Dialect en boerenleven

dialect image

De meimaand stond bij Brabants Erfgoed in het teken van het boerenleven in Noord-Brabant. Dat thema is een vanzelfsprekendheid als het gaat over het erfgoed van onze provincie waar de landbouw lang de belangrijkste bedrijfstak was. Bij het wonen en werken op de boerderij hoort een geheel eigen woordenschat in het dialect.
We deden daarom een klein onderzoek via de sociale netwerksites van Brabants Erfgoed en Brabanders en hun taal naar vier termen uit het boerenleven: de hark, het varken, prikkeldraad en een broedse kip.

Die onderwerpen werden gekozen omdat we een goede beschrijving van de bijbehorende dialectwoorden in Noord-Brabant van vele jaren geleden hadden: mooi om te vergelijken met de antwoorden die we nu binnengekregen hebben. Want antwoorden kwamen er!

Hark

Vooral bij de eerste, de hark, werd er enthousiast gereageerd. Op 14 juni was het bericht 14 keer gedeeld, 166 keer geliket en waren er 495 opmerkingen op de Facebook-post van 3 juni gegeven. Het overgrote deel daarvan bevat een dialectwoord voor de hark en de naam van dorp of stad waar dat woord voor wordt opgegeven, bijv. “Griesel. Iedere zaterdag werd de inrit (misse) van voor tot achter netjes gegrieseld. In Zeeland (N.Br. uiteraard)”.

Kaart 1 hark 2021

Kaart: dialectwoorden voor de hark (2021)

Hoe verhoudt het beeld op deze kaart, gemaakt op basis van burgerwetenschap via sociale media anno 2021, zich tot de dialectgegevens die tussen 1975 en 2000 verzameld werden voor het Woordenboek van de Brabantse Dialecten?

Kaart 2 Hark alg

De kaartjes laten zien dat de woordgrens rijf-griesel gelijkloopt aan die tussen de Oost- en de Midden-Brabantse dialecten. Deze grens werd voor het eerst vastgesteld in het proefschrift van A.A. Weijnen (1937). Hij heeft hem gebaseerd op de umlaut in de derde persoon enkelvoud: hij valt/vèlt, hij komt/kùmt, hij lópt/lupt. Oost-Brabantse dialecten kennen in die gevallen een klinkerverandering: umlaut. De grens geeft ook aan tot waar bijvoeglijke naamwoorden bij vrouwelijke woorden en meervouden hun uitgang kunnen verliezen: ’n lang lat, lang latte. Ook de woordgrens rijf-griesel sluit hier dus bij aan. In 2021 is diezelfde grens nog goed terug te zien op de nieuwe kaart met woorden voor een hark.    

Uit enkele opmerkingen van de informanten blijkt iets bijzonders met het woord rijf aan de hand te zijn. In het gebied waar men griesel opgeeft, zeggen sommigen namelijk ook het woord rijf te kennen. Maar dat betekent dan een bepaald soort hark. De meest gewone hark, met een uiteinde van ijzer met korte tanden, en bedoeld voor het aanharken van het erf, vertoont het genoemde onderscheid griesel-rijf in de benoeming. Zo voegt een informant toe “Unne griesel, iedere zotterdag moes dé gedaon worre, in visgroatmotief, de heel misse.” De misse is het boerenerf. In het griesel-gebied zegt men dus rijf tegen een ander soort hark, namelijk een volledig houten hark met lange tanden waarmee je hooi op hopen werkt. In de woorden van de informanten: rèèf is in Heesch een “hautere griesel um hoj bemekare te doen”, in Helvoirt: “mee un rijf dinde ut hooi duine”, “in Lithoijen noemen we de grindhark unne griesel en de blad of hooihark de rijf”. Dit onderscheid werd ook in de gegevens van de vorige eeuw gevonden.

