Sporen van slavernij in Noord-Brabant

Theodore Bray De oogst op een suikerrietpantage

Tot slaafgemaakte Afrikanen oogsten suikerriet in Suriname. Tekenaar Theodore Bray (1818-1887), geboren in het Belgische Veurne, was mede-eigenaar van de plantage Spieringshoek. (Bron: Tropenmuseum)

Overal in Nederland zijn plekken en objecten die herinneren aan het slavernijverleden. Alleen zijn deze vaak onbekend bij omwonenden en een breder publiek. Het project Mapping Slavery brengt de sporen van slavernij letterlijk in kaart. Gerard Snikkenburg en Dineke Stam laten in dit artikel zien hoe ook vooraanstaande Brabantse families betrokken waren bij koloniale handel en bijbehorende slavernij.

Slavernij: definitie, schuld, schaamte en termen

Slavernij is een systeem van terreur: mensen worden als een dier of een ding gekocht en verkocht, in gevangenschap gehouden en verrichten arbeid onder dwang of onder bedreiging met geweld, zonder loon. Dat gold vroeger en dat geldt nu nog. Meer dan driehonderd internationale verdragen trachten slavernij uit te bannen, maar er leven volgens recente schattingen nog altijd veertig miljoen mensen in slavernij.

Woorden verhullen, onthullen en creëren betekenis. Tussen 1600 en 1850 zijn ongeveer twaalf miljoen Afrikanen door Europeanen gekocht en met schepen over de Atlantische oceaan vervoerd. Hun in slavernij geboren kinderen golden als eigendom van de slavenhouder. In het Nederlandse slavernijverleden maakten witte mensen Afrikanen tot slaaf. Lange tijd golden de woorden “slaaf” en “neger” als synoniem. Die termen verhullen de menselijkheid. Daarom gebruiken wij het woord “tot slaafgemaakte”.

Voor velen is het slavernijverleden een gevoelig onderwerp. Gevoelens van schaamte, schuld, verwarring, verdriet, verontwaardiging en woede leven bij nazaten van slaafgemaakten, bij de afstammelingen van slavenhouders of slavenhandelaren en bij mensen die beide kanten in hun familiegeschiedenis verenigen.

Officieel was slavernij in Nederland verboden. De koloniale ruilproducten werden in Nederland geconsumeerd, gemaakt en verkocht. Deze winst was geroofd van de tot slaafgemaakten. Deze mensen werden - beroofd van hun vrijheid, hun familie, hun bezittingen - beschouwd als bezit of productiemiddel. Desondanks slaagden zij erin hun menselijkheid te behouden en is er altijd verzet geweest.

In dit artikel ligt de nadruk op personen die handelden met koloniën, eigenaar waren van plantages of die in een van de koloniën gewerkt hebben namens de kerk of de overheid. Zo werden vanuit Brabant bijvoorbeeld priesters en nonnen naar de koloniën uitgezonden om mensen te bekeren tot het christendom. Zij brachten allerlei voorwerpen en documenten mee terug die nu nog in de collecties van instellingen worden bewaard.

 

Door de bronnen heen lezen

Om de sporen van slavernij zichtbaar te maken, is het belangrijk om "door de bronnen heen te lezen". Op het eerste gezicht valt in de bronnen alleen de handel en winst van Europeanen op. Maar welke koloniale handel was verbonden met slavernij? In ieder geval de handel in koffie, thee, suiker, rijst en specerijen. Want de grondstoffen voor die producten werden door slaafgemaakten verbouwd en geoogst. Zo kan bijvoorbeeld de handel in koloniale waren waar Cornelis van Lanschot in 1737 mee begon, beschouwd worden als een spoor van slavernij - ook al staat er in de “Ontfangboeken” niet bijgeschreven dat de koffie met slavenarbeid was verbouwd.

Pas bij nader inzien vangen we in de bronnen soms een glimp op van het leven van de tot slaaf gemaakten. Dan stuiten we op verzet, zware arbeid en een vrijgemaakte man die in Brabant veldwachter werd. Tot dusverre richtte het meeste onderzoek zich op Suriname. De slavernij op de Antillen en in toenmalig Nederlands-Indië blijven in dit artikel dan ook buiten beschouwing.

