zich in voor ‘Indische weeskinderen’. Hij was president van het bestuur van het Rooms Katholieke weeshuis Semarang (1851-1854), met toen 247 ‘weeskinderen’. In Batavia nam hij in 1854 het initiatief tot de oprichting van het Hulpfonds van den Heilige Vincentius a Paulo. Deze vereniging droeg zorg voor katholieke ‘weeskinderen’ door ze te plaatsen in een katholiek gezin of in een van de zogenoemde Vincentius-gestichten.Deze ‘weeskinderen’, waren vaak geen wees in de volle zin van het woord. Het waren hoofdzakelijk kinderen geboren uit relaties tussen Europese soldaten en Aziatische vrouwen, de zogeheten njai – slaafgemaakte vrouwen, concubines en echtgenotes – waarvan veelal de vader was overleden of ‘vertrokken’.
Het gebouw van het R.K. Weeshuis Semarang met kapel te Gedangan omstreeks 1900. (Foto: Leiden University Libraries)
Door het leger en het gouvernement werd het samenleven van Europese mannen met Aziatische vrouwen, ook met vrouwen in slavernij, in de negentiende eeuw toegestaan. Onderzoek heeft aangetoond dat de geschiedenis van dit kazerneconcubinaat verbonden is met vormen van slavernij in de Indonesische archipel. De wereldlijke en kerkelijke autoriteiten gingen zich in de loop van de negentiende eeuw steeds frequenter bemoeien met de kinderen uit dit kazerneconcubinaat. Wanneer hun Europese vader was overleden, of anderszins buiten beeld was, werden deze kinderen door de autoriteiten gezien als een maatschappelijk probleem. Een resolutie van de Gouverneur-Generaal uit 1831/1832 bepaalde dat deze kinderen moesten worden opgenomen in het protestantse dan wel katholieke weeshuis te Semarang.
Dat kinderen van gemengde afkomst in een Islamitische en oorspronkelijke omgeving opgroeiden, werd door de kolonisator als ‘heidens’ bestempeld en gezien als een probleem. In juridisch opzicht golden zij als Europese kinderen. Als ze buiten de Europese context opgroeiden, zouden ze het imago van ‘de Europeaan’ en de grondslag van het koloniale project aantasten. De oplossing werd gezien in het scheiden van de kinderen van hun Indonesische moeder en omgeving door ze in ‘Europese’ en Christelijke gezinnen of in wees- en kindertehuizen te plaatsen.
Uit de berichten rondom het overlijden van Van der Grinten blijkt dat hij in hoog aanzien stond bij de (Indo-)Europese gemeenschap. Na zijn dood werd er een levensgroot bronzen beeld op zijn graf geplaatst, dat in Jakarta nog altijd te zien is.
Pentekening van het standbeeld van Henricus van Grinten. (Bron: De Katholieke Illustratie, 1870, uit De stad vertelt)
Adolphus Philippus Caspar van Moorsel in Nederlands-Indië
Toen het nieuws van Van der Grintens overlijden in 1864 Eindhoven bereikte, bood stadsgenoot Adolphus Philippus Caspar van Moorsel (1825 –1894), destijds rector van de Latijnse school in Eindhoven, zich aan voor de missie. Hij verbleef tot 1886 in de kolonie Nederlands-Indië. In dat jaar werd Van Moorsel ziek en keerde hij terug naar Eindhoven.
Net als zijn stadsgenoot moet Van Moorsel getuige zijn geweest van het geweld dat gepaard ging met de koloniale expansiedrift. In 1873 werd hij tijdens de tweede aanval van de Aceh-oorlog door de Gouverneur-Generaal aangesteld als aalmoezenier bij de troepen onder leiding van opperbevelhebber Jan van Swieten. De aanval escaleerde tot een jarenlange oorlog met tienduizenden slachtoffers onder de bevolking. Voor zijn inzet tijdens de periode 1873-1874 werd Van Moorsel onderscheiden met de Aceh-medaille en het Expeditiekruis met gesp.