Aangezien de spreiding op beide kaarten goed overeenkomt, lijkt er weinig veranderd te zijn in de afgelopen 90 jaar. We hebben het natuurlijk slechts over de dialectwoorden van één onderwerp. En bovendien geven de gegevens niet altijd het actieve dialectgebruik weer (“zo zeggen we dit nu”), maar eerder de passieve kennis van dialectwoorden (“ons moeder zei vroeger altijd …”).

Varken

Het tweede onderwerp van het onderzoek was het varken. Dialectwoorden voor het varken zijn voor een groot deel hetzelfde als het Nederlandse woord, varken dus, maar hebben dan een Brabantse uitspraak, verke, vèèrke, verreke. Het woord varken is van oorsprong een verkleinwoord dat werd gevormd bij het Oudnederlandse fare. Door de verkleinwoorduitgang, -eke, is de a in veel dialecten een e geworden (dit noemt men umlaut). Het woord werd voor slechts drie plaatsen in het westen (Hoogerheide, Zundert, Oud-Gastel) met een a opgegeven, maar dan wel met een lange aa: vaarke

Dialectonderzoek

Interessant is het andere woord dat vaak wordt gebruikt, kuus. Het woord kuus kent in Noord-Brabant twee betekenissen. In sommige delen van Noord-Brabant verstaat men onder kuus een varken en in andere delen van Noord-Brabant is een kuus een koe, vaak meer precies een kalf van het vrouwelijk geslacht dat nog melk drinkt. Tussen Boxtel en Oirschot staat bij herberg de Schutskuil een houten paal om deze dialectwoordgrens te markeren.

Kaart 1 Kuus

Bron: Goossens, J. en J. van Bakel (1964), Taalgeografie en semantiek [BMDC 28]. Amsterdam

Deze kaart komt uit de digitale Kaartenbank van het Meertens-Instituut. In Noord-Brabant zit kuus voor rund vooral in het noordoosten en kuus voor varken in het westen en zuidoosten.

Voor Uden werd opgemerkt “Vèèreke. Het frappante is dat bij ons 'n Kuus 'n koe is maar in dorpen in de buurt is 'n Kuus 'n varken...” en “Verder naar het Oosten noemen ze varkens ook wel -"kèuje,"- of -"kùtte”. Ook in Schijndel werd dit laatste woord vermeld: “Een kùt. Of een vêreken. Bij ons is een kuus een koe en een kuuske een kalf.” Voor Gemonde en Volkel werd keutten vermeld dat waarschijnlijk als meervoudsvorm is bedoeld. In het Woordenboek van de Brabantse Dialecten (p. 797) vinden we bevestiging; daar worden inderdaad keu, kui, köt, keut gegeven voor de noordoostelijke Meierij.  

De gegevens die we nu verzameld hebben, bevatten dertig vermeldingen van kuus voor varken, maar geen enkele in het noordoosten (waar kuus koe of kalf betekent). Ook op dit punt blijken onze informanten het dialect dus nog goed te kennen.

Prikkeldraad

Het derde onderwerp, prikkeldraad, kent veel verschillende benamingen. Op z’n Brabants uitgesproken als prikkeldraod of priekeldraod werd het 21 keer gegeven, verspreid over de provincie. Omdat er daarnaast veel verschillende varianten werden genoemd, ga ik iets gedetailleerder in op de geografische spreiding door de plaatsen te vermelden. Hier kun je ter vergelijking een kaart van de oude situatie bekijken.  

Zonder de eerste r, dus als pikkeldraod of piekeldraod, werd het woord vermeld voor Reusel, Stratum, Megen, Oss, Rosmalen, Vlijmen, Baardwijk en Waalwijk. Pikkerdraod en piekerdraod voor Lieshout, Mariaheide, Uden, Vlijmen, Drunen, Waalwijk, Soerendonk, Budel en Asten, de laatste als pikkerdrò. Vervolgens hebben we pikkendraod voor Vught, Vlijmen en Geffen, piekendraod voor Waalwijk, pikkedraod voor Lith, Heesch, Maliskamp, Volkel, Schijndel, Sint-Oedenrode, Eerde en Oisterwijk, en pikdraod in Oss, Loon op Zand en Overloon. Tussen al deze plaatsen zit er geen enkele die ten westen van de rivier de Donge ligt.