 

Ontfangboek Cornelis van Lanschot 22 juli 1737

Het Ontfangboek waar Cornelis van Lanschot op 22 juli 1737 mee begon. (Bron: Van Lanschot Kempen)

Vrede van Breda

Op 31 juli 1667 tekenden de Verenigde Nederlanden, Engeland, Frankrijk en Denemarken de Vrede van Breda in de Grote Zaal van het kasteel van Breda. Zo kwam een einde aan de Tweede Engelse-Nederlandse Oorlog. De Nederlandse kolonie Nieuw-Amsterdam (het huidige New York) werd met Engeland geruild voor de kolonie Suriname, het specerijeneiland Run op de Molukken en een aantal forten langs de Afrikaanse westkust. “...[V]oor de Vrede van Breda werden ongeveer 90.000 Afrikanen in de meest mensonterende omstandigheden op Nederlandse schepen naar de Amerika’s getransporteerd, ruim 1.900 per jaar. In de drie decennia na de vrede was dit gestegen tot bijna 4.300 per jaar, …”, schrijft Alex van Stipriaan. Niet voor niets beschouwt hij de Vrede van Breda als keerpunt in de slavenhandel.

Gedurende de periode 1640 tot 1670 werd bijna de helft van alle gedeporteerde Afrikanen naar de Amerika’s vervoerd op Nederlandse schepen. Toch komt dit belangrijke aspect nauwelijks aan bod in de tentoonstelling die het Stedelijk Museum Breda maakte naar aanleiding van 350 jaar Vrede van Breda.

 

Breda: Crommelin

De oud-gouverneur van Suriname en militair commandeur Wigbold Crommelin vestigde zich na zijn pensionering in Breda, in Huis Assendelft. Zijn gezelschap bestond uit zijn vrouw en kinderen en drie tot slaafgemaakten, waarschijnlijk persoonlijke bedienden. “De Societeitsnegerjongen Joost, negerjongen Laloupe [en de] mulattin Anna”. Anna en Laloupe zijn in 1772 in Breda gedoopt. Dit was vaak een voorwaarde voor de vrijheid. Zij bleven in Nederland in dienst van Crommelin.

Joost was een Sociëteitsslaaf, wat betekende dat hij eigendom was van de Sociëteit van Suriname en dus niet van Crommelin. Joost ging verschillende keren naar Amsterdam om voor zijn vrijheid te pleiten, maar de heren van de Sociëteit van Suriname maanden Wigbold Crommelin juist met een dwangsom van fl 1200,-- om Joost naar Suriname terug te sturen. In februari 1771 werd Joost op een schip gezet terug naar de slavernij in Suriname. Wigbold Crommelin kocht in 1776 kasteel Dommelrode in Sint-Oedenrode, gefinancierd door de opbrengsten van de plantageverkoop.

 

Slotpagina Vrede van Breda

De slotpagina van de vrede van Breda. (Bron: Nationaal Archief)

Tilburg: de familie Bles

Nabij de Schouwburgpromenade in Tilburg ligt de Bleshof een klein straatje vernoemd naar de regentenfamilie Bles, eigenaar van panden en erven op deze plek. Notaris Cornelis Bles kwam door zijn huwelijk met Marthe Cathérine Peneux in 1755 in het bezit van de plantage Nieuw Mocha aan de rivier de Cottica in Suriname. De plantage was 683 akkers groot (1 Surinaamse akker = 0,43 ha) en - de naam zegt het al - er werd koffie geteeld.

Op dat moment werkten er 91 tot slaaf gemaakten. Dat aantal steeg aanzienlijk: van 107 in 1762 tot 155 in 1771. Zij oogsten de koffie, verwijderden het vruchtvlees van de bonen, legden de koffiebonen te drogen in de droogloodsen en verpakten de balen voor het transport naar Amsterdam, waar de koffie werd gebrand. De tot slaafgemaakten woonden in zestien huizen op het erf.

Marthe Cathérina Peneux en Cornelis Bles woonden in Tilburg en lieten het beheer van de plantage over aan een procuratiehouder. Hun zoon Govert Jacobus Bles maakte wel verschillende reizen naar Suriname. In 1763 werd Bles president-schepen in Tilburg en rentmeester van de heerlijkheid Boxtel. Als vooraanstaande Brabantse bestuurder was hij tegelijkertijd eigenaar van een plantage inclusief slavenmacht. De plantage bleef tot de afschaffing van de slavernij in 1863 in het bezit van de familie.

