Dialect in mijn schoolklas

Klaas Afbeelding1

Ik ben Klaas de Groot, woon al mijn hele leven (52 jaar) op dezelfde plek: op een (inmiddels voormalige) boerderij te Spijk a/d Linge (ligt ten noordoosten van Gurcum). Al op jonge leeftijd was ik met dialect bezig: mijn vader praatte Spijks. Mijn moeder, geboren en getogen in Sprang-Capelle, verhuisde na haar trouwen naar Spijk, maar bleef heel haar leven Brabants praten. Zo groeide ik op met twee dialecten.

De verschillen werden bij ons aan tafel vaak op ludieke wijze breed uitgemeten. Als het hard waaide, dan was dat de weind (volgens mijn vader), de wend (volgens mijn moeder) en op school hoorde ik dat het wind was. Later als docent op de Gomarus-scholengemeenschap in Gorinchem hoorde ik leerlingen allerlei dialecten spreken. Wij hebben leerlingen van Geldermalsen tot Sliedrecht; en van Vianen tot Sprang-Capelle. Door middel van enquêtes spoorde ik grenzen op, tussen botter-butter, brôôd-broewd en nieuw-nij.

Klaas Afbeelding1

Ik motiveerde leerlingen om in de schoolkrant stukjes in dialect te schrijven; we vertaalden stukjes Jip en Janneke in allerlei dialecten. En hier speelden twee Gomarus-leerlingen een dokter en een patiënt, Nor d’n dokter, in dialect: 

Op dit moment ben ik met een viertal streektaal-‘projecten’ bezig.

1) Het Woordenboek Sprang-Capelle mét geluidsfragmenten. Elk dialectwoord in het woordenboek kun je hóren! Tientallen platpraoters in Sprang-Capelle ben ik langs geweest; dat was urenlang geluid opnemen. Veel werk, maar praachtig al die gesprekken en de enthousiaste verhalen over vroeger. Al gaande kwamen er soms nog weer dialectwoorden naar voren, die ik nog niet in mijn bestand had. Leerlingen van de Gomarus hebben als opdracht voor ICT een website gebouwd. De site is nog lang niet af, maar neem gerust alvast een kijkje: dialect.gomarus.net

2) In Sprang-Capelle leeft dialect nog sterk, maar beneden de 40 jaar wordt het (ineens!) sterk minder. Daarom leek het me leuk om op de basisschool gastlessen te geven over het plaatselijke dialect. Dat doe ik sinds 2017 jaarlijks op de christelijke basisschool De Rank (Sprang-Capelle, in de wijk Vrijhoeve) in groep 6. Vooraf krijgen de leerlingen de uitdaging om aan hun ouders, grootouders of andere (oudere) platpraoters zo veel mogelijk dialectwoorden te verzamelen. Volgend jaar wil ik vragen of ze daarbij een filmpje willen maken dat een opa of oma of wie dan ook een zinnetje in echt ‘plat’ Sprangs of Capèls uitspreekt. Afgelopen jaren leerde ik de kinderen een aantal typische woorden van het dorp en maakten we filmpjes van geoefende gesprekjes van leerlingen ín dialect. 

Klaas Afbeelding2

Klaas in zijn klaslokaal, bezig met dialect

 

3) In havo en vwo-bovenbouw moeten leerlingen een zogenaamd Profiel-WerkStuk (PWS) maken. Op mijn school Gomarus in Gorinchem doen dit jaar twee jongens het PWS over ‘Het Brabants in het Land van Heusden en Altena’. Ik mag ze begeleiden. De jongens gaan aan informanten, verspreid over het gebied, een aantal woorden en zinnen voorleggen. Met geluidsopnamen gaan de jongens de verschillende dialecten in het gebied vergelijken en analyseren. Ze maken ook een ‘sprongetje’ over de Bergsche Maas en vergelijken de dialecten met het dialect van Sprang-Capelle. Mijn moeder vertelde (misschien is het nog wel zo) dat de ‘klaaiboere’ uit de klaai (dat is Land van Heusden en Altena) altijd wat minderwaardig spraken over de ‘zaandhaozen’ daar in Sprang-Capelle. Interessante onderzoeksvraag is of de zaaandhaozen heel andere dialectwoorden hebben dan de klaaiboeren.

