Auteur: F. Walch

Anton Roothaert

Geboortedatum: | Sterfdatum:

romanschrijver

Antonius Martinus Henricus Roothaert werd geboren op 9 juni 1896 in Tilburg als tweede zoon van Antonius Pipinius Clement Roothaert en Johanna Josepha de Leuw. Hij trouwde tweemaal. Uit het eerste huwelijk werd een dochter geboren, het tweede huwelijk bleef kinderloos. Op 29 maart 1967 overleed Anton Roothaert aan de gevolgen van een hersenbloeding.

Roothaerts geboortehuis stond in de Piusstraat op nummer 127, maar al in 1899 betrokken de Roothaerts een woning aan de Bosscheweg 117, tegenwoordig de Tivolistraat geheten. Achter het huis bevond zich een schuur waarin Antons vader, die zich had gespecialiseerd in het vervaardigen van biljarttafels, zijn beroep uitoefende. Het bedrijfje floreerde naar tevredenheid en mede daardoor konden de drie zonen Roothaert een vrij onbezorgde jeugd genieten. In 1904 verhuisde het gezin naar de Telefoonstraat 22. De biljartzaak zou er tot 1993 gevestigd blijven.

 

Schoolcarrière 

Anton kreeg een traditionele katholieke opvoeding. Hij was misdienaar, verbleef bij de nonnen op de bewaarschool en bij de fraters op de lagere school: "Ik volgde lessen in een clericaal nest op een lagere school waar de broeders meer dierentemmers dan onderwijzers waren. Het schoolgaan was een ontzettende plaag en een grote straf."

Als veertienjarige belandde hij op het katholieke gymnasium van dr. P.C. de Brouwer en opnieuw waren zijn leraren voornamelijk geestelijken: "We werden overvoerd met godsdienst. Wie de hostie met z'n tanden aanraakte deed een doodzonde, en ze zeiden dat in de biechtstoel de duivel op je schouder zat in de hoop je een onwaardige biecht te laten spreken. Je moet 't kunnen verdragen dat trauma van vrees..."

De verlossing diende zich aan in 1914. Roothaert greep de mobilisatie aan om het gymnasium vroegtijdig te verlaten. Hij ging in dienst en kreeg een opleiding tot reserveofficier. In het leger kwam hij in aanraking met geheel andere levensopvattingen die ertoe bijdroegen dat hij zich definitief van het geloof afkeerde. De dienstjaren stelden hem bovendien in de gelegenheid 'het volk' beter te leren kennen, het volk dat hem later als schrijver zou blijven fascineren.

Na de militaire dienst - waarin hij staatsexamen deed en alsnog in het bezit kwam van het gymnasiumdiploma - toog Roothaert naar Utrecht, studeerde er rechten en vestigde zich in 1922 als advocaat in Tilburg. Een jaar later, op 10 juli 1923, trouwde hij met Adriana Maria Antonia (Jeanne) Verhoeven, dochter van een meubelmaker uit Breda.

Al in 1927 verliet Jeanne haar man en haar driejarig dochtertje Frauke. Door haar toedoen raakte Roothaerts advocatenpraktijk in discrediet. De scheiding maakte tevens een einde aan zijn functie van leraar boekhouden en handelsrecht aan de Tilburgse Katholieke Leergangen. Een gescheiden docent was binnen de gelederen van dit instituut niet te handhaven.

 

Verhuizing naar Antwerpen 

Voor Roothaert was er nu in Tilburg geen carrière meer weggelegd, omdat hij, naar hijzelf zei "(...) van dat ogenblik af voor ieder fatsoenlijk burger een 'getekende' was met wie niemand verder iets wilde te maken hebben." Hij week in 1930 uit naar Antwerpen, waar hij op 21 januari 1931 hertrouwde met de Nederlandse Grietje Haselhoff-Lich, dochter van de directeur van de Korff-chocoladefabriek. Op de Van den Nestlei 22, aan de rand van de Antwerpse jodenbuurt, startte hij een bureau voor Nederlandse rechtszaken: "Het bracht me een borrel op, sigaretten en de huishuur." In de vele vrije tijd die hem restte, begon hij met het schrijven van boeken.

 

Eerste romans 

In 1933 verschenen vrijwel gelijktijdig Spionnage in het veldleger en Onbekende dader, twee detectiveromans die alom waardering oogstten. Aangemoedigd door dit succes volgden er nog twee boeken in hetzelfde genre: Chinese handwassing in 1934 en Onrust op Raubrakken in 1935. Roothaert voegde met deze vier verhalen een aantal nieuwe elementen toe aan het speurdersverhaal en mede daardoor mag hij tussen Ivans en Havank plaats nemen aan de wieg van de Nederlandse detectiveroman.

Met Camera loopt uit 1936 verliet Roothaert het misdadige pad. In deze roman gunt hij de lezer een kijkje achter de schermen van het Nederlandse filmwereldje. Het verhaal berust deels op eigen ervaringen, opgedaan tijdens de verfilming van Spionnage in het veldleger. Deze door Max Nosseck geregisseerde film rouleerde in 1935 onder de titel De big van het regiment in de Nederlandse bioscopen.

Na Camera loopt verscheen in september van datzelfde jaar Doctor Vlimmen, de roman over de belevenissen van een dierenarts en zijn echtscheidingsproblematiek. Roothaerts tochten, eind jaren twintig, met zijn vriend de dierenarts Huub Pulles in diens T-fordje door het Brabantse platteland en een authentieke echtscheidingszaak - niet de zijne - vormden de basis voor deze sleutelroman.

