De varkensblaas, van slachtmaand tot vastenavond

rommelpotspelende_jongen_Anna_van_NH_Rijks_bew5-def

Het hiernaast afgebeelde vriendelijke vastenavondzangertje dat zichzelf begeleidt op een rommelpot, is een met potlood en krijt op perkament getekende prent uit 1637, vervaardigd door een zekere Anna van N.H. De rommel- of foekepot werd gemaakt met behulp van een varkensblaas, en daardoor was het bezit van een varkensblaas meestal afhankelijk van de varkensslacht in de ‘Slachtmaand’, november

Bij dit beeld hoort de volgende tekst van een in Brabant populair vastenavondliedje, dat de jeugd tot in de tweede helft van de twintigste eeuw nog heeft gezongen als ze op vastenavond van deur tot deur trok en met dit bedelliedje om een cent vroeg, en als dat te veel was gevraagd: om een appel of een peer. Het liedje ging als volgt:

Vrouwke ’t is vastenavond

ik kom niet thuis voor ‘s avonds

’s avonds in de manenschijn

als vader en moeder naar bed toe zijn.

Hier unne stoel en daar unne stoel

Op elke stoel een kussen

Vrouwke houdt oe kinnebak toe

of ik gooi er inne tussen

oe neus en tussen oe kin

daar kan nog wel unne pannekoek in.

Boven in de schouwen

daar hangen de worsten aan touwen.

Boven in de schoorsteen

daar hangen de worsten met lange been.

Snij mar diep, snij mar diep,

mar ene vinger diep.

Ik heb gezongen en niks gehad

gif me ’n stuk van ’t vèrreke z’n gat.

Rommelerij, rommelerij,

gif me unne cent dan ga’k voorbij,

gif me unnen appel of ’n peer

dan kom ik ’t hele jaar nie meer.

 

slacht_Jan_Victors_Rijks_detail

 

De afbeelding hierboven is een detail uit een schilderij van Jan Victors  uit 1678. Dergelijke genrestukken zijn vaak een soort collage van samenhangende elementen. Hier zien we links de huisvrouw die de slachter (met een bijl in de hand) een glas bier schenkt als extra beloning voor zijn werk. Op de voorgrond zien we één helft van het ‘afgekapte’ varken. Het is al van de ladder gehaald die in de achtergrond staat. Rechts heeft Victors twee kinderen afgebeeld, waarvan de jongen de varkensblaas opblaast. Bernard van Dam schrijft daarover in Oud-Brabants Dorpsleven: ‘[De blaas werd] door middel van een pijpensteel strak opgeblazen en daarna in de schouw gehangen en gedroogd om met Vastenavond dienst te kunnen doen op de rommelpotten.’

 

Het gat kussen

De varkensblaas was slachtafval dat vooral door de bij de slacht aanwezige jeugd werd begeerd. In Herinneringen aan de varkensslacht (www.CuBra) schrijft Harrie de Rooij: ‘Het was vast gebruik om de jongste kinderen uit te dagen wie als eerste het gat van het geslachte varken durfde te kussen en dan als beloning de eigenaar van de blaas te worden. De grootste durfal klom dan aan de achterkant van de ladder omhoog om bij het bewuste onderdeel te komen en dit dan te kussen.’ Mieke Hendriks-van Oorschot herinnert zich de slacht van het varken van haar opa, ‘rond de bevrijding van Vught’. Bij opa woonde ook een neef in: ‘Die was er rap bij, en kuste vlug de kont van het varken, en kreeg de blaas. Tot op de dag van vandaag vind ik dit nog oneerlijk, want het varken was van ons!’

Zo gemakkelijk werd de overwinning echter niet altijd behaald. De werkelijke toedracht is wat onduidelijk maar meerdere bronnen bevestigen dat er ook huisslachters waren die voor de jongelui een verrassing in petto hadden. Doruske, pseudoniem van Theo van Doorn,  vertelt in zijn herinneringen aan zijn jeugd in Mill hoe de slachter hem aanspoorde om ‘de kont’ te kussen. Vorig jaar had zijn oudere broer de blaas bemachtigd. Moeder kwam echter meteen tussenbeide: ‘Daar komt niets van in, slager. Ik ben niet van plan hem daarna helemaal te wassen en verschonen.’ En broer Harri moet bekennen: ‘Het vorig jaar ben ik er ingestonken. Toen ik kuste viel de slager met zijn knie op de buik van het varken en ik zat vanonder tot boven vol; de meiden hebben me met emmers water uit de regenput schoon gespoeld.’

