De skónste taol van hil de wirreld...

Gemakt op men uurste kemunie 1948

Omdat ik op een armzalig boerderijtje in een verdwenen buurtschapje tussen bossen en heidevelden ben geboren, voel ik me lichtelijk ontheemd wanneer ik in gedachten terugga naar mijn jeugd. Tenblakke gaf ik dit hoekje in de gemeente Rosmalen als naam. Wij verdienden met recht en reden de ‘dorpstitel’ zandhaos. Het was 'wijd aachteraf'; er was geen elektriciteit of stromend water. De  tien huizen rondom ons hadden een waterput en overal brandde ’s avonds een olielamp. We spraken allemaal dialect en niemand zou het in zijn hoofd halen om onderling 'gruts' te praten. 'Grutspraoters' waren 'natnèkke' die het hoog in de kop hadden.

Onze vader kon niet thuisblijven op de boerderij en moest van armoede gaan werken. Van een gemengd bedrijfje als het onze zei men: ‘ge komt ’r hèndiger òn tien jong ès òn een koew.’(Je komt er makkelijker aan tien kinderen dan aan één koe.) Als kind werd je vroeg ingeschakeld in het arbeidsproces; vruug in de burries dus.

Jong in de burries. foto Jetten, Bedaf 1962

'Vruug in de burries' (foto Jetten 1962)

Naar school

Onze dagelijkse tocht naar de Nulandse school ging per fiets. Het eerste stuk van huis af was het moeilijkst omdat wij ‘’n èind in de grond’ woonden; ons huis stond midden tussen zijn zandakkers en enkel karrensporen met naastliggend slecht zandpad voor fietsers zorgden voor de verbinding met de verre wereld via één harde weg die Oude Baan heette.

Op school maakten we kennis met Nederlands, onze eerste vreemde taal. Meester Verhoeven wees de afbeeldingen aan en de leerling moest zeggen wat hij daar zag. Na de eerste schoolmaanden klonk regelmatig de wanhopige klaagzang dat het geen skaop, maar ‘schaap’ was! Er waren kinderen die bleven volharden in de thuis geleerde uitspraak.

Onzen Harrie en ikken op de skoolfoto in Naolend

In de bank met oudere broer Harrie op de Martinus jongensschool in Nuland

 

Wij leerden braaf wat de meester wilde, maar bleven onderling onze eigen moedertaal spreken. Bovenmeester van Pinksteren vroeg wie ik was. Ik antwoordde ‘Cor van Piejt Gurtjes.’ Heel het dorp sprak in die dagen dialect. De burgemeester, de pastoor, de paters en nonnen waren de enige uitzonderingen.

De kerk was belangrijk. In ons buurt zaag ’t zwart van de withirre, zei men wel voor de grap. Een kilometer zuidwaarts was een klooster van de witte paters. We moesten alle weken de káttechiesmus (catechismusles) van buiten kennen en we deden op zesjarige leeftijd feestelijk onze eerste communie.

Gemakt op men uurste kemunie 1948

De jongste duu z’n uurste kemunie, 1948

Alleman (iedereen) ging ’s zondags naar de Mis en het kerkbezoek werd vermeld op het rapport. Op zondag haalde vader ons grutje (grootmoeder) op met de sjees (het paardenrijtuig) om naar de Lambertuskerk in Rosmalen te gaan. Grutje rook naar pepermunt en onjeklonje (eau de cologne). Op zondag in de meimaand gingen we te voet op Bosch beevert (op bedevaart naar De Bossche Sint Jan).

Lambertuskerk in Rosmalen

Lambertuskerk, Rosmalen (foto auteur)

Haauwt God vur ooge èn oew bóks toew (houd God voor ogen en je broek dicht) was onze lijfspreuk. Het gebod hield in dat je moest weten je te gedragen en impliceerde een duidelijke afwijzing van voorechtelijke seks, maar daar waren wij nog lang niet aan toe.