4) Momenteel ben ik druk met een schrijven van een boek over Taal, bijbeltaal en streektaal in orthodox-christlijke gebieden in Nederland. Vooral het behoudende of orthodoxe deel van de protestanten leeft tot op de dag van vandaag in een zeker isolement. Ikzelf hoor bij deze groep; we hebben een eigen krant: het Reformatorisch Dagblad (RD); we hebben eigen (reformatorische) scholen en diverse eigen organisaties; radio en TV waren lange tijd niet aanwezig in ‘onze’ gezinnen. Het RD doet regelmatig sociologisch onderzoek onder de RD-lezers. Onlangs kwam het RD naar mij met de vraag om (samen met een taalkenner) onderzoek te doen onder de genoemde bevolkingsgroep te doen. Deze groep wordt wel aangeduid als de gereformeerde gezindte of reformatorisch volksdeel; en iemand die erbij hoort is een ‘refo’. In 10 dorpen van Meliskerke tot Staphorst zet ik enquêtes uit, met als onderzoeksvragen:

  • Gebruiken refo’s andere woorden en bestaat er zoiets als ‘bijbeltaal’? Is er misschien een verband tussen Bijbeltaal en Streektaal?
  • Worden er meer bijbelse uitdrukkingen gebruikt door refo’s dan door niet-refo’s?
  • En: streektalen, worden die in refo-gebieden méér in ere gehouden dan erbuiten? Dringen (o.a. door ontbreken van moderne media) nieuwe woorden minder makkelijk binnen in de bijbelgordel?
  • Zijn er tussen verschillen in taal tussen katholieke en protestantse gebieden? dialectgrenzen ontstonden soms doordat twee bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld Rooms-Katholieken en Protestanten) wel dicht bij elkaar leefden, maar niet veel met elkaar omgingen.

De zogenaamde ‘bijbelgordel’ of ‘bible-belt’ loopt schuin door Nederland, van het uiterste zuidwesten van Zeeland tot boven in de kop van Overijssel: Staphorst. Naast sociologisch-getinte vragen, onderzoek ik ook gewoon de dialecten zelf. Klopt de oude groen-dialectkaart van Jo Daan nog steeds?  Is de ijs-ies-grens er nog? In het boek (dat medio 2022 verschijnt) komt dit terug door een aantal woorden en zinnen uit de 10 dorpen te vergelijken. Ter illustratie een plaatje uit een kinderbijbel, met daaronder het bijschrift een verschillende dialecten.

De Langstraat ligt net aan de onderrand van de bijbelgordel. Sprang-Capelle is een dorp in de streek de Langstraat, waar vanouds invloeden uit het Hollands zijn, doordat het een tijd bij Holland hoorde. De straatnaam Zuidhollandsedijk, tussen Sprang-Capelle en Kaatsheuvel/ Loon op Zand herinnert daar nog aan. Tot op de dag van vandaag is de grens tussen Protestants (Sprang-Capelle) en Rooms-Katholiek (Loon op Zand en Kaatsheuvel) goed aan te wijzen. Die grens loopt overigens een goeie kilometer zuidelijker dan de Zuidhollandsedijk.

Volgens mijn moeder, geboren en getogen aan de Hogevaart in Sprang-Capelle, zo’n 3 km ten noorden van deze ‘rôms-prottestaantse’ grens, herinnerde zich dat de mensen aon swirskaante nie naaauw mee mekaore omginge. Er werd sowieso niet met elkaar getrouwd! En iedere groep ging naar z’n eigen kerk, eigen scholen en verenigingen.

Gerrit Haverhals, geboren en getogen iets zuidelijk van de Zuidhollandsedijk, net aan de protestantse kant van de grens, vertelt dat er op zakelijk gebied weer wél contact over en weer was: "In de schoenfabrieken in Kaatsheuvel werkten ook protestanten. De schoenfabrikanten hadden zelfs graag protestanten, want die stonden er om bekend dat ze minder gemakkelijk iets van de baas meenamen dan de roomsen.