Op de plantage woonden toen Charles (1836, sjouwer), Goliath (1844, veldneger), Frans (1846, voetbode), Primo Dirk (1848, voetbode), Semire (1813, bediende), Francina (1816, bediende), Christina (1830, bediende), Hendriette (1848, bediende), Frits (1852, leerjongen), Jacoba (1855), Paul (1857) en Josephina (1860). De Nederlandse Staat betaalde per vrijgemaakte driehonderd gulden aan de familie, totaal 3600 gulden, een hedendaagse waarde van €38.100,--. De vrijgemaakten zelf bleven in armoede achter, waarschijnlijk met een verplicht arbeidscontract tot 1873.

 

Johannes Pauli

Ook in Nederland had het echtpaar Bles een Surinamer in dienst, een vrije man. De doopakte van de Nederduits Gereformeerde gemeente van Tilburg vermeldt dat op 18 april 1779 “de Westindische neger, ongeveer 20 jaar oud en dienstknecht van Cornelis Bles”, werd gedoopt met de naam Johannes Pauli. Pauli was in 1772 tegelijk met de tot slaaf gemaakte Anna door Jean Phillipe Peneux, de broer van Marthe Cathérine Peneux meegenomen naar Nederland.

Johannes Pauli trouwde op 25 november 1787 in Tilburg met Anneke van der Schans uit ‘s-Grevelduin-Capelle. Marcellus Bles, de broer van Cornelis, die een fortuin in Nederlands-Indië had gemaakt en eigenaar van de heerlijkheid Moergestel was geworden, benoemde Pauli tot nachtroeper en veldwachter in Moergestel. In 1797 vertrok Pauli met zijn gezin naar Hilvarenbeek waar hij opnieuw veldwachter was. Hij overleed op 3 november 1819.

 

Helmond: de familie Wesselman

Carel Frederik (I) Wesselman (1747-1825) kocht in 1781 het kasteel van Helmond met heerlijkheid van Nicolas Antoine, graaf van Arberg. Wesselman had zijn vermogen verdiend in de geldhandel. Eerst was hij essayeur - keurmeester van goud en zilvergehalte in metalen - en vanaf 1777 muntmeester-particulier in Utrecht. Hij werkte veel samen met zijn broer Daniel Cornelis (1752-1804), koopman in Amsterdam en essayeur in Den Haag. De geldhandel legde hen beiden geen windeieren. Carel Frederik kocht het kasteel in Helmond voor circa fl. 155.000,--.

De broer van zijn vrouw, Hendrik Willem Plencker, was plantagedirecteur in Suriname. Wesselman schreef hem over de aankoop van een plantage. De windvaan op de toren van het kasteel in de vorm van een schip verwijst naar zijn handelsactiviteiten.

Kasteel Helmond (RCE)

Kasteel Helmond. Omstreeks 1325 begon heer Jan II van Berthout Berlaer met de bouw van deze robuuste burcht. (Foto: J.P. de Koning, 1997, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Carel Frederik benoemde zijn broer, Daniel Cornelis Wesselman tot drossaard en schout in Helmond. Daniel Cornelis liet in 1784 het schip de Neptunus uittreden en geschikt maken voor de slavenhandel. De reis liep uit op een regelrechte ramp, die het geweld en verzet dat gepaard ging met slavenhandel onmiskenbaar toont.

Vlak voor de afvaart vanaf de westkust van Afrika richting Amerika, na daar circa achttien maanden rondgevaren te hebben om mensen te kopen, brak op 17 oktober 1785 aan boord van de Neptunus een opstand uit met een dramatisch einde. De gevangen Afrikanen slaagden erin de macht op het schip over te nemen en de Europese bemanning verliet het schip. Een monsterverbond van Europeanen en Afrikanen trok ten strijde tegen de opstandelingen, die kozen voor de dood in plaats van gevangenschap. Zij bliezen zichzelf en hun belagers op. Het schip vloog in de lucht waarbij circa vierhonderd mensen omkwamen. 