Daarvoor moeten we naar pindraod dat enkel voor Midden- en West-Brabant werd genoemd met vermeldingen uit Oirschot, Baarle-Nassau, Alphen, Tilburg, Breda, Sprundel, Noordhoek, Steenbergen, Hoogerheide en Heerle. Uitsluitend westelijk zijn piendraod: Schijf, Zundert, Oud Gastel, Oudenbosch en pienekesdraod: Zundert. Pinnekesdraod of -drowed komt ook vooral in het westen voor: Breda, Halsteren, Bergen op Zoom, Hoogerheide en daarnaast in Loon op Zand en Hamont (we hadden dus ook een reactie uit Belgisch Limburg).

Naast deze namen die allemaal een prikkel, pik of pin-element hebben, kwamen ook de volgende woorden voor: stroeëmdraod in Budel, schrikdraod in Boxtel, Riethoven, Schijndel, Breda en Helvoirt, schrikkeldraod: in Roosendaal, Made, Wanroij en tot slot schriekeldraod in Middelrode. Hier lijkt verwarring op te treden met een afrasteringsdraad waar elektrische stroom op staat. Meestal is dat draad zonder prikkels, zoals in meerdere reacties werd aangegeven, bijv. “pindroad, schrikdraad was normale draad maar daar zat stroom op.” Mogelijk worden beide onderwerpen verward, maar het kan ook zijn dat een woord als schrikkeldraod na verloop van tijd zowel draad met prikkels als met stroom is gaan aanduiden.

Broedse kip

Een broedse kip werd vroeger bij mij thuis een klók genoemd. De korte klinker is gesloten, zoals in het Nederlandse oor, zodat klók niet rijmt op klok, het uurwerk. Op de hieronder getoonde kaart uit het Woordenboek van de Brabantse Dialecten blijkt klok veel voor te komen, vooral in het oosten van onze provincie, iets minder in het midden en nauwelijks in het westen. Het woord lijkt veel op kloek dat algemener is, vooral in het weten. Daarnaast vinden we in een klein gebied ten zuiden van Eindhoven brok. Deze kaart laat de situatie zien van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Hen met kuikens WBD

Bron: Woordenboek van de Brabantse Dialecten, deel I, p. 959.

Kloek heeft volgens het Woordenboek van de Nederlandsche Taal twee betekenissen: hen die telkens het geluid ”kloek” doet horen, dus: broedsche hen, en: hen die kuikens heeft. Het kan dus gaan om een kip die op eieren broedt maar ook om een kip die al kuikentjes heeft. Op onze vraag hoe een broedse kip wordt genoemd kwamen behalve woorden als kloek ook omschrijvingen en samenstellingen: broeitiet (Zijtaart, Zundert), brutse kip (Giessen), brutse hen (Genderen), bruutse hen (Maliskamp, Oss, Schaijk), broedse hen (Riethoven), broeise kiep (Haps, Vught, Best), broedse kiep (Kaatsheuvel, Acht), tiet mee pielekes (Alphen) en tiet mee jong (Oirschot). De resultaten van ons onderzoek bevatten maar heel weinig opgaven van klók en brók.

Kleine kaart broedse kip 2021

Kaart: dialectwoorden voor een broedse kip (2021).

Klók werd gegeven voor Sint-Oedenrode, Oirschot en Spoordonk en brók voor Soerendonk. Die twee woorden voor een broedse kip lijken op punt van verdwijnen te staan. Ze worden vervangen door kloek dat ook in het Nederlands voorkomt en door omschrijvingen zoals bruudse hen. Waar de woorden voor prikkeldraad, het varken en de hark nog heel goed gekend zijn, geldt dat veel minder voor de woorden voor een broedse kip.

Tot slot geven we nog het bijzondere antwoord op de vraag over de hark dat uit Helmond kwam, “…, in het Helmonds bestaan geen woorden die met werken te maken hebben.”