Op een Koninginnedag kwam Prins Bernhard naar Nuland. Dat zorgde voor enige opwinding. De hele school moest met oranjeversiering opdraven voor het gemeentehuis om het volkslied te zingen voor de prins die met de burgemeester op het bordes van het raadhuis stond. Ik heb nooit vergeten dat de prins in zijn toespraakje slecht Nederlands sprak en de naam Nuland steeds vervormde tot Nieuwland.

Doorleren

Toen ik in de zesde klas van de Nulandse Martinusschool zat, kwam bovenmeester Emonds bij ons aan huis met het voorstel om mij door te laten leren. Hij kwam onaangekondigd en had een ongelukkig moment uitgekozen; ik stond in mijn strontoverall op de voorste akker mest te breken en schaamde me dood. De meester kwam vertellen dat het zonde zou zijn als ik geen kans zou krijgen om een vervolgstudie te doen. Maar doorleren dat was in onze familie en in heel onze buurt nog niet vertoond. Van heel onze klas ging het merendeel naar de ambachtsschool of de landbouwschool. Klasgenoten die onderweg waren blijven zitten, gingen thuis meteen aan het boerenwerk. Er waren een paar leerlingen die roeping voelden en naar het seminarie of juvenaat gingen. Een bevoorrechte enkeling kreeg de kans om naar de mulo of zelfs het lyceum te gaan.

Mijn ouders verkeerden in twijfel tussen trots en onzekerheid. Ze waren gruts op hun zoon, maar hij moest zeker nie neeve z’n skoewn gòn loope. De kinderen konden allemaal goed leren en die hadden toch alleen naar de ambachtsschool of de huishoudschool gemogen. Ik moest wel de kans krijgen en daarom mocht ik toelatingsexamen doen in Oss. Zowel bij de Sint Jan Muloschool als bij het Titus Brandsma Lyceum. Half augustus kwamen de uitslagen binnen: ik was op beide scholen aangenomen. Bij de paperassen zaten ook de boekenlijsten. Die van de mulo was honderd gulden lager dan die van het lyceum. Ik ging dus naar de mulo.

Op de eerste dag van de nieuwe school stonden we strak in de rij. De fraters van Tilburg waren streng. Ik hoorde allerlei taalvarianten. Wat opviel waren de oe-klanken, waar wij gewoon de oo gebruikten. Toen we naar binnen moesten, hoorde ik ‘loewpe of ik skup oew onder oew kloewte.’ (Lopen of ik schop je onder je kloten). Het zinnetje werd als grap gezegd door een klùpperd van een jongen die later Vos bleek te heten. Toen ik hem tientallen jaren later per toeval tegenkwam, zei hij: ‘ik daocht dè ge doewd waart.

In de eerste klas van de nieuwe school kregen we frater Romulus als klassenleraar. Hij ging ervan uit dat we Nederlands spraken, ook in de pauzes. Maar als hij z’n kont gekeerd had en buiten gehoorsafstand was, sprak ieder in zijn vertrouwde dialect. De onderlinge verschillen waren geen belemmering om elkaar te verstaan. We hoorden dat er verschillen waren tussen Naolens, Geffes, His, Oss, Bèrgs en Mòskants, maar het leidde nooit tot een Babylonische spraakverwarring. We zorgden wel dat we niet betrapt werden op dialectconversatie, want de fraters waren royaal met strafregels.

Ik vond het geweldig dat we van meet af aan de vreemde talen van ons omringende landen gingen leren! Duits leek veel op ons dialect en dat leerde makkelijk. Dat gold ook voor Engels en minder voor Frans. Onze Duitse leraar, frater Hildebert, zei bij het teruggeven van het proefwerk vaak: ‘nicht viel Suppes!’ Frater Dagobert, leraar Frans, blijft voor mij verbonden aan het eindeloos herhaalde zinnetje ‘Sophie est aussi là.’ Tonnie Toebast uit Maasbommel kon dat niet anders gezegd krijgen dan ‘Soo:fie et oo:ssie la’ met de langgerekte oo van ‘oor’. Leraar Leijten (de koiboi genoemd vanwege zijn hoed), was een van de weinige lekendocenten. Hij gaf Engels. De leraren van de mulo waren streng maar rechtvaardig. Ik hou goede herinneringen aan de school en omdat alles vlekkeloos verliep, zorgden de fraters in Oss ervoor dat ik toelatingsexamen mocht doen voor de Bisschoppelijke Kweekschool in Den Bosch.

