Brabantse missionarissen in Nederlands-Indië

Het “groote” missie uur

koloniale missieweek

Een poster uit ... voor de missie in de Nederlandse koloniën. (Bron:

Op 17 augustus 1909 publiceerde het katholieke dagblad De Tijd een artikel over de Brabantse Missionarissen van het heilige Hart van Jezus (Missionari Sacratissimi Cordis Iesu - MSC). In het artikel ‘De Nederlandsche missien’ werd met verbazing geconstateerd dat er verhoudingsgewijs heel weinig Nederlandse MSC missionarissen naar de Nederlandse kolonie in de Oost werden gezonden terwijl Nederland een zedelijke schuld had te vervullen jegens haar kolonie.

Ondanks dat er sinds 1856 Nederlandse missionarissen werkzaam waren in Nederlands-Indië, werd de kolonie pas na de Eerste Wereldoorlog de meest populaire missiebestemming voor Nederlandse missionarissen. Deze periode waarin de missiebeweging en de missieijver in Nederland tot bloei komt, en waarin er aandacht komt voor de koloniale missies, werd door tijdgenoten ook wel aangeduid als “het groote missie uur” (1915-1940).

De Nederlandse MSC paters en broeders, in de Tilburgse volksmond lange tijd “Rooi Harten” genoemd, naar het flanel geborduurde hart dat ze op hun zwarte toog droegen, waren sinds 1880 in Brabant gevestigd. Tilburg was sinds 1889 de definitieve thuisbasis van de MSC die intrek hadden genomen in het door P.J.H. Cuypers (1827-1921) ontworpen en door de Tilburgse architecten De Beer gerealiseerde Missiehuis aan de Bredaseweg. Dit missiehuis werd de spil van de Nederlandse provincie, welke tijdens het “groote missie uur” vele paters en broeders zou uitzenden naar Nederlands-Indië. Maar zover was het nog niet in 1909, toen het merendeel nog uitgezonden werd naar de Amerikaanse, Duitse en Britse koloniën in Oceanië.

Bredaseweg 204 Tilburg, Missiehuis Missionarissen van het Heilige Hart van Jezus, Johan Bakker, Commons, 2015

Het voormalige missiehuis van de Missionarissen van het heilige Hart van Jezus in Tilburg in 2015. (Foto: Johan Bakker, Wikimedia Commons)

Een correspondent van De Tijd schreef in het artikel ‘De Nederlandsche missien’ van 17 augustus 1909:

“Hoe komt een Nederlands missiehuis [Tilburg] er toe van 26 missionarissen er 22 te zenden naar den vreemde [Filippijnen] en slechts vier ter bekering van Nederlandse onderdanen? Zou het missiehuis dan niet begrijpen welk een groot Nederlands belang het daarmede verwaarloost en dat er geen beter middel is ter bevestiging van ons gezag in, de Oost, ter bevordering tevens van beschaving en welvaart dan de verspreiding van de Christelijke godsdienst?”

Kortom, de correspondent verbaasde zich dat er aan de zedelijke plicht jegens de inheemse bevolking van Nederland-Indië geen gehoor gegeven werd. Niet aan de vreemde ongelovigen in kolonies van andere landen, maar aan de eigen onderdanen moest de voorkeur gegeven worden. De koloniale missies zouden op de eerste plaats gesteld moeten worden.

De Tijd 17 augustus 1909. Artikel over Missie

Een deel van het artikel in De Tijd van 17 augustus 1909. (Bron: Delpher)

Onderwijs en pastorale zorg voor Europeanen

Sinds 1856 waren er Nederlandse missionarissen van diverse ordes en congregaties actief in Nederlands-Indië. In de negentiende eeuw was verhoudingsgewijs slechts een klein deel van het totaal aantal Nederlandse missionarissen werkzaam in Nederlands-Indië. Daarnaast werkten de Nederlandse priesters, broeders en zusters díe aanwezig waren, uitsluitend onder de Europese bevolking.

De Jezuïeten die tot de komst van de MSC in 1902 de enige priesterorde in Nederlands-Indië waren, hadden hun werkzaamheden beperkt tot de pastorale zorg aan Europese burgers en militairen. Pater Marinus van den Elsen SJ, geboren in Gemert in 1822, was de eerste Jezuïet die in 1859 arriveerde in Surabaya. Omdat er in zijn ogen weinig gedaan werd voor de Europese kinderen, deed hij al snel na zijn aankomst een dringend beroep op de broeders van de Heilige Aloysius te Oudenbosch om een school voor Europese jongens te openen. Op 7 juli 1862 was het zover en werd de school van de broeders geopend, waarop zowel katholieke als andersdenkende kinderen zaten. Voor Europese meisjes hadden de Ursulinen en de Franciscanessen van Heijthuysen diverse scholen opgericht op Java.