In 1878 werd Van Moorsel benoemd tot pastoor van de recent opgerichte missiestatie Cirebon, waar de katholieke suikerfabrikantenfamilie Gonsalves woonde. Het woonhuis van deze familie fungeerde als verblijfplaats voor missionarissen op dienstreizen in West-Java. Ook Van Moorsel neemt hier aanvankelijk zijn intrek. Louis Theodore Gonsalves (1828 – 1897) had tussen 1870 tot 1880, in de hoogtijdagen van het Cultuurstelsel, een fortuin vergaard met vijf fabrieken. Hiermee financierde hij de bouw van de kerk en pastorie op een door hem gekocht terrein tegenover het woonhuis gelegen in de nieuwe missiestatie. Voor deze financiële bijdragen en toewijding aan de missie wordt Gonsalves in 1875 benoemd tot commandeur in de Orde van de Heilige Gregorius en in 1886 door Paus Leo XIII verheven tot pauselijke graaf.
Johannes Baptista Swinkels in Suriname
Een van de eerste Eindhovense missionarissen die een rol speelde in de missie in Suriname was Johannes Baptista Swinkels (1810 – 1875). Swinkels werd geboren in Woensel en groeide op in Helmond. In 1834 werd hij tot priester gewijd en in 1845 trad hij toe tot de redemptoristen, een priestercongregatie. Zij waren nauw betrokken bij de katholieke missie in Suriname nadat Rome hen in 1865 de leiding over het missiegebied had opgedragen. Datzelfde jaar werd Swinkels tot bisschop gewijd en benoemd als apostolisch vicaris van de missie in Suriname. Begin 1866 vertrok hij met drie andere redemptoristen, waaronder zijn jongere broer Lambertus Justinus Swinkels, naar Paramaribo waar ze op 26 maart datzelfde jaar aankwamen. Lambertus Justinus Swinkels, die niet in Woensel maar in Helmond geboren was, waar het gezin zich in de jaren 1810 vestigde, overleed al snel na zijn aankomst in Suriname. Ook Johannes Baptista Swinkels heeft tijdens zijn verblijf in Suriname verschillende periodes te maken gehad met ziekte. Uiteindelijk stierf hij in 1875 in Paramaribo.
Portret van Johannes Baptista Swinkels. (Bron: Wikimedia Commons, 1916)
Swinkels had als apostolisch vicaris de leiding over de missie in Suriname in een periode van ingrijpende veranderingen. Op 1 juli 1863 was de slavernij bij wet afgeschaft in Suriname en de Nederlandse Caribische eilanden. In Suriname werden de vrijgemaakten voor een periode van tien jaar onder staatstoezicht gesteld. Dit betekende dat alle vrijgemaakte mannen en vrouwen van de plantages tussen de 15 en 60 jaar nog tien jaar verplicht werden door te blijven werken. Gedurende het staatstoezicht zag de koloniale overheid een belangrijke rol weggelegd voor het bekeringswerk van zendelingen en missionarissen. De koloniale overheid en de planters hoopten dat het religieuze onderwijs van de zendelingen en missionarissen de sociale orde onder de vanaf 1863 vrijverklaarde bevolking kon bevorderen.
Zending en missie vervulden in Suriname in de decennia voor 1863 een belangrijke rol in het rechtvaardigen van slavernij en het uitstellen van de afschaffing daarvan. Slaafgemaakte mensen, zo redeneerde de koloniale overheid, moesten door middel van religieus onderwijs worden voorbereid op emancipatie. Om deze reden werd vanaf de jaren 1830 het bekeringswerk van de protestante hernhutter zendelingen en katholieke missionarissen onder de slaafgemaakte bevolking door de koloniale overheid en de planters geaccepteerd en gestimuleerd.
Zowel de hernhutters als de katholieken hadden in deze periode ook zelf tot slaaf gemaakte mensen in hun bezit, wat blijkt uit zowel hun eigen documentatie als koloniale overheidsbronnen zoals de slavenregisters. In 1825 stelde het katholieke kerkbestuur een lijst op van 17 mensen die in eigendom waren van de kerk of van individuele katholieke geestelijken. Het totale slavenbezit van de katholieke kerk in Suriname is vooralsnog niet onderzocht. Voor de hernhutters is al wel meer onderzoek gedaan, waaruit blijkt dat zij over de gehele periode tussen 1830 en 1863 minstens 126 mensen in hun bezit hadden. De tot slaaf gemaakte mensen hadden verschillende beroepen en werkzaamheden, die varieerden van beheerder van de kerkgebouwen, huishoudster en roeier.
