Een onderzoek naar arbeidsomstandigheden

Pagina 66 van het Verslag omtrent het onderzoek ingesteld door de Derde Afdeeling der Staats-commissie van Arbeids-enquête uit 1890. (Bron: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven)

Pagina 66 van het Verslag omtrent het onderzoek ingesteld door de Derde Afdeeling der Staats-commissie van Arbeids-enquête uit 1890. (Bron: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven)

Alle rechten voorbehouden

Wie onder aan de maatschappelijke ladder stond, kwam in de negentiende eeuw steeds vaker in de knel. Het leven veranderde ingrijpend en in een almaar hoger tempo. Niet iedereen kon zich daarin staande houden. Ook al niet omdat de overheid slechts zorgde voor orde en rust en verder de zaak op zijn beloop liet.

Door de snelle groei van de bevolking raakten de steden overvol. Tal van gezinnen huisden in vochtige en donkere krotwoningen, waar zelfs de meest elementaire voorzieningen zoals een pomp of een privaat ontbraken, zodat epidemieën er vrij spel hadden. Handel en industrie maakten een stormachtige ontwikkeling door, dus ondernemers deden goede zaken. Maar in de smerige en onveilige fabrieken werden lange dagen gemaakt, vaak ook door kinderen, en het loon was karig.

Naarmate de eeuw vorderde raakten ook burgerij en politiek ervan doordrongen dat dit arbeidersvraagstuk, deze “sociale quaestie” zoals ze die noemden, om een oplossing vroeg en dat overheidsingrijpen onvermijdelijk was. Zo ging bijvoorbeeld in 1890 een staatscommissie aan het werk die probeerde de arbeidsomstandigheden in kaart te brengen. Ook in Brabant werden fabriekseigenaren, gemeentebestuurders, arbeiders en parochiegeestelijken door de commissie ondervraagd over de soms verschrikkelijke gang van zaken in de fabrieken en werkplaatsen. Het verslag van de commissie, maar meer nog de woordelijk weergegeven ondervragingen die als bijlage in druk werden uitgegeven, bieden een fascinerende inkijk in de werkomstandigheden, de leefwereld en de mentaliteit van de negentiende-eeuwse Brabanders.

Een van de problemen die uitvoerig besproken werden was dat van de gedwongen winkelnering, een verschijnsel dat wijdverbreid was in sommige van de Brabantse bedrijfstakken zoals de sigarenmakerijen, maar vooral in de schoennijverheid van de Langstraat. Ondernemers in de huisnijverheid die door de opkomst van fabrieken hun marges zagen krimpen, begonnen een winkeltje in levensmiddelen en textiel en dwongen hun arbeiders om hun loon daar te besteden. Wie weigerde, kreeg geen werk meer. Het leidde tot uitwassen en veroorzaakte persoonlijk leed. Door hogere prijzen in de patroonswinkel schoot een schoenmaker er op jaarbasis een paar weeklonen bij in. Veel arbeiders kwamen door het systeem bij hun baas in het krijt te staan.

Noord-Brabant is deze vorm van uitbuiting, "dezen ellendigen woeker" zoals hij door tijdgenoten werd omschreven, uiteindelijk te boven gekomen. Ook andere sociale misstanden uit de negentiende eeuw, zoals kinderarbeid, het wonen in sloppenwijken, hongerlonen en bovenmatig lange werkdagen zijn in een lang en soms moeizaam proces uitgebannen. Wat dat voor een mensenleven betekent wordt eigenlijk pas goed duidelijk bij het doorlezen van de gedetailleerde vragen en antwoorden uit het enquêteverslag van 1890, dat met recht beschouwd kan worden als erfgoed van de sociale vooruitgang.

 

Bronnen

Van den Eerenbeemt, H. (red.), Geschiedenis van Noord-Brabant, deel 2: Emancipatie en industrialisering 1890-1945, Amsterdam/Meppel, 1996.

Van Oudheusden, J., Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014.

Van Oudheusden, J., “Van de wal in de sloot. Gedwongen winkelnering in de Brabantse schoennijverheid 1875-1915”, in: Brabants Heem (nr. 47, 1995), 150-157.

Van Uytven, R. (red.), Geschiedenis van Brabant, van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

 

Dit artikel is een bewerking van een tekst uit J. van Oudheusden, Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014, 196.