Naar Den Bosch

Ook daar zwaaiden de fraters de scepter. Ik bleef bediend door dezelfde orde en mocht gelukkig als externe leerling mijn opleiding vervolgen. Interne studie konden ze bij ons niet betalen. Ik ging vijf jaar lang met het fietske naar de Sint Jozefstraat. Tot mijn verbazing kwam ik er fraterdocenten tegen die ik kende vanuit Oss. Zij hadden kennelijk promotie gemaakt.

Goede herinneringen bewaar ik aan frater Edelberto die ons begeleidde bij de eerste praktijklessen als hospitant. We mochten proefdraaien op de Pius X school van frater Edwin, de school van Brugman op West en bij frater Emiliaan in de Vogelwijk (de Sieb). Opvallend in het Bossche dialect was de lange oo:. Daarom was de spotzin ‘Too:n van de woo:nboo:t is doo:d’ nogal eens te horen uit de mond van naburige dialectsprekers. Het was voor mij spannend en zenuwslopend wanneer de leraar pedagogiek en didactiek ter beoordeling kwam. Ik deed het beter dan een studiegenoot, vertrouwde hij me toe, want die had een aardige les gegeven, maar had daarin constant het woord kiep voor kip gebezigd. Hij benadrukte hoe belangrijk het was om toch vooral overal beschaafd Nederlands te spreken. Dialect kon alleen remmend werken op mijn ontwikkeling.

Dat mocht in zijn ogen zo zijn, maar voor mij bleef het onmogelijk mijn dialect vaarwel te zeggen. Zodra ik thuiskwam, was de thuistaal het enige ‘vervoermiddel’. En daar voelde ik me zeer wel bij. Bovendien kon ik het onmogelijk met hem eens zijn dat het bezigen van dialect een belemmering zou zijn in mijn ontwikkeling. Integendeel; ik had daardoor juist voordeel ervaren bij de studie van vreemde talen. Toen ik slaagde voor mijn hoofdakte, begon ik tijdens militaire dienst aan de avondcursus akte Duits. Ik gaf enkele jaren les op diverse scholen in Den Bosch; de Sint Jansstichting zorgde dat ik op de woonwagenkampschool aan de Vlijmenseweg mijn loopbaan kon beginnen. Daar had het hoofd der school het pand in overspannen toestand verlaten en ik mocht hem opvolgen.

De Bossche Sint Jan Aquarel Nelleke de Laat

De Bossche Sint-Janskathedraal. Aquarel Nelleke de Laat

Het was hoofdelijk onderwijs met BLO marge en vergde heel wat van een aankomend onderwijzertje. Ik deed het graag en met enthousiasme. Opvallend was het uiteenlopende taalgebruik van mijn leerlingen die onvergetelijke namen droegen als Kobus, Driekus, Hannus, Lollo en Dikkie. Er waren jongens die op kampen in het westen gestaan hadden waar geen scholen waren. Zij praatten van sting in plaats van ‘stond’. Het niveau van de leerlingen was zeer uiteenlopend; er waren jongens van negen die al in boekje vier werkten en jongens van tien die nog maar bij boekje drie waren.

Nelleke

Ondertussen had ik op het ijs van de Wamberg onder Ballekum (Berlicum) een mooi meisje genaamd Nelleke leren kennen. Goewd gesneeje van orre èn poote (welgeschapen) en schòn kumkes op de kaast (een mooie boezem). Dat ze ook nog ’n gaauw kuntje ha als enig kind, was me onbekend en totaal onbelangrijk. Ze was zeventien en geslaagd voor de MMS in Veghel. We spraken allebei dialect en schaatsten walsend rond. We spraken af dat ik Duitse boeken van haar voor mijn leeslijst, zou mogen lenen.