Met de komst van de redemptoristen onder leiding van Swinkels in 1866, en later ook andere congregaties, groeide de katholieke missie in Suriname sterk. Tot die tijd waren er al wel katholieke priesters aanwezig in Suriname, maar was er voortdurend sprake van een tekort aan missionarissen en financiële middelen. In de periode van slavernij waren het vooral de hernhutterzendelingen die in heel Suriname de plantages afreisden en daar in contact kwamen met tot slaaf gemaakte mannen, vrouwen en kinderen.
Toen Swinkels in 1866 in Suriname kwam was het katholieke missiewerk vooral beperkt tot de stad Paramaribo, de leprakolonie Batavia en het district Coronie waar in 1842 een katholieke missiepost was gesticht. Vanuit de missiepost in Coronie werden verschillende plantages bezocht. Daarnaast was er ook een aantal plantages in de overige districten die door enkele rondreizende missionarissen vanuit Paramaribo werden bezocht. Dit aantal was echter beperkt. Zo predikten er in 1863 slechts zes missionarissen op eenentwintig plantages.
Katoenplukkers in Suriname, circa 1925. (Bron: Wereldmuseum Amsterdam)
Onder leiding van Swinkels werd de katholieke missie in Suriname uitgebreid. Zo werd het aantal Nederlandse missionarissen dat werkzaam was in Suriname onder zijn bewind meer dan verdubbeld. Dit zorgde ervoor dat het kerkelijke en maatschappelijke werk, zoals scholing en de zorg voor ‘wezen’ (ook in Suriname ging het hier lang niet altijd om kinderen zonder ouders), onder de Afro-Surinaamse bevolking kon worden uitgebreid. Naast zijn kerkelijke bestuurlijke taken maakte Swinkels zelf ook regelmatig plantagereizen in de verschillende districten. Zo bezocht hij in de jaren 1867, 1869, 1871 en 1873 de missiepost in het district Coronie, waar vanuit verschillende plantages werden bediend. Daarnaast bezocht hij enkele plantages in het Commewijne-district en het Saramacca-district waar hij het heilige vormsel toediende onder de formeel ex-slaafgemaakte gemeenteleden die in deze periode nog verplicht waren tot plantagearbeid. In 1866 en 1869 reisde Swinkels naar plantage Esthersrust aan de Warappakreek, in 1871 naar plantage Joanna Catharina aan de Saramaccarivier, in 1872 naar plantage Sans-Souci aan de Orelanakreek en in 1873 naar plantage Goudmijn aan de Commewijne-rivier.
Koloniale cultuur in Eindhoven
Katholieke missieorganisaties en missionarissen hadden in Nederland een actieve rol in het creëren en reproduceren van koloniale mensbeelden. Met missiepropaganda, brochures, periodieken, tijdschriften, missiekalenders, lichtbeelden, films en tentoonstellingen werd een breed Nederlands publiek geïnformeerd en emotioneel betrokken bij de missie en situatie in de Nederlandse koloniën. Deze media en activiteiten speelden een belangrijke rol bij het verspreiden van ideeën over Europese superioriteit, vermeende raciale verschillen en de christelijke ‘beschavingsideologie’. Katholieken in Eindhoven en elders in het land leerden zo niet alleen over de situatie in de kolonie, maar ook over hun eigen vermeende bevoorrechte plaats in de wereldorde en de plichten die dit met zich meebracht. Vermeende Europese superioriteit werd op deze manier aan de plicht tot christelijke naastenliefde gekoppeld.
