Object

Huizen en een wipmolen bij een sluisje

Instelling/bron: Museum Jan Cunen

Samuel Verveer was rond de jaren dertig van de negentiende eeuw een van de centrale figuren binnen het Haagse kunstleven. Temidden van bevriende kunstenaars als Johannes Bosboom, Wijnand Nuyen en Charles Rochussen stond hij te boek als gangmaker. Hij was net als Bosboom leerling van de schilder B.J. van Hove en leidde op zijn beurt Jan Weissenbruch op.

Verveer schilderde graag stadsgezichten en havens. Ook bezocht hij vissersdorpen nabij de kust, die hij weergaf in zijn schilderijen. Het vissersleven werd vaak afgebeeld door de schilders van de Haagse School, waarbij Jozef Israëls dikwijls als 'ontdekker' van dit thema wordt gezien. Deze vernieuwing in onderwerpskeuze werd echter al op gang gebracht door een eerdere generatie kunstenaars, onder wie Samuel Verveer en Andreas Schelfhout. Het werk van Verveer kenmerkt zich door de verhalende voorstellingen en levendige figuren.

De locatie van het tafereel is niet met zekerheid vast te stellen en vermoedelijk ook niet volledig gebaseerd op de werkelijkheid. Verveer en zijn tijdgenoten stelden gewoonlijk bedachte composities samen in het atelier aan de hand van voorstudies. Deze schetsen werden vaak hergebruikt en in nieuwe composities opgenomen. De molen heeft Verveer vaker afgebeeld, gezien vanuit dezelfde hoek, maar gecombineerd met andere beeldelementen. Hoewel Verveer ook naar Frankrijk en Duitsland reisde, was het Hollandse landschap zijn favoriete onderwerp. Hij was niet alleen in Nederland, maar ook in België zeer geliefd. In Brussel, Antwerpen en Gent nam hij geregeld deel aan tentoonstellingen. In de Kunstkronijk werd na Verveers dood een artikel aan hem gewijd, waarin herinneringen werden opgehaald. Blijkens de tekst was Verveer, ‘hij die geest en gezelligheid verpersoonlijkte’, in binnen- en buitenland geliefd: ‘De tallooze portretten echter, die overal […] zichtbaar waren, zouden een opmerker allicht tot het besef gebracht hebben, dat de bewoner dezer schilderkamer ontzaglijk veel vrienden had […]; bijna iedereen kende en mocht Sam Verveer.’ Dit werd gevolgd door een anekdote: ‘En terwijl hij voortschilderde, verraste Verveer u nu en dan met een of ander geestig woord, of wel zijn geleerde Lorre, in de koperen kooi daarachter, deed u van lachen schudden over de dwaasheden, die hem zóo dikwerf waren voorgezegd, tot het schrandere dier ze onthield en verwonderlijk juist het oogenblik wist te kiezen om ze te doen hooren.’