Daarnaast waren deze Nederlandse missionarissen allemaal werkzaam op een ander gebied van de traditionele jeugdzielzorg, namelijk de opvoeding van het Europese weeskind. In West-Java waren er door de Vincentiusvereniging en de Sint Joseph stichting diverse weeshuizen gesticht waaraan de broeders en zusters werkzaam waren. In Semarang, op Midden-Java, stond het oudste katholieke weeshuis. Over dit instituut hadden de Franciscanessen sinds 1870 de leiding.

 

Beschaving en bekering van de inheemse bevolking

Aan het eind van de negentiende eeuw gingen er geluiden op in katholiek Nederland dat er veranderingen moesten komen in het Nederlandse missiewerk, dat tot dan toe internationaal van opzet en oriëntatie was. De koloniale missies moesten op de eerste plaats gesteld worden en tevens moest er in de kolonie meer aandacht komen voor de “steun aan de beschaving van de inheemse bevolking”. De beschavingsplicht jegens Nederlands onderdanen in de kolonie –afhankelijk van de levensbeschouwing die haar stelde “eereschuld” dan wel “zedelijke verplichting” genoemd–, moest ook door Nederlandse katholieken en specifiek de missionarissen vervuld worden. Zoals de Tijd op 7 mei 1895 schreef:

“De zedelijke schuld welke Nederland heeft aangegaan jegens Indië is ontzettend[…] het katholieke gedeelte van het Nederlandsche volk zou met alle kracht behooren mede te werken, om zooveel mogelijk goed te maken wat vroeger misdreven werd”.

De beschavingsplicht werd officieel tot onderdeel van het koloniale beleid gemaakt toen koningin Wilhelmina (1880-1962) in haar troonrede melding maakte van de Nederlandse plicht om als “christelijke mogendheid” de rechtspositie der ‘Inlandse’ Christenen beter te regelen en steun te verlenen aan christelijk zendingswerk, tevens “geheel het regeeringsbeleid te doordringen van het besef, dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen.” Met deze troonrede kreeg het beschavingsoffensief dat nauw verweven was met de Ethische politiek, ook een duidelijk religieus aspect. De inlossing van de ereschuld werd ingevuld door onder andere het financieren van (volks)onderwijs. Tegelijkertijd werd met dit koloniale beleid, onder het argument van ‘beschaving’, rigoureus ingegrepen in de traditionele samenlevingen. Ook door de katholieke missionarissen.

Rijckevorsel, johannes (Foto: onbekend, Stadsarchief 's-Hertogenbosch)

Pater Johannes van Rijckevorsel. (Bron: onbekend, Stadsarchief 's-Hertogenbosch)

Missie actie in Nederland: bevorderen van de missie in de Nederlandse koloniën

De bijdrage van Nederlandse missionarissen aan de bekering en beschaving van de inheemse bevolking bleef tot 1915 minimaal. In dat jaar echter, verscheen de brochure De Missie actie in Nederland van de hand van de in ’s-Hertogenbosch geboren jezuïet Leopold Maria van Rijckevorsel (1884-1955). Deze luidde het “groote missie uur” in. Met zijn brochure vestigde Van Rijckevorsel aandacht op het koloniale deel van de Nederlandse missietaken en probeerde hij net als de kort daarvoor opgericht Indische Missie-Vereeniging (IMV) de missie in de Nederlandse koloniën te bevorderen. Van Rijckevorsel schreef: “We hebben goud gedolven in den onuitputtelijke bodem van Insulinde maar wij gevoelen het onbehaaglijk eener schuld en zouden geestelijk goud willen terugschenken.”

Er moest gewerkt worden aan de beschaving en bekering van de Inheemse bevolking. Ook in deze volgorde. Eerst moesten de mensen worden beschaafd voordat er goede katholieken van gemaakt konden worden. Hierbij waren broeders en zusters die de scholen en ziekenhuizen oprichtten en bestierden en veelal door de overheid gesubsidieerd werden, van wezenlijk belang. In 1918 werd deze weg nog scherper uitgezet, toen de Nederlandse redemptorist kardinaal Willem Marinus Van Rossum (1854-1932) de prefect van de Propaganda Fide (Congregatio pro Gentium Evangelisatione) in Rome werd. De Propaganda Fide, in het Nederlands, de Congregatie tot Voortplanting des Geloofs, had als doel de missionering over de hele wereld te coördineren en te leiden. De prefect, de voorzitter van de congregatie, werd ook wel de rode paus genoemd. Van Rossum initieerde met zijn aantreden als perfect een nieuwe koers, die gericht op de verzelfstandiging van inheemse kerken en de opleiding van inheemse geestelijken.

