De makers van de machines

Van houtbewerking tot high tech

Cezoma

H.W. Ceelen & Zn. Machinefabriek (Cezoma), Helmond, foto Foto-atelier Prinses, 1945-1950, collectie RHC Eindhoven

Het verhaal achter de machines vertelt over een voortdurende zoektocht naar handigere en productievere apparatuur, van eenvoudige niet-mechanische hulpmiddelen tot computergestuurd.

De ontwikkeling van apparatuur voor het textielvak is een continu proces en is niet tot één periode of persoon toe te schrijven. De makers van de apparaten en machines zijn lange tijd onbekenden voor ons. De kennis en vaardigheden werden door verschillende culturen van elkaar overgenomen, namen van uitvinders zijn er niet. Zo weten we bijvoorbeeld niet aan wie het spinnewiel toe te schrijven is. Het spinnen met het grote wiel is ontwikkeld in het verre oosten, maar de ontwikkeling van het vleugelspinnewiel is een Europese aangelegenheid.

spinnewielen

Vleugelspinnewielen, 1750-1900, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum, 2019)

Vervolgens werd dit instrument van een voetaandrijving voorzien, een toevoeging die aan meerdere personen wordt toegeschreven onder meer aan de meubelmaker/houtsnijder Johann Jürgens te Wattenbüttel in 1530. De mate en snelheid van verspreiding van een nieuwe techniek met de daarbij behorende apparatuur hangt af van veel factoren. Vaak blijven verschillende technieken eeuwenlang naast elkaar bestaan, soms met ieder een specifiek toepassingsgebied. Ook is er regelmatig sprake van weerstand tegen de invoering van nieuwe, veelal arbeidsbesparende technieken. Maar in de regel zet een nieuwe techniek die geld en tijd oplevert zich door.

 

Van hout naar ijzer, van handkracht naar stoom

Het zwaartepunt van de wereldeconomie verplaatste zich in de nieuwe tijd naar Noordwest-Europa. In de achttiende eeuw werd Groot-Brittannië het centrum van de textielproductie en daar werd dan ook een hele reeks van uitvindingen gedaan. IJzer en - vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw - staal werden overvloediger beschikbaar. Deze materialen waren relatief goedkoper en vervingen bij de constructie van de machines geleidelijk het hout. Britse textielmachines werden toonaangevend in de wereld. De nieuwe apparatuur vond in de regel al snel verspreiding in de moderne textielindustrie, ondanks pogingen om de technische voorsprong exclusief Brits te houden. De overheersende positie van Britse machines en de Britse textielindustrie zette voor lange tijd een standaard. Zo werd stof bijvoorbeeld gemeten in yards en was Britse maatvoering, in plaats van het metrieke stelsel, maatgevend bij machines.

TMT001001394

Weefmachine en weefstoel van gietijzer, Tattersall & Holdsworth, Enschede, ca 1900, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum, 1964)

Katoen en wol, Brits en Belgisch

De katoenspinmachines kwamen rond 1800 naar Nederland door spinmeesters vanuit het Duitse achterland. Deze brachten hun eigen apparatuur (naar Brits voorbeeld) mee. Zoals de gebroeders Schophaus die zich in 1800 te Enschede vestigden. In Enschede en Eindhoven was een plaatselijke molenmaker verantwoordelijk voor de nabouw van de geïmporteerde spinmachines. Spinmeester Hendrik Bekker te Gemert vervaardigde zelfs zijn eigen stoominstallatie in 1829.

De Tilburgse wolindustrie bleef voor machines lange tijd georiënteerd op België. De eerste ‘kunstwerktuigen’ bij de spinnerij van Van Dooren & Dams in 1809, waren afkomstig van het atelier van William Cockerill jr. te Verviers. Zijn vader was als Britse mechanicus eind achttiende eeuw op het Europese vasteland beland en droeg daar bij aan de verspreiding van de nieuwe spin- en weeftechnieken. In 1812 beschikte de familie al over de grootste machinewerkplaats ter wereld.