De opkomst van de Nederlandse missiebeweging ging hand in hand met de hernieuwde bloei van het katholieke gemeenschapsleven in Nederland. In de twintigste eeuw waren zodoende vele Eindhovense katholieken op de een of andere manier betrokken bij de missie. Bijvoorbeeld als lid van de algemene of parochiële missiecomités, als zelateur of zelatrice (collectanten), of als participant in een van de missienaaikringen. Daarnaast ondersteunde menig Eindhovenaar de missie door middel van gebed en financiële donaties, bijvoorbeeld voor een van de drie internationale pauselijke missiewerken of het meer lokale in 1923 opgerichte Eindhovense Missie-Studiefonds St. Joseph. Kinderen in Eindhoven deden ook actief mee; zo lieten zij met verjaardagen ‘hun’ missiebusje rondgaan en spaarden ze zilverpapier, doppen of postzegels. De opbrengsten van de missiebusjes en de giften van de Eindhovenaren werden vermeld in de Eindhovense katholieke periodiek Roomsch Leven, onder de rubriek “missieactie”. Eindhovenaren waren dus actief in de missieactie: het geheel aan activiteiten door katholieke organisaties en individuen in Nederland die waren bedoeld om de missie financieel en moreel te ondersteunen.
Missieweken
Missieweken en missietentoonstellingen in Eindhoven waren belangrijke middelen om het thuisfront aan te moedigen voor de missieactie en het verspreiden van koloniale representaties. De eerste missieweek in Eindhoven werd in augustus 1923 georganiseerd. De Tweede Eindhovense Missie Tentoonstelling (T.E.M.T.O) volgde in augustus 1933, die werd bijgewoond door de Eindhovense monseigneur Mathias Brands, apostolisch vicaris van Padang (Nederlands-Indië). Na de Tweede Wereldoorlog werd er in 1950 en 1960 opnieuw een missieweek georganiseerd.
Deze lokale evenementen waren immens populair: bijna de gehele Eindhovense katholieke gemeenschap deed eraan mee. Er werden allerlei activiteiten georganiseerd zoals processies en kindsheidoptochten, gebedsdiensten, vergaderingen en sportwedstrijden. Daarnaast kregen Eindhovenaren de gelegenheid, volgens het Eindhovense katholieke weekblad Roomsch Leven, om tijdens de missieweek “nader kennis te nemen van de uitbreiding van ons H. Geloof in verschillende delen der wereld, van toestanden welke men daar aantreft, van de moeilijkheden, waarmee onze Missionarissen onder die heidense en wilde volken te kampen hebben, van eigenaardige en bijgelovige gebruiken bij verschillende rassen en stammen. Gij zult gaan begrijpen wat gij vroeger misschien dikwijls gelezen hebt in missie-bladen en tijdschriften en waarvan ge u geen idee had kunnen vormen.” Eindhovenaren moesten weten en voelen voor wie en waarom ze precies in actie kwamen. Om een dieper begrip en emotionele betrokkenheid bij de missie te bevorderen, werden verschillende activiteiten georganiseerd. Lichtbeeld-lezingen in het Patronaatsgebouw, films in de Chicago-Bioscoop (Rechterstraat) en met het hoogtepunt van de missieweek, de missietentoonstelling.
Missietentoonstellingen in 1923 en 1933
In 1923 vond de missietentoonstelling plaats in het Liefdeshuis (Jan van Lieshoutstraat) en in 1933 in Apollo’s Lust. De drie internationale pauselijke missiewerken en verschillende ordes en congregaties hadden een eigen stand, waardoor bezoekers kennis maakten met tientallen landen en samenlevingen vanuit het perspectief van de missie. Zo konden Eindhovenaren in 1933 zowel het “afgodsbeeld” uit Bolivia in de stand van de paters Augustijnen zien, een “verzameling curiosa uit N.-Afrika, Congo en Uganda” van de witte paters aanschouwen, en een “schrikwekkend koppensnellersbeeld [met] de uitrusting van deze stam” bewonderen in de stand van de missionarissen van het Heilige Hart die werkzaam waren in Nederlands Zuid Nieuw Guinea, in het zuiden van West-Papua.