Verder had mijn opa Kerst veel klanten in het roomse deel van Kaatsheuvel dat achter de Zandschellen was gelegen. Hij had zijn bakkerij ook  in Kaatsheuvel op de grens met Sprang-Capelle aan de Dreef/Hoge Zandschel. Mijn oom bezorgde daar altijd het brood drie keer per week. Met Kerstmis of Oud en Nieuw was het de gewoonde dat vele parochianen bij de pastoor een kerststol of iets dergelijks lieten bezorgen door de bakker. Mijn oom bezorgde die altijd trouw en werd dan meestal door de pastoor uitgenodigd om een borreltje samen te drinken, want ze waren er geen van tweeën vies van.

Roomsen gebruikten woorden die bij hun religie hoorden en dat deden de protestanten wellicht op hun beurt ook: roomsen hadden het over een 'zalig' kerstfeest (overigens helemaal niets mis mee!) maar protestanten gebruikten dat woord niet, omdat het rooms was… Wij hadden het over een ‘goed’ of ‘gelukkig’ Kerstfeest of Nieuwjaar.

Wel is een feit dat in Kaatsheuvel achter de Zandschellen nog lang een soort ‘Bargoens’ werd gesproken. Met proate doar nog platter dan plat. (dit was ook het deel waar mijn oom brood verkocht) Hier waren de huisje ook heel oud en slecht en de mensen heel simpel en arm. Er stond ook nog woonwagenkampje annex oud ijzerhandel en meer………. Er woonden ook enkele Belgen, die uit WOI  hier waren gebleven en getrouwd.”

Uit Gerrits verhaal blijkt dat meerdere factoren elkaar beïnvloeden: de godsdienst, maar ook het ‘woonwagenvolk’ dat een beetje tússen de twee godsdiensten in woonde. En dat juist daar die Belgen neerstreken kan komen door de woeste zandgrond net ten zuiden van Sprang-Capelle. Ik vond een zeer interessant citaat over ‘isolement’ als factor voor behoud van streektaal. Prof. Dr. A. Weijnen schrijft in zijn toonaangevende boek ‘Nederlandse Dialectkunde’ (2e druk, 1966, p. 90): “In het algemeen is dus de samenhang met de religie niet te ontkennen. De verklaring ervan is ten dele hierin te zien dat de confessionele grenzen vaak door grotendeels dezelfde oorzaken bepaald zijn als de dialectgrenzen, ten dele ook in het feit dat eenheid van geloof sterk tot aaneen- en afsluiting leidt.”

Van Cees vd Broekhoven kreeg ik (na onze Teams-meeting van 8 juli 2021 van Brabanders en hun Taal) een mooi verhaal dat ook hierover gaat! Cees was meester op Tholen. Hij vertelde mij het volgende: “Werd er door kinderen Zeeuws gesproken. Ja, maar … je hoorde het met de jaren verminderen. Vooral als je met oud-leerlingen sprak, als zij eenmaal het voortgezet onderwijs in Bergen op Zoom volgden, hoorde je dat het Zeeuws vervaagde. Logisch natuurlijk: zij mengden zich op die mega-scholen met kinderen uit West-Brabant. Dan wil je geen ‘stomme Zeeuw’ zijn. De beslotenheid van de gemeenschap als voorwaarde voor het blijven gebruiken van het dialect was weg. Ze wilden nu bij deze groep horen. Anders was dat met de jongelui met een protestants-christelijke achtergrond (vooral de ‘zwarte-kousen’). Deze jongelui verkeerden in de beslotenheid van familie, school en kerk. Na de basisschool bezochten deze kinderen zwaar confessionele scholen op Zuid-Beveland of Flakkee. Allemaal Zeeuws sprekende jongelui met dezelfde achtergrond. Je hoorde deze jongelui op het dorp dan ook veel meer Zeeuws dialect spreken. Logisch, zij bleven in die beslotenheid van de (geloofs)gemeenschap.”

Klaas Afbeelding3

Uit: The Children’s Bible in colour, 29e impression, 1990, p.98,99

Mozes lag in een klein kistje in de Nijl. Wat een mooi jongetje, dacht de prinses toen ze hem vond.

Rijssen

Mozes lea in een klae kisje in de Nijl. Wat een mööi juekn, dach de prinses toe ze’m vêûn.

