Mode aan het Bourgondische hof

Maria van Bourgondië (1457-1482)

Portret van Maria van Bourgondië (1450-1499) omstreeks 1490, vermoedelijk gemaakt door Michael Pacher). (Bron: privécollectie)

Door de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) verliest Frankrijk zijn positie als cultureel voorbeeld en maatstaf voor Europese mode. Het welvarende hertogdom van Bourgondië neemt deze positie over van 1420 tot 1480.

Bourgondië kent een winstgevende textielindustrie en in de steden floreren de ambachten. Er ontstaat een goed handelsklimaat dat veel belastinggeld oplevert. Met dit geld geeft het hof de grootse feesten en wordt de meest schitterende kleding gekocht. De kledingstijl van welvarende Bourgondiërs wordt steeds individualistischer en haalt inspiratie uit onder andere Italië en het Midden-Oosten.

 

Ideaalbeeld 

In het vijftiende-eeuwse Bourgondië blijven de trends uit de late veertiende eeuw grotendeels behouden, maar ze worden uitbundiger en overdrevenHet silhouet van deze tijd is gotisch en spits. Denk hierbij aan puntige tootschoenen van zestig cm, dames met enorm lange slepen en ongekend hoge hoofdbedekking. Het lichaam wordt zichtbaarder gemaakt en gemodelleerd; lichaamsproporties worden overdreven om te kunnen voldoen aan de schoonheidsidealen. Zo wordt vrouwelijkheid geaccentueerd met een gerimpelde rok en/of vulling die een soort ‘zwangerschapsbuik suggereert. Een duidelijk voorbeeld van dit ideaal is de vrouw in het Het Arnolfini portret (1434) van Jan van Eyck (circa 1390-1441). Waar de geportretteerde vrouw haar boezem nog bedektgaat deze zwangerschapsbuik later samen met een steeds dieper wordend decolleté. Naast diepe decolletés prefereert men brede heupen, smalle schouders en kleine, hoog gesitueerde borsten. Dit ideaalbeeld wordt bereikt met het insnoeren van het bovenlichaam. Het mannelijke silhouet wordt benadrukt met krappe bovenkleding die de heupen nauwelijks bedekt. De schouders worden juist verbreed met vullingen in de pofmouwen van het wambuis. 

Het Arnolfini portret van Jan van Eyck

Het Arnolfini portret (1434), geschilderd door Jan van Eyck (circa 1390-1441). (Bron: Wikimedia Commons)

Ook is er een prominent ideaalbeeld met betrekking tot huid en haar. Vrouwen hebben bij voorkeur een lelieblanke huid en blond haar. Huwbare meisjes dragen hun haar onbedekt, hetzij loshangend of in lange vlechten die als een krans om het hoofd worden gelegd. Dankzij de hoofdbedekking van de gehuwde vrouw is het haar onzichtbaar. Op portretten uit deze tijd is te zien dat de haaraanzet is weggeschoren tot boven het voorhoofd, ook de wenkbrauwen en wimpers zijn nauwelijks zichtbaarVolgens auteur en modevormgever Karin Schacknat wordt deze haartrend mogelijk als vrouwelijk gezien. Zij beweert dat haar namelijk geassocieerd wordt met mannelijkheid, dierlijkheid, instinct en seksualiteit.  

Aan het einde van de veertiende eeuw is het haar van de mannen in de nek opgeschoren en is het gezicht gladgeschoren. Na 1450 wordt het haar langer dan dat het in eeuwen geweest is. Rond 1475 pronken modebewuste jongemannen met een haardos tot aan de schouders. 

 

Robes en accessoires 

Zowel mannen als vrouwen dragen een wit onderhemd onder hun kleding. Waar het onderkleed altijd onder de kleding bleef wordt het nu zichtbaar en trekt het zelfs de aandacht. Het onderhemd piept door splitten in de achterkant van mouwen en uitsneden in de hals. Omdat de hals van het onderhemd zichtbaar is, wordt het geplooid en geborduurd.  

Over het onderhemd dragen vrouwen een robe met strakke mouwen en een diepe V-hals met hierin een driehoekig vlak van een stof met een contrasterende kleur. In de vroege vijftiende eeuw zit de taille onnatuurlijk hoog, langzaam daalt de taille naar een natuurlijkere hoogte. De bovenkleding bestaat uit twee aparte stukken: het lijfje en de rok. De randen, het decolleté en de sleep zijn afgewerkt met bontVanwege de kostbaarheid van het materiaal wordt het bont uit oude kledingstukken hergebruikt. Het steeds dieper wordende decolleté wordt behangen met kettingen en parelsnoeren. Kettingen van goud en email met rond geslepen (half)edelstenen zijn populair.  

De bovenkleding van Bourgondische mannen bestaat grofweg uit twee delen: een broek met een strakke pasvorm en een houppelande-achtige tuniek. De Bourgondische versie van de houppelande is echter veel smaller en compacter. Dit kledingstuk wordt gedragen met een gordel en is kraagloos zodat het wambuis dat eronder wordt gedragen zichtbaar is. Het wambuis is ook zichtbaar wanneer de bovenkleding hangmouwen met spleten heeft. Ook bij de mannen worden randen van de bovenkleding afgewerkt met bontBont wordt gedragen voor zowel uiterlijk vertoon als voor de warmte van het materiaal. Om de outfit af te maken dragen mannen een dolk. Dit zeer gewilde accessoire draagt men aan een gordel met opvallende gespen. 