Vader en dochter op de schaats op de Wamberg

Vader Jos en dochter Nelleke de Laat op de Wamberg in de late jaren zestig.

Ik reed in mijn goei dinge (beste pak) naar Mirroi (Middelrode) en trof het slecht: een regenbui onderweg en alleen moeder thuis. Dochterlief zat in De Rips op jeugdkamp. Ik kon het goed vinden met moeder en beloofde de week erop terug te komen. Ik hoorde later dat moeder tegen haar dochter had gezegd: ‘nou ister hier inne geweest um aow èn die sti men wèl òn’ (nu is er hier een geweest om jou en die staat mij wel aan).

Ik kreeg enkele boeken mee van Goethe en Stifter. Ik slaagde voor mijn akte Duits en begon meteen met avondstudie akte Engels. Ik kreeg in de klas in Den Bosch bezoek van Jan de Bok, hoofd van de Gemertse Ulo Sint Willibrord, die me een baan en een huis aanbood. Daar hadden wij wel oren naar. Op de dag voor mijn huwelijk met Nelleke slaagde ik voor mijn akte Engels!

Via Gemert en Rosmalen naar Den Bosch en Veghel

De Gimmertse mulo bleek een heerlijke werkkring waarin leerkrachten en leerlingen floreerden. Er werd veel meer dialect gesproken dan in Den Bosch. De zinnetjes ‘we kanne wel efkes kiejke’ en ‘we zallen ’s zien’ zijn me bijgebleven naast het woordje deeger (telkens) dat wij helemaal niet kenden in onze streektaal. Naast mijn werk studeerde ik ’s avonds verder voor de akte Engels m.o. Twee jaar later kwam’n klèin drùlleke ons verblijden. Elke zondag gingen we met dit ‘drumknaauwerke’ (Gemertenaartje) naar onze wederzijdse ouders in Ballekum (Berlicum) en Rósmòlle (Rosmalen). Opa Jos in Mirroi had maar één dochter en één kleinzoon die ook nog naar hem heette. Hij wilde zijn nazaten graag dichterbij hebben. Hij bood ons daarom zijn eigen huis aan en bouwde een nieuw voor zichzelf. Wij trokken in de woning waarin we ondertussen al ruim vijftig jaar wonen. Ik zocht een baan dichterbij en vond die aan de ulo in Rosmalen. Er werd rond mijn geboortegebied al veel minder dialect gesproken, maar wat ik aan streektaal van mijn leerlingen hoorde, klonk me vertrouwd in de oren. Na zes jaar kwam de vraag van de fraters of ik les wilde komen geven aan de kweekschool in Den Bosch waar ik zelf gestudeerd had en die ondertussen tot Pedagogische Academie gepromoveerd was.  Het was daar heerlijk lesgeven, maar duurde niet lang. De drie Bossche kweekscholen gingen fuseren. Het leerlingenaantal liep terug en ik als jongst benoemde hield maar een half lesrooster over. Ik verkaste snel naar het Mgr. Zwijsen College in Veghel, mijn laatste school, waar ik nog ruim twintig jaar mijn vak met plezier uitoefende.

Een van de grootste verrassingen in mijn leven was de geboorte van onze tweede zoon. Wij hadden graag meer dan één kind, maar na veel gedokter en zeven magere jaren hadden we de hoop opgegeven. En toen opeens bleek er toch nog een jongen op komst! Hij kreeg de Brabantse naam Gurt en dat vraagt om uitleg.

Onze ouders, Piet Gurtjes en Han van Klaasse en hun stamhouderke tusse de tiete

Onze ouders, Piejt Gurtjes en Han van Klaasse en hun stamhouderke Pietje tusse de 'tiete'.