MMUBMA01_000378009_00002_image

Een oproep voor jongens om missionaris te worden in ... (Bron:

Brabantse ordes en congregaties in Nederlands-Indië

De propaganda in Nederland, de missieactie en Kardinaal van Rossum wisten gezamenlijk vele Nederlandse orden en congregaties ertoe te bewegen een missiegebied aan te nemen, ook in Nederlands Indië. In 1940 waren er 570 priesters, 1860 zusters en 530 broeders van 58 verschillende ordes en congregaties werkzaam in Nederlands-Indië.

Vele van deze ordes en congregaties kwamen uit Brabant. Zoals de MSC missionarissen uit Tilburg, die sinds 1902 leiding hadden over het apostolisch prefectuur van Nederlands Nieuw-Guinea, waartoe ook de zuidelijke eilandengroepen in de Molukken behoorden. De broeders van Oudenbosch waren tot 1920 de enige broedercongregatie in Nederlands-Indië. In de jaren 1920 kwamen daar ook de Broeders van Huijbergen (1921), de Fraters van Tilburg (1923) en de Broeders van Dongen (1926) en de Broeders van Liefde (1929) bij. Reeds voor de start van het grote missie uur waren de Brabantse Zusters van Liefde van Tilburg (1885) en de zusters van Veghel (1906) al werkzaam in Nederlands-Indië. In 1920 kwamen de Dochters van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart daarbij. Zij werkten samen met de paters en broeders MSC in het vicariaat van Zuid Nieuw-Guinea. In datzelfde decennium kwamen ook de Franciscanessen van Dongen (1923), Franciscanessen van de H. Elisabeth Breda (1925), Franciscanessen van Charitas Roosendaal (1925), Zusters van Liefde van Schijndel (1927), Zusters van het H. Hart van Jezus uit Moerdijk (1927) en de Zusters van Julie Postel (1929) naar Nederlands-Indië. In de jaren dertig komen er wederom nieuwe zuster congregaties naar Nederlands-Indië om daar te werken in het onderwijs en gezondheidszorg. Uit Brabant komen Missiezusters Franciscanessen van de H. Antonius van Padua van Asten (1931), Dochters van Liefde van de H. Vincentius à Paulo (1931), Franciscanessen van Bergen op Zoom (1933), Missiezusters van het Kostbaar Bloed (1937), en Dochters van Maria en Joseph (Zusters van de Choorstraat) (1938).

De Duitse bezetting van Nederland en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië maakten een einde aan het “groote missieuur”. De geldstromen vanuit Nederland en de overheidsfinanciering door het Nederlandse koloniale bestuur kwamen stil te liggen. Tevens konden er geen nieuwe missionarissen meer gezonden worden, terwijl het leeuwendeel van de Nederlandse missionarissen in Nederlands-Indië, net als alle andere Europeanen werden geïnterneerd.

 

Bronnen

Derksen, M. "Onder Japanse bezetting. Nederlandse religieuzen op Java 1942-1945", in: Chris Dols, e.a. (reds.), Jaren van beproeving. Religieuzen en de Tweede Wereldoorlog, Hilversum, 2016.

Derksen, M., "Een koloniale missie: Zielzorg voor de Indo-Europeanen. De jezuïeten op Java 1859-1900", in: Tijdschrift Nederlandse Kerkgeschiedenis (jrg. 18, nr. 2, 2015), 73-79.

Dorren, G., Door de wereld bewogen: Geschiedenis van de Nederlandse Missionarissen van het heilig Hart (MSC), Hilversum, 2004.

Roes, J., Het grote missieuur 1915-1940: Op zoek naar de missiemotivatie van de Nederlandse katholieken, Bilthoven, 1974.

Steenbrink, K., en Steenbrink-Maas, P., Catholics in Indonesia, 1808-1942: A documented history. (Catholics in Indonesia, 1808-1942.), Leiden, 2007.

Koningin Wilhelmina, “Troonrede van 17 September 1901,” in: Troonredes, Openingsredes, Inhuldigingsredes 1814-1963 (Den Haag 1964). 

Vernooij, J., e.a., Life with a mission: Cardinal Willem Marinus van Rossum C. Ss. R. (1854-1932). (Trajecta Leuven), Leuven, 2011.

Willemsen, J., Nederlandse missionarissen en hun missiegebieden, Nijmegen, 2006.

"De Nederlandsche Missien", in: De Tijd (17-08-1909).