Dat dit geen incident was, mogen we afleiden uit een berijmde tekst van Hás van de Zande:

Die blaos die gonk nor d'n uurste die op hum z'n teeke

Z'n strante rùikersneus in't vèrke z'n gat zó dùrve steeke.

Háske ha z'ne grootgelèirsde voewt al op de vèrkespèns,

Stampte stiekem krèk ègge roekt. Dè vonne wèllie onrèns,

Want de rùikerd krieg dan mee z'n neus vlot vol mi vèrkespoep.

We hán Háskes vort goewd te hoeste mi z'nen hillen blaozentroep.

 

Jan_Miense_Molenaer_-_Two_Boys_and_a_Girl_Making_Music_-_WGA16091_detail

Detail uit een schilderij van Jan Miense Molenaer, 1629. National Gallery.

 

Andere toepassingen

De urineblaas van het varken is in vroeger eeuwen benut voor veel meer toepassingen dan alleen het muziekinstrument dat we als rommelpot kennen. Een beperkt overzicht lijkt op zijn plaats om dit nederige orgaan eer te bewijzen.

- Kees ter Laan noemt in Folklore en volkswijsheden de blaas als remedie tegen doofheid, mits: ‘onder de pet of de muts gedragen’.

- Zwijneblaze werden volgens Frans Debrabandere vroeger ook gebruikt als tabakszak. (Kortrijks woordenboek, 1999)

- Smokkelaars vervoerden clandestien gestookte brandewijn in varkensblazen of –darmen.

- Christiaan Huygens onderzocht in 1674 met behulp van met water gevulde varkensblazen of er geluid te horen is door het luchtledige heen en of geluid zich voortplant door water.

- De eerste telefoontechniek werd volgens Marcel Graus (Uitvinders van het dagelijks leven, 1993) niet door Alexander Bell bedacht maar door Philip Reis,  een natuurkundeleraar aan een middelbare school in het Duitse Friedrichsdorf. Reis kwam op het idee dat de door de stem ontstane luchttrillingen op de een of andere manier in elektriciteit moesten kunnen worden omgezet. En dat lukte hem ‘met behulp van een membraan, vervaardigd uit een varkensblaas, een vioolsnaar, een sigarenkistje en een breinaald...’ Reis had gelijk maar werd in zijn tijd niet gehoord.

- De eerste duikboot werd in 1620 gebouwd door de Nederlander Cornelis Drebbel, en met succes getest in de Thames. De twintig inzittenden, waarvan zestien roeiers, voeren drie uur onder water. Om te duiken werden varkensblazen via pijpen gevuld met water. Om boven te komen moest de bemanning op de blazen gaan zitten om ze weer leeg te persen.

 

Kinderspel

Een minder bekende traditie waarbij de varkensblaas een rol speelt is het blaosvechte ofwel  blaosslaon. Lowie van Dorrus Misters schreef daarover in de NTC in 1952 al als vergane glorie: ‘...blaasslaan bestond hierin, dat twee personen, beiden gewapend met een strak opgeblazen varkensblaas, trachtten elkaar van een smalle plank te slaan, die een eindje boven de grond was aangebracht.’ Om de pret te verhogen, bevond de plank zich vaak boven een bak met water. Blaasslaan was in Tilburg in de eerste decennia van de vorige eeuw nog een vast onderdeel van de stedelijke festiviteiten voor de jeugd, net als kinderspelen als kikvorskruien, sprietlopen, en mastklimmen. De namen van de jeugdige winnaars werden steevast in de krant afgedrukt.

Het blaasvechten is vrijwel zeker afgeleid van de carnavalstraditie uit vroeger eeuwen. Op prenten uit de 17de en 18de eeuw zien we zeer vaak carnavalsvierders, uitgedost met narrenkap,  wafelijzer, rommelpot, en een aan een staak bevestigde varkensblaas waarmee omstanders pijnloos getuchtigd konden worden.

varkensblaas_hond_staart-694

Een blaas, aan de staart van een hond gebonden. Illustratie uit Sechs und zwänzig nichtige Kinderspiel, Conrad Meijer, 1657.

 

Sportief

De varkensblaas werd door de jongens vooral begeerd om er een ‘voetbal’ van te maken. Harrie Janssens schrijft op www.cubra: ‘De blaas werd [door de slachter] naar ons toe gegooid. Als je die leegdrukte en liet drogen kon je die opblazen. Dichtbinden, en je had een voetbal. Rugby is met een varkensblaas ontstaan, schrijft P.A.F. van Veen in Sprekende getuigen (1987): ‘Het was een folkloristische traditie, dat partijen een varkensblaas naar het dorp van de ander moesten duwen. Toen een leerling van de Rugby-school met de blaas ging lopen was het rugby geboren; de ovale vorm van de bal herinnert nog aan de blaas.’