 

Helmond: Hoe Vlisco populair werd in West-Afrika

De zuidkant van het park om het kasteel van Helmond grenst tegenwoordig aan het industrieterrein van de firma Vlisco. Wie Vlisco noemt, denkt aan “Dutch Wax Prints”, de wereldberoemde stoffen. In deze stof komt de geschiedenis van het Nederlandse koloniale rijk samen. Batikken, de methode waar de schitterende prints op textiel worden aangebracht is een Javaanse uitvinding. De oprichters van Vlisco imiteerden deze techniek.

Pieter Fentener van Vlissingen & Co had in Helmond en Nederlands-Indië een bedrijf in imitatiebatiks. Een afzetmarkt vonden ze in West-Afrika. Al in de vroege tijd van de West-Indische Compagnie werd katoen uit Azië in Afrika verkocht. In 1876 begon de firma met de export van imitatiebatiks naar West-Afrika.

 

Een staal gemaakt voor de Afrikaanse markt door het Helmondse bedrijf Vlisco uit 1922. (Bron: Cooper-Hewitt collectie, Smithsonian Design Museum)

Een staal gemaakt voor de Afrikaanse markt door het Helmondse bedrijf Vlisco. Het ontwerp komt uit 1922. (Bron: Cooper-Hewitt collectie, Smithsonian Design Museum)

Helmond: de gebroeders Bots

Textiel is nauw verbonden met slavenhandel en slavernij. Al in de zeventiende eeuw waren stoffen het meest gebruikte ruilartikel in de slavenhandel, naast wapens, caurischelpen, kralen en andere gebruiksartikelen. In de negentiende eeuw was de met slavenarbeid verbouwde katoen een belangrijke grondstof voor de textielindustrie. Twee panden in Helmond herinneren hier aan: het ‘Huis met de Klok’ (1838) en het ‘aauw fabriekske’ (1840), respectievelijk aan de Kanaaldijk Noord-West 47 en 49.

Textielfabrikant Johannes Albertus Bots, eigenaar van de twee panden, was de oom van Amandus Hubertus Bots (1816-1878) en Arnoldus Gerardus Bots (1826-1882), die twee plantages bezaten in Suriname, de katoenplantage Esthersrust aan de Warrapakreek en de koffieplantage Killenstein aan de Beneden-Commewijnerivier. Zoals gebruikelijk in die tijd hadden de broers het beheer van de plantages uitbesteed aan een directeur, de firma J. Haase & Zn. uit Amsterdam. De Noord-Brabanter van 24 februari 1859 meldde dat de gebroeders Bots bezwaar maakten tegen het wetsontwerp Afschaffing Slavernij. Uiteindelijk kregen zij 55.800 gulden uitgekeerd toen hun slaafgemaakten officieel vrij werden in 1863.

Als rechtgeaarde katholieken hechtten de gebroeders Bots er sterk aan dat de tot slaafgemaakten die op hun plantages werkten het Heilig Doopsel ontvingen en zij lieten een kerk op de plantage bouwen. Regelmatig werden de plantages door R.K.-geestelijken bezocht, waaronder mgr. Swinkels en Peerke Donders. Ook daarover berichtte de krant.

 

Het huis met de Klok Helmond

Het Huis met de Klok uit 1838 was eigendom van textielfabrikant J. A. Bots. Met slavenarbeid verbouwen katoen met een belangrijke grondstof voor de textielindustrie. (Bron: Rosemoon, Wikimedia Commons)

Alle rechten voorbehouden

Helmond: monseigneur Swinkels

Johannes Baptista Swinkels (1810-1875) groeide op in Helmond waar zijn ouders eigenaar waren van de herberg de Groote Leeuw aan de Markt en de daarnaast gelegen Kleine Leeuw aan de Veestraat. In 1838 - een paar jaar na zijn priesterwijding - werd Swinkels rector van de Latijnse school in Helmond. In 1865, het jaar dat hij tot bisschop werd benoemd, vertrok hij naar Suriname om de missie van de kloosterorde van de Redemptoristen te leiden.