Staphorst

Mozes lag ien een klein kissie ien de Nijl. Wat een mooi joggie, dacht de prinses toen as ze um vund.

Sprang-Capelle

Môôzes laag in een klèèn kiesje in de Nèèl. Wè een moj jongeske, docht de prinses ès ze’m vond.

Ouddorp

Mozes lag in een klein kissie in de Nijl. Wat een mooi jonggie, docht de prinsesse toen z’n vong.

Meliskerke

Mozes lag in een klein kisje in de Nijl. Wat een mooi joentje, docht de prinsesse a-se den vond.

 

De vermoedelijke verbanden met religie werden al eerder genoemd door Jo Daan. Zij publiceerde in 1966 een nieuwe dialectkaart met een indeling in 28 gebieden. In het begeleidend boekje ‘Van Randstad tot Landrand; toelichting bij de kaart: dialecten en naamkunde’, wordt elk gebiedje en elke dialectgrens gemotiveerd. Op blz 28 staat: “De ontstane grens tussen Zeeland en Noord-Brabant is (…) een duidelijke taalgrens, die wordt bevestigd door isofonen, maar deze valt samen met een scheiding tussen protestanten en katholieken. Noord-Brabant heeft een percentage katholieken van meer dan 80, een groot deel van de Zeeuwse eilanden heeft een percentage hervormden en gereformeerden samen van meer dan 70. Hier is dus, behalve een dialekttegenstelling, een geloofsverschil.”  Daan constateert dat deze grens samenvalt met de jij/gij – grens.

 

Samenvattend

  • Ik geniet erg van het bezig zijn met het digitale geluids-woordenboek van Sprang-Capelle. Ès ik oe raoie mag: doe ok zoiets in oew èège durp. Dar krèè-de gin spèèt van! Ik ben ervan overtuigd dat we dit móeten doen: het is dé manier om dialect te conserveren. Het is heel waardevol om het gesproken dialect hoorbaar te bewaren. Tegelijk zullen er steeds meer mensen zijn die dit ‘gepraat’ niet meer verstaan. Pleidooi voor een zichtbare vertaling in het Nederlands erbij! Maak films met dialectsprekers en zorg voor ondertiteling…. Ook moet het geen lang verhaal zijn. Korte filmfragmenten met dialectsprekers en daaronder een ondertiteling van de gesproken tekst in dialect én in het Nederlands is dé manier om toekomstige generaties te vertellen hoe het dialect klonk!
  • Gastlessen op basisschool. Ik heb zelf al bruikbaar lesmateriaal gemaakt, maar ik sta open voor meer lesmateriaal en tips. Kristel Doreleijers haauw-t-er èège hier ook mee bezig. Onlangs heb ik een enquête van heur ingevuld over dialectlessen in (basis-)onderwijs. Wellicht kan Kristel mijn ôk Ook hier wil ik têgen oe zegge: neem contact op met basisschool in oew èège durp. Maauw effekes mee een mister of juffrouwke, vraog of-de wè maag vertellen over dialect; en doe het gewoewn!
  • Ik hoor het nogal eens: "ik heb mijn kind maar niet in dialect opgevoed; met dialect kom je minder ver". Een misvatting! Laten we ouders aansporen om ‘tweetalig’ op te voeden, want dat heeft zelfs vóórdelen! (Google maar eens op de naam van schrijfster en taalkundige Marinella Orioni). Als er onder de lezers zijn die werkzaam zijn in voortgezet onderwijs en Profielwerkstukken begeleiden of een taal geven: doe iets met streektaal!
  • Over dè boekske dè ‘k aon ’t schrèève zij: kan iemand mij soms meer (interessante) dingen vertellen over taalverschillen als gevolg van gescheiden bevolkingsgroepen, in het bijzonder rooms-protestant? Gèère!

 

 

Wil-de soms niet ‘n stukske schrèève over wè-d-ammel doet mee dialecten, zee Jos Swanenberg tegen mèèn, ’n wèèltje geleeje.

Nou gèère, zee ik tegen Josse.

Zo gezêêd, zo gedaon!

 

 

Tenslotte wens ik oe ammel vêûl dialect-vreugde toe!

Houdoe,

Groete van Klaose