Mandos_Frans_rommelpot-693

Tekening van de Tilburgse kunstenaar en illustrator Frans Mandos Tzn. bij het lied ‘Geeft wat om den rommelpot’, uit de zangbundel Ons Volkslied, 1945.

 

In de twintigste eeuw blijkt de varkensblaas ook nog in gebruik te zijn geweest als hulpmiddel bij het zwemmen. Zeg maar in plaats van een zwembandje.

Wie goed kijkt, ziet zo’n zwemmertje al op het schilderij met de kinderspelen van Pieter Brueghel (1560), en wie graag leest, kan terecht bij Ernest Claes, die in De Witte (1920) over Turke Leunes zegt dat die ‘zonder blaas niet zwemmen durfde en het daardoor ook nooit leren zou’. Maar er is ook een vriendje dat ‘een dikke varkensblaas in de lucht zwaaide, en daarmede telkens op de anderen sloeg’.

Als curiositeit vermeld ik nog dat Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje, een ontsnappingsroute had gepland: over de slotgracht. Alleen, Balthasar kon niet zwemmen. De twee varkensblazen die hij bij zich had, hebben hem niet gered.

Dusart_vrij_rijks-RP-P-1961-94_detail-licht

Detail uit een gravure van Cornelis Dusart, circa 1730. Carnavalsvierders waarvan de jongen een rommelpot draagt, een blaas om mee te slaan aan de rechterarm, en in zijn hand een stuk darm voor ‘knaleffecten’.

 

Frutblaos

In Brabantse dialecten, het Tilburgs in het bijzonder, wordt de varkensblaas ook wel aangeduid als frutblaos. Dat is niet helemaal juist maar wel zo aardig. De Tilburgse verzamelaar van dialectwoorden, Nicolaas Daamen, noteerde in 1916 dat frutblaos een verbastering is van prutblaos, en dat daarmee niet de urineblaas werd bedoeld maar een deel van de dikke darm. Het vermaak bestond hieruit, dat het ene eind van de darm werd afgebonden, de darm werd opgeblazen en aan het andere eind dichtgeknepen. Vervolgens werd de darm stevig ineen gedraaid. Als dan de potsenmaker de lucht liet ontsnappen, schrijft Daamen: ‘hetgeen dan een min of meer harder knalletje gaf’.

Pierre van Beek wees in zijn krantenrubriek ‘Tilburgs Taalplastiek’ (1950) eveneens op dit toen al in onbruik geraakte vermaak. Het ‘knalletje’ van Daamen wordt door Van Beek verduidelijkt: er ontstond een ‘soort onwelvoeglijk geluid’. Het woord ‘scheet’ werd in die tijd nog niet afgedrukt in welvoeglijke kranten.

 

Vastelaovond

De varkensblaas is toegepast in veel meer ritme- en blaasinstrumenten, maar de rommelpot die op vastenavond door de jeugd werd gehanteerd is met voorsprong het bekendst gebleven.  Het Woordenboek van de Brabantse Dialecten noemt rommelpot als de meest voorkomende benaming, gevolgd door de variant rommelspot. Daarna volgen benamingen die een oe-klank hebben: foekepot, foeperpot, doedelpot, doetelpot, en foetelpot. Ze hebben met elkaar gemeen dat het klanknabootsingen zijn van het doffe geluid.

Dat geluid werd verkregen door de bouw van het instrument en de wijze van bespeling. De blaas wordt over een pot, kom of een fles gespannen (de klankkast). Door het midden van de blaas werd een rietstengel aangebracht, vast verbonden met de blaas, minstens iets langer dan een handbreedte. Piet Melis schrijft op CuBra: ‘Je spuugde flink in je handen en bewoog die op en neer over het rietje en je kreeg een geluid dat een beetje leek op het geluid van een trombone.’ De Tilburgse dialectdichter Lechim had mooie herinneringen aan die vastelaovende. Al was er één klein nadeel:

 

Witte gij nòg van vruuger Jaon,

Hoe we op vaastenaoved

Rond trokke meej de rommelpot

Ons haanden oopeschaovend?

 

Cornelis-Visscher-1639_RP-T-1895-A-3076-bew

Handen van een rommelpotspeler. Tekening van Cornelis Visser, 1639.

 

  • Met dank aan Cor Swanenberg
  • Tenzij anders is vermeld, zijn alle afbeeldingen uit de collectie van het Rijksmuseum en onderdeel van RijksStudio.