De felle aanklacht tegen de roomse gezagsdragers zette in die kringen het nodige kwaad bloed. Na een kalme start - in november 1937 verscheen pas de tweede druk - was de verkoop van Doctor Vlimmen niet meer te stuiten. Het boek zou zo'n 45 jaar niet meer uit de boekwinkels weg te denken zijn en behoort tot de best verkochte Nederlandstalige ooit. Van Doctor Vlimmen verschenen vertalingen in het Deens, Duits, Engels, Frans, Fins, Sloveens en Zuidafrikaans.

Met het in 1939 verschenen Die verkeerde weereldt verraste Roothaert vriend en vijand. In deze historische roman schildert hij het leven in het Brabantse Deurne vlak na de beëindiging van de Tachtigjarige Oorlog. "Welhaast een meesterwerk", oordeelde Dirk Coster over dit boek dat algemeen als zijn beste roman wordt beschouwd.

 

Oorlogstijd 

Als reservekapitein vocht Roothaert tijdens de beruchte vijf meidagen van 1940 in de omgeving van Rijswijk en Delft met zijn slecht bewapende jonge rekruten tegen de perfect uitgeruste vijand. In De vlam in de pan uit 1942, een geromantiseerd en ironisch verslag van de mobilisatietijd en de vijf oorlogsdagen, hekelt hij het vooroorlogse Nederlandse militaire beleid.

Hoewel de strekking van het verhaal noch pro-Duits noch anti-Nederlands is, prezen Duitsgezinde cririci het boek de Germaanse hemel in. Een speciale oorlogsuitgave van 15500 exemplaren werd verspreid onder al dan niet vrijwillig naar het Oostfront gestuurde of elders door de Duitsers te werk gestelde Nederlanders. Het is vermoedelijk deze extra oplage die de Centrale Ereraad na de oorlog ertoe bracht Roothaert te veroordelen tot een boete van 500 gulden en openbaarmaking van het vonnis.

De vlam in de pan bezorgde hem een slechte naam. In naoorlogse publikaties was Roothaert de 'foute' schrijver, een NSB'er, een antisemiet. Roothaert is echter nooit lid geweest van welke nationaal-socialistische partij dan ook. Hij woonde tijdens de bezetting in het Antwerpse Deurne en op zijn gedragingen viel niets aan te merken. De misvattingen omtrent zijn oorlogsverleden bleven Roothaert tot ver na zijn dood achtervolgen.

 

Na de oorlog 

In 1947 publiceerde de schrijver Villa Cascara, een parapsychologische roman. Twee jaar later volgde De wenteltrap, een verhaal over een aan lager wal geraakte student die zich in het net bevrijde Antwerpen poogt staande te houden. De wenteltrap werd in het Frans, Duits en Deens vertaald. In Oom Pius uit 1951 keert Roothaert terug naar zijn jeugd. Opnieuw moeten de katholieke autoriteiten het ontgelden: "Te enenmale onverenigbaar met de katholieke levensopvatting," oordeelde Idil, de katholieke Informatiedienst inzake Lectuur.

Samen met Jaap Romijn schreef hij in 1952 de speurdersroman in briefvorm Een avondje in Muscadin. Het jaar daarop verscheen het lang verwachte vervolg op Doctor Vlimmen: Vlimmen contra Vlimmen. Met Vlimmens tweede jeugd completeerde Roothaert in 1957 de trilogie. Inmiddels was de eerste Vlimmen al tweemaal verfilmd. De Duitse regisseur Boleslaw Barlog voltooide zijn Tierarzt Dr. Vlimmen eind 1944, maar tot een openbare vertoning is het nooit gekomen. Tijdens de Russische bezetting is de film vernietigd. Het script bleef echter bewaard. In 1956 ontfermde de Westduitse regisseur A.M. Rabenalt zich erover. Guido Pieters gebruikte 22 jaar later de Vlimmentrilogie voor een Nederlandse speelfilm.

Roothaerts minst bekende boek is Gevaarlijk speelgoed. Dit toneelstukje uit 1954 is vermoedelijk door geen enkel gezelschap op de planken gebracht.

Een hersentrombose velde Roothaert in 1960. De rechterhelft van zijn lichaam raakte geheel verlamd. Geduld en wilskracht bespoedigden zijn gedeeltelijk herstel en een jaar na zijn attaque liep hij weer, steunend op een stok.

Duivelsfortuin uit 1965 was Roothaerts laatste roman. Een volgend manuscript zou hij niet meer kunnen voltooien. Op 22 maart 1967 trof een tweede beroerte hem. Nog een week vocht hij tevergeefs tegen de dood. Op 29 maart sloot hij voorgoed de ogen. Anton Roothaert ligt begraven op het kerkhof Ruggeveld in Deurne-Antwerpen.

 

Bronnen

Bastianen, K., 'Mr. Roothaert heeft geen behoefte aan kerkelijk eerherstel', in: Dagblad De Stem (nr. 6, 1966). 

Rosseels, M., 'Anton Roothaert', in: Gesprekken met gelovigen en ongelovigen (1967), 51-58.

Suetens, J., 'Nederlandse schrijvers en het jeugdprobleem', in: De Jonge Werker (jrg. 9, nr. 3/4, z.j.), 640-641.

Walch, F., 'Mr. A. Roothaert: een verguisd en vergeten auteur', in: SIC (jrg.1, nr. 2, 1986), 21-27.

Wellinck, W., 'Mr. A. Roothaert, een schrijver van Nederland en Vlaanderen', in: De Post (jrg.8, nr. 40, 1956), 1544-1545. 

 

Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3, Amsterdam/Meppel, 1995.