Object

Zonder titel

Instelling/bron: Museum Jan Cunen

In het begin van zijn carrière, nadat hij in 1969 zijn opleiding aan de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg had afgerond, maakte Loerakker figuratief werk, voornamelijk landschapsschilderijen, waar hij lijnen of banen overheen schilderde. Begin jaren negentig, de tijd waarin ook dit drieluik ontstond, transporteerde hij deze overschilderingen als het ware naar een zelfstandig paneel. Dit werk wordt gevormd door drie uitsluitend abstracte voorstellingen van minimalistische, monochrome kleurvlakken. Iets later begon Loerakker de abstracte kleurvlakken te combineren met expressieve landschapstaferelen. Dan ontstaan de kenmerkende tweeluiken, waarom Loerakker het meest bekend is. De invloeden van het Minimalisme, de stroming die dominant was toen Loerakker zijn kunstpraktijk begon, en die van de expressieve schilderkunst, die in de jaren tachtig opkwam, komen in deze werken samen. De tweeluiken bestaan uit panelen van identieke grootte: één abstract doek van geometrische, monochrome kleurvlakken en één los en pasteus geschilderd expressionistisch landschappelijk tafereel – bloemen, bladeren, planten. De helften vullen elkaar soms aan en soms contrasteren ze juist met elkaar, maar altijd vormen zij duidelijk één geheel. Aan het einde van de jaren negentig begon Loerakker ook fotografie te gebruiken. De foto's vormen dan het figuratieve deel van de tweeluiken waarvan de andere helft geschilderd is.
Inspiratie voor zijn werk doet Loerakker vrijwel uitsluitend op in de natuur, vaak op reizen in het buitenland. Een belangrijk kenmerk van het werk is dat het over de schilderkunst zelf gaat, over vorm, compositie en kleur. Opvallend zijn de rijke verscheidenheid in oppervlaktestructuur en de kleurintensiteit, die ontstaan door het overvloedig opbrengen en uitwrijven van verf, laag na laag.