Zijn werk als missionaris gaf hem voldoening, maar hij was minder te spreken over het gedrag van de Europeanen. In een brief naar zijn familie in Nederland schreef hij: “Onze arbeid zou nog meer vrucht dragen als de zogenaamde beschaafde Europeanen zich niet zo onbeschoft zouden gedragen. Velen hunner overtreffen den slechtsten neger in zedeloosheid, ongeloof en bijgeloof,...”. Swinkels bezocht regelmatig plantages om zijn parochianen te bezoeken. Hij ontmoette tijdens zijn reizen Peerke Donders, die in 1867 bij hem de kloostergelofte aflegde om tot de Redemptoristen toe te treden. Mgr. J. B. Swinkels overleed op 11 september 1875 in Paramaribo.

Er zijn meer directe Brabantse sporen van slavernij die te maken hebben met de Katholieke kerk. Het Peerke Donders Paviljoen in Tilburg wijdde er in 2013 een expositie aan. De missie was in de koloniale expansie heel belangrijk. In Suriname had de kerk zelf ook tot slaafgemaakten, als koster, huishoudster, wasvrouw, timmerman en assistent in de keuken. Mgr. Grooff besloot in 1842 alle tot slaafgemaakten van de kerk de vrijheid te geven, uitgezonderd de keukenmeid Rosetta. Een van de vrijgelatenen was het kind Cornelis. Hij kreeg de naam Foorg, het omgekeerde van Grooff.

Peerke Donders

"Peerke Donders bij de melaatsen in Batavia", schilderij van Albin Windhausen (Bron: 1924, Wikimedia Commons)

 

Bergen op Zoom en Asten: Quaco

In Brabant zijn nog meer slavernijsporen naar boven gekomen in het onderzoek van Ineke Mok over het leven van Quaco (je zegt: Kwakoe). Met de plekken in Bergen op Zoom en Asten waar hij verbleef, eindigt dit verhaal.

Quaco werd rond 1770, toen hij ongeveer acht jaar oud was, ergens in het westen van Afrika ontvoerd. Eerst kwam hij daar in slavernij terecht, vervolgens in Suriname. Hij werd de futuboi, de persoonlijke lijfknecht, van legerkapitein John Gabriel Stedman, die ten strijde trok tegen de marrons (gevluchte tot slaafgemaakten). Quaco moest mee op patrouilles. Na vier jaar vertrok Stedman naar Nederland en hij nam Quaco mee.

Over Quaco weten we iets door het boek dat Stedman schreef over zijn verblijf in Suriname: Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam (1796). Dat boek werd wereldberoemd, vooral vanwege de afbeeldingen waarop tot slaafgemaakten worden gemarteld. Ineke Mok vond in de originele dagboeken van Stedman meer informatie over Quaco. We weten nu dat Quaco in 1778 met Stedman in Bergen op Zoom verbleef. Quaco kreeg daar op 10 juli 1778 zijn vrijheid terug. Volgens Stedmans aantekeningen verbleven toen meer tot slaafgemaakten in deze stad. Op 27 augustus 1778 staat tussen Stedmans notities van die dag: “A slave, wanting to desert, in a jump down the wall, broke a limb”. Of de man die deserteerde ook letterlijk gevangen zat, of alleen wilde ontsnappen uit de dienst in het Staatse leger, is niet duidelijk. Ook vermeldde Stedman dat hij geen gebruik wil maken van de diensten van een zwarte vrouw met kind.

Op het kasteel in Asten is Quaco van 1790 tot 1792 de bediende van baron Assueer Jan Torck, heer van Rosendael (Gelderland), die ook in Den Haag woonde. Eerder verbleef Quaco op diens kasteel in Rosendael, waar hij in 1785 in de kerk van het kasteel werd gedoopt. Sindsdien heette hij Willem Stedman. Eind 1791 of begin 1972 monsterde Quaco/Willem Stedman aan als matroos op het VOC-schip D’IJsselmonde met bestemming Batavia.

 

Breda: Chocoladeslavernij

De connectie tussen chocola en slavernij kent een lange geschiedenis. Ook in Brabant. Neem J. G. van Emden die in 1830 werd geboren in Paramaribo. Hij was erfgenaam van de suikerplantage De Drie Gebroeders. Later kocht hij de plantages Kwatta en Maasstroom. In 1877 droeg Van Emden het beheer van zijn bezittingen in Suriname over aan een administrateur en vestigde zich in Breda. Zes jaar later richtte hij de N.V. Stoom Cacao- en Chocoladefabriek Kwatta op aan de Middellaan. De productie van chocola gaat nog altijd gepaard met kinderarbeid en misstanden, ondanks verwoede pogingen om 100% slaafvrije chocola te maken.