Koning Willem I ontmoet de industrieel John Cockerill, 1829

Koning Willem I ontmoet de industrieel John Cockerill (broer van William Cockerill, Junior), 1829, collectie Rijksmuseum Amsterdam (Foto: Rijksmuseum Amsterdam)

De katoennijverheid werd lang beheerst door de Britse machine-industrie. Het ontwerp van veel Nederlandse katoenspinnerijen was afkomstig van Britse architecten. Bij de eerste mechanisering van de textielnijverheid, rond 1850, waren er pogingen vanuit de opkomende Nederlandse machine-industrie spin- en weefapparatuur te leveren, zoals de firma Schretlen te Leiden en de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij te Fijenoord, zonder blijvend succes. Amsterdamse bedrijven waren betrokken bij de inrichting van de eerste stoomweverijen in Twente. Een kalander van de firma Gebroeders Schutte uit 1857 (afkomstig van Menko) in De Museumfabriek te Enschede is daarvan een enkel bewaard gebleven voorbeeld. De Twentse textiel bleef op Groot-Brittannië georiënteerd. De (toekomstige) bedrijfsleiders maakten volop reizen hierheen, al dan niet via Nederlandse agentschappen. Daarnaast ontstond er in de tweede helft van de negentiende eeuw in Twente een eigen industrie voor de reparatie van textielmachines waarvan een enkele ook de eigen fabricage ter hand nam. De firma Tattersall & Holdsworth is daarvan een aardig voorbeeld. De Britse textieltechnicus John Tattersall vestigde in 1876 na een montageklus (samen met zijn Britse compagnon Holdsworth) een reparatie-inrichting in Enschede die uitgroeide tot een machinefabriek met eigen producten zoals sterkmachines.

TMT001100193

Briefhoofd firma Tattersall & Holdsworth, Enschede, 1930, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

Ook in Tilburg ontstonden kleinere machinefabrieken die specifieke apparatuur voor de wolindustrie leverden, zoals de in 1880 opgerichte smederij van August Bierens en Petrus van der Wegen. Toch bleef de Nederlandse textielnijverheid voor de benodigde apparatuur grotendeels afhankelijk van het buitenland. Nederland beschikte daarbij als open handelsland over een goed netwerk met vele gespecialiseerde agentschappen en vertegenwoordigers. Installatie en montage bleef veelal bij de buitenlandse leveranciers. In 1930 was de helft van de textielmachine-import van Duitse afkomst en verdrong daarbij de Britten van de eerste plaats. Bekende Duitse machinefabrieken waren onder meer Louis Schönherr en Rich. Hartmann uit Chemnitz.

TMT001100657

Briefhoofd firma Rich. Hartmann, Chemnitz, 1934, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

Na 1945

Mede door de naoorlogse opbloei van de Nederlandse textielindustrie kende de Nederlandse textielmachine-industrie ook een aanvankelijke groei in de breedte en omvang. Nieuwe bedrijven begaven zich op deze markt of groeiden uit. Opvallend is de groei in Zuidoost-Brabant, waar Cezoma (Helmond, later Uden) en Te Strake (Deurne) ook internationaal succesvol waren. Wel waren veel textielmachinebedrijven beperkt qua productiepakket en gespecialiseerd in een deel van het productieproces. Ook vestigden een aantal bedrijven uit de Verenigde Staten een filiaal in Nederland. Maar deze opbloei was van beperkte duur. Bedrijven of hun kennis (zoals de luchtweeftechnologie van Te Strake) werden overgenomen of gingen ten onder.

 

Bronnen

Faure, J.M.J., De fabricage van textielmachines in Nederland, De Textiel-Industrie 34 (1954), 86-91.

Gorp, P.J.M. van, Machinetechnische ontwikkeling in de laken- en wollenstoffenindustrie van Tilburg, De Tex 28 (1969), 476-483.

Rossel, Siebe, De mechanisatie van het spinnen in Enschede, in: Cotton mills for the continent / Red. Hermann Josef Stenkamp, Dortmund, 2005, 10-21.