Handspinnen

2019-002-01244.jpg

Horizontaal vleugelspinnewiel, 19e eeuw, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum, 2019)

Om stof te maken zijn draden nodig. Deze werden aanvankelijk handmatig gemaakt met behulp van spintollen en later spinnewielen. Het TextielMuseum heeft een collectie kunst, design en industrieel erfgoed. Het erfgoed omvat onder meer machines en gereedschappen op het gebied van de textieltechniek in Nederland.

Spintol en spinsteen

Voor het maken van draad werden al vroeg hulpmiddelen gebruikt. Het oudste middel is de spintol, die waarschijnlijk dateert uit de jonge steentijd. De spintol wordt nog steeds in sommige gebieden gebruikt. Dit hulpmiddel is ontstaan uit de stokjes die werden gebruikt om de vezels op te winden. Die bleken bij draaiing ook bruikbaar om het garen een twist te geven. Ter bevordering werd tenslotte onder of boven aan een taps toelopend stokje een gewichtje gehangen dat als vliegwiel fungeert bij het ronddraaien van de tol. Dit gewicht kan een schelp zijn maar had meestal een ronde, bolle vorm: het spinsteentje deed zijn intrede. Met behulp van het steentje werd het ineendraaien van de vezels vergemakkelijkt. Het TextielMuseum beschikt over verschillende exemplaren, deels uit vondsten in Nederland, van divers materiaal als steen, been en gebakken klei, sommige versierd. Ook modernere exemplaren met een ijzeren schijfje behoren tot de collectie.

Het hele productieproces hing verder af van de handvaardigheid van de spinner. Spinsteentjes die gemaakt zijn van steen en been of aardwerk zijn bewaard gebleven. De bijbehorende houten stokken vaak niet. Een volgende stap was het gebruik van een groot wiel waarmee door middel van een snaar een schijf in plaats van de spinsteen handmatig werd aangedreven. Het wiel zorgde voor het draaien van de spintol en het opwinden van het garen, wat voorheen met de hand moest gebeuren. De spinner heeft nog steeds beide handen nodig: een voor het draaien, de ander om de vezels te rekken. Wel werden soms de taken gescheiden. Voor het simpele werk, zoals het draaien van het wiel, werden kinderen gebezigd. Daardoor kon de vakkracht zich meer concentreren op het eigenlijke spinproces. Met het resultaat dat er langere garen konden worden gemaakt.

handspinnen.tif

Spinwerktuigen uit collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum, 2019)

Vleugelspinnewiel

Een belangrijke verbetering van het spinproces was het vleugelspinnewiel dat vanaf eind vijftiende eeuw verspreiding vindt in West-Europa. Aan de spil zit een vleugel – een U-vormige houten arm – met daarin een klos die op de spil kon draaien. Door de draaiing van de spil met vleugel krijgt het garen een twist en wordt tegelijk opgewikkeld doordat de klos binnen de vleugel met een andere snelheid draait. Dat kan doordat de diameters van vleugel en klos verschillen. Bij de modernere spinnewielen wordt hetzelfde bereikt door de vleugelspil af te remmen. Een belangrijke toevoeging was het treerad dat van eind zestiende eeuw dateert. Door de toevoeging van een of twee voetpedalen, waarmee het wiel werd voortgedreven, had de spinner nu beide handen vrij voor de rest van het spinproces.

Het spinnewiel is meestal geheel van hout. In Nederland werd vaak beukenhout gebruikt. Van het spinnewiel bestaan vele uitvoeringen. De luxere veelal versierde versies zijn vaker bewaard gebleven, omdat zij kostbaarder waren (gemaakt van gepolitoerd hout bijvoorbeeld) maar ook minder intensief gebruikt werden. De gewone spinnewielen, de zogeheten ‘werkpaarden’, werden vaak opgebruikt. Deze waren robuuster en in dit geval ook compacter, omdat ze waren aangepast aan de veelal beperkte arbeidsruimte. Het spinnen gebeurde namelijk vooral thuis. Bij deze versie zitten de spillen (het zijn er in deze bewaarde uitvoering twee, de spinner heeft immers beide handen vrij bij dit trapspinnewiel) boven het wiel. Dergelijke spinnewielen werden bijvoorbeeld gebruikt door schippersvrouwen aan boord om tijdens de lange vaartijden toch productief bezig te zijn. Daardoor kregen deze spinnewielen in de Lage Landen de bijnaam het ‘schippertje’.

Rond 1800 waren er duizenden spinnewielen in gebruik. De meeste werden gebruikt in de commerciële sector. Een deel diende voor de vervaardiging van garen voor eigen gebruik. Het handspinnen was tot ongeveer 1800 een belangrijk onderdeel van de stedelijke linnen- en lakennijverheid en was vrijwel alleen door vrouwen gedaan.

De wielen waren het werk van wieldraaiers die soms gespecialiseerd waren als spinnewielmakers, wat in een enkel stedelijk gilde een aparte beroepsgroep was. In de negentiende eeuw werd het handspinnen steeds meer een plattelandsgebeuren en zijn de overblijvende spinnewielmakers te vinden in traditioneel ingestelde dorpen als Hellendoorn, Staphorst en Neede. De laatst overgeblevenen wielen werkten rond 1940 nog voor de export. Tijdens de Duitse bezetting maakte het handspinnen een enorme opleving door en nieuwe wielen vonden gretig aftrek. Daarna zijn de spinnewielen vooral voor de sier.

 

Bronnen

De Vooys, I. P., Textielnijverheid, Gorinchem, 1925.

Handels, A. J., De Grondstoffen der Textielindustrie, Doetinchem, 1935. 

Van Hoytema, S. A., Garen en goed, Deventer, 1917.

Van Paassen, W. J. C. en Ruygrok, J. H., Textielwaren ten dienste van vakscholen en van hen, die zich voor het manufacturenbrevet voorbereiden (diverse drukken).