Mannen in houppelandes

Een veertiende-eeuwse schildering met mannen in houppelandes van verschillende lengtes. (Bron: Wikimedia Commons)

 

Hoofdbedekking 

Welgestelde Bourgondische vrouwen dragen als hoofdbedekking een atour, ook wel hennin genoemd. Dit is een kegelvormige hoed met platte bovenkant of een punthoedDe atour lijkt op de turtureen puntig hoofddeksel dat gedagen wordt door vrouwen in gebieden van het Midden-OostenMogelijk is dit hoofddeksel door de kruisvaarders in Europa geïntroduceerd. De hoogte van de atour is afhankelijk van de status van de draagster, sommige vrouwen droegen een atour van een meter hoog. De constructie van de hoed is gemaakt van metaal, karton of gesteven linnen. Deze constructie is bekleed met dure stof en een sluier. Vanaf 1470 zit er een zwarte band van fluweel om de gezichtsopening, dit is goed te zien bij het portret van Maria van Bourgondië (1457-1482). Op haar voorhoofd is ook een zwarte lus te zien, het is niet bekend waar deze lus voor diende. Vanwege de dominante positie van de lus is het waarschijnlijk een esthetische keuze geweest maar een praktische functie is niet uitgesloten. Een andere mogelijkheid is dat de lus geen onderdeel is van het hoofddeksel maar van het kapsel 

Middeleeuwse mannen droegen een kaproen. Deze stoffen hoofdbedekking lijkt op een kap en bedekt het hoofd en de nek van de dragerWaar in de vroege middeleeuwen vooral arme mannen een kaproen dragen, wordt dit hoofddeksel vanaf de veertiende eeuw populair bij de elite. Hun kaproenen zijn echter gemaakt van luxe stoffen. Vanaf de vijftiende eeuw worden kaproenen als een tulband om het hoofd gedrapeerd, zoals te zien is op het schilderij Portret van een man met een rode tulband door schilder Jan van Eyck. Deze tulband-achtige dracht lijkt geïnspireerd te zijn door het Midden-Oosten. In de late middeleeuwen beginnen ook vrouwen een kaproen te dragen. 

Vermoedelijk zelfportret door Jan van Eyck

'Portret van een man met een rode tulband' (zelfportret?) (1433), geschilderd door Jan van Eyck (circa 1390-1441). (Bron: Wikimedia Commons)

 

Stoffen en kleuren 

In de middeleeuwen geldt karmijnrood als de meest feestelijke en prestigieuze kleur, maar dankzij Filips de Goede (1396-1467) wordt zwart het nieuwe rood aan het Bourgondische hofZwart wordt gezien als de ideale achtergrond voor juwelen en goudborduursels. Waarschijnlijk is deze Bourgondische trend overgewaaid uit Italië. In een poging om de verspilzucht van Italiaanse patriciërs tegen te gaan besluiten bestuurders van grote steden dat de patriciërs alleen in het zwart gekleed mogen gaanDit zorgt ervoor dat dat Italiaanse wevers zich specialiseren in zwarte stoffen die ook naar Bourgondië geïmporteerd worden. Daarnaast is Italiaans zijde en zijdefluweel met rijke dessins en gouddraad zeer gewild.

Toch is er ruimte voor kleur, brokaatstoffen worden niet alleen in het zwart geproduceerd maar ook in de kleuren blauw en rood. Bovendien wordeer in Bourgondië zelf fluwelen en zijde stoffen gemaakt van hoge kwaliteit met zilveren en gouden borduursels. Het populairste dessin van de vijftiende eeuw is de granaatappel, een vruchtbaarheidssymbool. Ook buiten Europa is de granaatappel een geliefd textieldessinhet wordt toegepast in het Midden-Oosten en het Oude Egypte. 

Filips de Goede (1396-1464)

Portret van Filips de Goede (15-eeuw), gebaseerd op een verloren schilderij van Rogier van der Weyden (1399 of 1400 - 1464). (Bron: Wikimedia Commons)

 

Uit de mode 

Door de successieoorlogen en het uiteenvallen van het Hertogdom Bourgondië verliest het diens status als cultureel voorbeeld voor Europa. In Italië is de Renaissance volop in gang en in 1450 komt de Renaissance ook naar het noorden van Europa. Later voltrekt zich in Noord-Europa de Reformatie en de Contrareformatie. Tijdens de Renaissance floreert het humanisme waardoor het individu meer centraal komt te staan, ook in de mode. Zowel in Italië als in Noord-Europa kleden de adel en rijke burgerij zich gevarieerd en individualistisch. Voor vrouwen blijft een bleke huid met blond haar en een hoog voorhoofd in de mode maar mannen mogen eindelijk hun baard laten staan. Waar de adel en de rijke burgerij zich weinig aantrekt van de reformatoren, kleed de burgerij zich eenvoudig. De hoge atours raken uit de mode, in tegenstelling tot de kleur zwart.

 

Bronnen

Boucier, F., 20.000 Years of fashion: The history of Costume and Personal Adornment, 1959, p. 202-203. 

Schacknat, K., In en uit de mode: 2000 jaar modevormgeving, 2014, p. 99-104. 

https://www.britannica.com/topic/dress-clothing/Medieval-Europe (stand op 14 juli 2020). 

http://i.4pcdn.org/tg/1402638948683.pdf (stand op 13 juli 2020).  

https://www.nemokennislink.nl/publicaties/schoonheidsidealen-in-de-geschiedenis/ (stand op 13 juli 2020). 

http://web.archive.org/web/20080212104338/http://www.instituutvlaamsevolkskunst.be/stpublic.php (stand op 13 juli 2020).