Deze etnografische voorwerpen waren bedoeld om indruk te wekken bij het publiek, met als doel duidelijk te maken dat diegene op wie de missie zich richtte en hun gebruiken als ‘heidens’, ‘onbeschaafd’, en inferieur moesten worden beschouwd. Het was vervolgens aan de standhouders, vaak oud-missionarissen, om het publiek te vertellen over hun ‘successen’ en ‘moeilijkheden’ in bekering en ‘beschaving’ van deze mensen. De redemptoristen, die samenwerkten met de zusters franciscanessen van Roosendaal, franciscanessen van Oudenbosch en zusters Liefde van Tilburg in Paramaribo, deelden daarbij ook hun ervaringen met betrekking tot hun inzet in scholen, ziekenhuizen, weeshuizen en educatieve programma’s voor Hindoestaanse en Javaanse kinderen en de verzorging van leprapatiënten. De jezuïeten benadrukten hun werkzaamheden voor de scholen voor Javanen in Muntilan en Mendut, opgericht door de Eindhovense jezuïet Frans van Lith.
Door missietentoonstellingen kwamen katholieke Eindhovenaren in contact met representaties van de bevolking onder wie de missionarissen werkten. Deze representaties waren gestoeld op het heersende beeld van vermeende Europese superioriteit, dat tevens de beschavingsmissie in de Europese koloniën en de bijdrage van missionarissen daaraan legitimeerde.
Conclusie
In de negentiende en twintigste eeuw waren diverse Eindhovense missionarissen actief in Nederlandse koloniale gebieden, waar ze in contact kwamen met (ex) tot slaaf gemaakte mensen, verschillende vormen van slavernij en dwangarbeid. Vanaf de negentiende eeuw vervulde de katholieke missiebeweging een fundamentele rol in het Nederlandse koloniale beleid dat gericht was de ‘koloniale onderdanen’ te ‘beschaven’ en te vormen naar een Europees-christelijke ideaal. De exacte rol en betrokkenheid van Eindhovense religieuzen bij deze geschiedenis moet verder worden onderzocht. Eindhoven had aantoonbare banden met verschillende missionerende congregaties, maar alleen bij de Broeders van Liefde werden deze missieactiviteiten georganiseerd en aangestuurd vanuit Eindhoven. Daarnaast waren er verschillende individuele Eindhovense religieuzen werkzaam in Nederlandse koloniën, zoals de uitgewerkte casussen laten zien.
Deze geschiedenis speelt zich voornamelijk af na de formele afschaffing van slavernij in de Nederlandse koloniën, en kent zijn hoogtepunt in de twintigste eeuw. Daarom is het voor katholieke missies van belang om niet alleen naar koloniale slavernij te kijken, maar ook naar kolonialisme en heersende machtsverhoudingen, en naar de samenhang tussen slavernij en andere vormen van gedwongen arbeid. Het vooronderzoek heeft zich met name gericht op de betrokkenheid van Eindhovense religieuzen bij missieactiviteiten in de Nederlandse koloniën in de negentiende eeuw. De missie was echter internationaal van opzet. De geschiedenis van Eindhovense missionarissen en betrokkenheid bij kolonialisme en koloniale slavernij laat zich dus niet beperken tot de grenzen van het Nederlandse koloniale rijk.
Niet alleen gingen Eindhovense missionarissen naar de koloniën, de koloniën kwamen ook via de missie ook naar Eindhoven. Via missieactie, missieweken en missietentoonstellingen werden mensen in Eindhoven betrokken bij de koloniale ‘beschavingsmissie’ in Nederlandse koloniale gebieden. De vraag op welke wijze de missieactie in Eindhoven een rol heeft gespeeld in de vorming van geracialiseerde en stereotype beeldvorming over tot slaaf gemaakte en gekoloniseerde mensen is belangrijk voor vervolgonderzoek. Over deze missieactie is er in Nederlandse collecties en archieven een veelheid aan tekstuele en visuele bronnen beschikbaar die relevant zijn voor vervolgonderzoek. Ook de verhalen van nazaten en Eindhovenaren nu zijn belangrijk om de doorwerkingen van deze beeldvorming te onderzoeken.