De Swanenbergen uit Rósmòlle, Naolend, Ballekum en omgeving heten Gurtjes, afgeleid van Godefridus. Gurt komt eeuwenlang voor in onze stamboom als ‘Godefridus Gerardus’. Onze pap heette voor de omgeving Piejt van Grèt van Grarus Gurtjes.

Dialect

Het was voor mij triest de miskenning van de waarde van dialect te ervaren. Na het behalen van mijn aktes Duits en Engels (na veertien jaar avondstudie naast het dagelijkse onderwijswerk), besloot ik extra aandacht te gaan wijden aan mijn eigen moedertaal. Gaandeweg ontdekte ik hoe ongelooflijk rijk mijn moedertaal was. Ik ging met bandrecorder en notitieblok op pad. Een van de eerste geïnterviewde vertellers was d’n Blom, onze kapper in Rosmalen. Daarna volgden er nog velen in de nabije regio. Ik werd door Omroep Brabant gevraagd een wekelijks dialectprogrammaatje te maken en dat droeg via ’t Brabants ketierke bij tot meer registratie. Ik rolde van het ene project in het andere. Ik schreef columns, liedjes en boekjes in en over ons dialect, trad toe tot de commissie letteren van het Noordbrabants Genootschap, waarvoor ik met Jan Naaijkens en Michel de Koning de dialectbloemlezing Hedde gij, zedde gij mocht samenstellen. Daar vergaderden we ook over het Brabants Dialectenfestival dat vorm kreeg in Lieshout. Voor de lokale omroep in Berlicum vertolkte ik mijn verhaaltjes en presenteerde hun maandelijkse Brabantse Avond in De Gouden Leeuw. Daarbij ontmoette ik ‘gelijkgestemden’ uit de hele provincie. Een uitgever uit het oosten kwam met het verzoek om jaarlijks een Brabantse Spreukenkalender aan te leveren. Dat die na drieëndertig jaar nog zou doorlopen, kon ik niet bevroeden. Een platenmaatschappij verzocht om de samenstelling van een reeks dialectcd’s Brabants op z’n Best. Het werden vijftien delen! In het Osse Theater De Lievekamp realiseerden we vijftien jaar lang met Henk Janssen het Brabantse Lach- en Liedfestival. Voor het kwartaalblad Brabants volgden 36 dialect cd’s! Sinds 2014 ben ik als redactiesecretaris van Brabants betrokken bij de samenstelling van de luisterbox. Ik wil het over mijn Brabantse voordrachten en voorstellingen niet hebben, maar ben daar al wel zo’n 45 jaar met plezier mee doende. Ik heb tientallen boeken op mijn naam waarvan de helft in Brabants dialect.

Ik voel me bevoorrecht nu ik in pensioentijd nog steeds de ‘taaldingen’ kan doen die ik graag doe. Dat ik daarbij mag samenwerken met onze oudste zoon die de zaken die ik als hobbyist bedreef, als hoogleraar professioneel verwezenlijkt, is helemaal fantastisch! Heerlijk om elkaar in dit opzicht wederzijds te kunnen helpen en stimuleren.  

Met zoontje Jos in 1975 op het verlaten Tenblakke

Cor met zoontje Jos in 1975 op het verlaten Tenblakke. Foto Gerard Kruijsen.

Voor mij is het eigen dialect altijd de taal van mijn hart gebleven. De taal die ons moeder ons leerde, hanteren we nog altijd onder elkaar en dat zal zo blijven. De oudsten in mijn generatie zijn al weggevallen, maar de spraak van onze jeugd is altijd verbonden aan de warmte van ons oude nest. Het is de enige taal waarin ik me helemaal thuis voel. Het is onze oertaal waarin we lachen, janken en zingen, waarin we voelen, denken, dromen en dichten.

Oew moeiertaol blef alted 't allerskónste van gelijk! Vur men 'n wèrrem taol die ik van ze leeve nie zó wille misse!