 

kwatta.JPG

Cacaoblikje van het merk Kwatta. (Foto: Alf van Beem, 2014, Wikimedia Commons)

Oproep

Dit artikel is slechts een eerste inventarisatie van sporen van slavernij in Noord-Brabant. Er zijn nog zoveel tastbare herinneringen, denk bijvoorbeeld aan gevelstenen, schilderijen en wapenschilden die sporen tonen van koloniale slavernij. Het zijn snippertjes informatie die als startpunt dienen voor nieuw onderzoek. Wie was bijvoorbeeld de “moor” Rudolf? Deze bediende van dominee Mobachius werd op 16 april 1757 in Den Bosch gedoopt en kreeg de naam Christiaan. Of neem de blikken plaatjes in Het Noordbrabants Museum. Ze staan omschreven als “betaalpenning voor de bevrijde negers in Suriname”. En wie waren de vierhonderd Javaanse Surinamers uit Sint-Michielsgestel?

Drie blikken plaatjes van 1, 2 en 4 laken voor de bevrijde negers te Suriname,

Een van de "[d]rie blikken plaatjes van 1, 2 en 4 laken voor de bevrijde negers te Suriname". (Bron: Het Noordbrabants Museum)

Ook familiegeschiedenissen zijn van belang, zoals de verhalen van Onias Langveld, de nieuwe stadsdichter van Tilburg die werd geboren in Paramaribo. Of de boeken van Rihana Jamaludin die in haar roman De Zwarte Lord de lotgevallen van de Bossche gouvernante Regina Winters in Suriname beschrijft. Of de onverbloemde vragen van Steven Brunswijk, alias BraboNeger. Al deze snippers in archieven, musea en familieverhalen vragen om nader onderzoek. Zo maakte Mapping Slavery het slavernijverleden stap voor stap zichtbaar. Ook u kunt meehelpen en op onderzoek gaan.

 

Dit artikel verscheen eerder in In Brabant, tijdschrift voor Brabants erfgoed, 2017, nr. 3, 10-22. 

 

Bronnen

Van Althuis, M., “Het geweten van de chocoladeconsument”, via: www.ftm.nl/artikelen/het-geweten-van-de-chocoladeconsument (Stand op 18-8-2014).

Boeren, J. en R. de Brouwer, “Tilburg in de koloniën, de koloniën in Tilburg”, in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis monumenten en cultuur (jrg. 19, nr. 1, 2001).

Bossers, A., Beknopte geschiedenis der Katholieke Missie in Suriname, Gulpen, 1884.

Brommer, B. (ed.), Ik ben eigendom van… Slavenhandel en plantageleven, Wijk en Aalburg, 1993.

Hooff, G.,: De familie Swin(c)kels, drie eeuwen textiel en bedrijvigheid in zuidoost-Brabant”, in: Werkend verleden in Helmond (jrg. 8, nr 18, 2001.

Jacobs, M. en W. Maas, Een leven in kleur: textieldrukkerij 1846-1996, ‘s-Hertogenbosch, 1996.

Van Kessel, I., Zwarte Hollanders, Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië, Amsterdam, 2005.

Klooster, W., The Dutch Moment. War, Trade and Settlement in the Seventeenth-Century Atlantic World, Leiden, 2016.

Mok, I. en E. Heuvel, Quaco. Leven in Slavernij, Zutphen, 2015.

Paesi, R., Slavenopstand op de Neptunus. Kroniek van een wanhoopsdaad, Zutphen, 2016.

Van Stipriaan, A., e.a., Op zoek naar de stilte. Sporen van Slavernijverleden in Nederland, Leiden, 2007.

Van Stipriaan, A., “De zwarte rand van de Vrede van Breda. Een Atlantisch perspectief”, in: R. Kubben (ed.), Ginder in ‘t vreêverbont bezegelt. Essay over de betekenis van de vrede van Breda 1667, Breda, 2001.

www.johndebye.com/scheepsregisters/schip.htm

www.cultuursporen.nl/blog

www.raadvankerken.nl/fman/3455.doc

www.mappingslavery.nl