De collecties en archieven van de Nederlandse katholieke missie zijn verspreid over verschillende archief- en erfgoedinstellingen. Belangrijke hulpmiddelen voor onderzoek naar de Nederlandse zending en missie zijn het online ‘Repertorium van Nederlandse zendings- en missiearchieven’ van het Huygens Instituut en de publicatie ‘Archieven van de katholieke missie’ in de onderzoeksgids van Nederlands kolonialisme van archief tot geschiedschrijving. In Nederland is de grootste collectie missiearchieven ondergebracht bij het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven in Sint Agatha en het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen. Overige archieven zijn ondergebracht in andere (regionale) archiefinstellingen zoals het archief van het Nederlands provincialaat van de Augustijnen in het Utrechts Archief en het archief van de Nederlandse Jezuïeten provincie in het KADOC (Leuven, België). Enkele archieven zijn nog in eigenbeheer zoals het archief van het bisdom Den Bosch en het archief van de Broeders van Liefde in Eindhoven. Er ligt ook nog veel archiefmateriaal in landen waar de koloniale missies hebben plaatsgevonden, zoals in Indonesië, Suriname en de Caribische eilanden. Hier zijn bijna al deze particuliere archieven nog in eigen beheer.
Dit artikel is een bewerking van De stad vertelt. Vooronderzoek naar het Slavernijverleden van Eindhoven. Het volledige rapport is hier te vinden: https://www.onderzoekslavernijverledeneindhoven.nl/
Bronnen
Allen, R.M., Di ki manera? A Social History of Afro-Curaçaoans, 1863-1917, Amsterdam, 2007.
Aritonang, J.S. en Steenbrink, K.A., A History of Christianity in Indonesia, Leiden, 2008.
Baay, R., De njai: het concubinaat in Nederlands-Indië, Amsterdam, 2009.
Bossers, A., Beknopte geschiedenis der katholieke Missie in Suriname, Gulpen, 1884.
"Samarang", in: De locomotief: Samarangsch handels- en advertentie-blad (24-08-1866).
‘In memoriam’, in: De Peel- en Kempenbode (12-09-1894).
Derksen, M., Embodied Encounters: Colonial Governmentality and Missionary Practices in Java and South Dutch New Guinea, 1856-1942, Nijmegen, 2021.
Van den Eerenbeemt, W.A., Zestig jaar missieaktie Bisdom Den Bosch: 1917-1977, Den Bosch, 1977.
Van Gelder, L., Augustijnen honderd jaar in Eindhoven, 1891-1991, Eindhoven, 1991.
Van der Grinten, H., ‘Staat van de RK gemeente te Semarang 1851’, Katholiek Documentatie Centrum, Aartsbisdom Jakarta (552), inv. nr. 251, Stukken betreffende Semarang I, geraadpleegd op 23-03-2024.
Van der Grinten, H., Borneo. Een bezoek op dat eiland in het jaar 1862, Eindhoven, 1867.
Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen, Archief aartsbisdom Jakarta (552) inv. nr. 318 Stukken betreffende Weeshuis-Hulpfonds van de H. Vincentius à Paulo, inv. nr. 222, Stukken betreffende Batavia. II, geraadpleegd op 23-03-2024.
Koopmanschap, J., De Broeders van Liefde in de missie van Java: vanaf 1929, 1996.
Kortenhorst, A., ‘De statie Cheribon’, in: Berichten uit Nederlandsch-Oost-Indië; ten dienste der eerwaarde directeuren van den Sint Claverbond (1917), 108-122.
Lampe, A., Mission or Submission? Moravian and Catholic Missionaries in the Dutch Caribbean during the 19th Century, Göttingen, 2001.
Nationaal Archief, Den Haag (NL-HaNA), 2.10.01 Archief Ministerie van Koloniën, inv.nr 2824 Registers der handelingen en besluiten van de gouverneur-generaal Besluit 14-03-1832, nr. 16.
Van Oorschot, J.M.P., Eindhoven een samenleving in verandering. Deel 1 1810-1920, Eindhoven, 1982.
Schweitz, G., "Een paar bladzijden aan de nagedachtenis gewijd van den ZeerEerw. Heer Henricus van der Grinten, Apostolisch Missionaris in Nederlandsch Oost-Indië", in: Berichten uit Nederlandsch-Oost-Indië; ten dienste der eerwaarde directeuren van den Sint Claverbond IV (1899).