Een doodgewoon Brabants meisje

Bundelbindend AA 118042 (Bron: Openluchtmuseum)

Bindster die het graan met een aantal halmen tot schoven bindt. (Bron: Collectie Nederlands Openluchtmuseum, Inv.nr.: 118042, 1900-1930)

Ooit naar de stem geluisterd van een buurvrouw van 100 jaar geleden? Je weleens afgevraagd wie er vroeger langs jouw huis liep? Op de website van het Meertens Instituut zijn hun verhalen te beluisteren, zoals van dat meisje, geboren in 1895, ten oosten van Eindhoven. Ze vertelt over haar leven.

Verhuizing

Als jong meisje verhuizen ze van Mierlo naar een grotere boerderij in Brouwhuis. Een verhuisbedrijf is niet nodig. De buurtbewoners uit Brouwhuis komen hen halen met een gehuifde kar, versierd met papieren bloemen. Aan de voorzijde prijkt een krans met daarin een peperkoek voor moeder. Op de kar zitten alle meiden die onderweg elk café aandoen. Bij moeder aangekomen krijgen ze eerst koffie. Dan wordt hun hele huisraad op de kar gehesen, inclusief moeder en kinderen. De meiden gaan lopend terug en nemen ieder een koe mee naar de nieuwe boerderij. Het is winter, de dag is kort. De tocht duurt twee uur en het is al donker als ze eindelijk aankomen. ‘s Avonds schenkt moeder koffie voor alle nieuwe buren. Zo belandt ons meisje in Brouwhuis.

Jurk HM.2954 (Bron: Openluchtmuseum)

Wollen jurkje uit Eindhoven, voor een meisje van acht tot elf jaar. (Bron: Collectie Nederlands Openluchtmuseum, Inv.nr.: HM.2954, 1900-1925)


School

Met haar nichtje gaat ze naar school in Vlierden, een uur lopen. Op d’r klompen sjokt ze, in de winter door sneeuw, in de herfst door blubber en ’s zomers door mul zand. Elke ochtend om zes uur stappen ze samen de deur uit, weer of geen weer, met zijn tweeën door de bossen. Zo zijn ze net op tijd voor de kerk-mis van zeven uur. Vervolgens moeten ze om acht uur naar catechisatie, en dan begint om negen uur eindelijk de school. Op de terugweg, als het niet sneeuwt, doen ze tikkertje waarbij eentje in het paardenspoor moet blijven lopen. Zo vergeten ze de tijd.

Noordbrabants Dorpsleven AA 173015 (Bron: Openluchtmuseum)

Brabants meisje met koe. (Bron: Uitgeverij Weenenk & Snel, Baarn en Collectie Nederlands Openluchtmuseum, Inv.nr.: 173015, 1920-1940)

Verkering

Meiden en knechten komen op Sint-Pieter (22 februari) in dienst. De boer haalt ze op een kar, inclusief hun kist of kast met kleding. Aangekomen begint eerst de ontgroening. Een nieuwe meid moet daarbij door de jongens op een stoel worden vastgepind waarbij ze zich niet snel gewonnen mag geven. Als het hen lukt verdienen ze een fles jenever. Komt er een nieuwe knecht, dan moeten de meiden hem een paardenhaam om zien te hangen. De week daarop gaan ze naar Helmond, naar de markt en het café, op zoek naar verkering. Als de meid het zelf uitmaakt is dat een grote schande en volgt er een volksgericht: de buurt houdt een nepbruiloft.

Dorsers (AA 85473)

Het dorsen van graan met links een jonge vrouw. (Bron: Collectie Nederlands Openluchtmuseum, Inv.nr.: 85473, 1900-1930)

Met alle karren komen ze naar haar huis, toeterend op trekglazen van petroleumlampen. De bruid en de bruidegom worden, verbeeld als stro-poppen, bij haar huis in een boom gehangen.

Werk

Ze werkt dag en nacht. In de zomer keert ze het pas gemaaide hooi. Als het droog is harkt ze het op een hoop. Met een kar wordt het naar de boerderij gereden. Op de schelf, een laag zoldertje boven de koeien, tast ze het op en stampt ze het aan. In haar zware wollen en linnen kleding is het er midden in de zomer een hel, zo heet. Tijdens de oogst is ze bindster. De maaiers werken door tot ze niets meer zien. Zij moet daarna nog, dus in het donker, al het gemaaide graan tot schoven opbinden.

Ook al huren ze de boerderij, toch moeten ze zelf het dak onderhouden. Dat gebeurt met eigen roggestro. Als de graanoogst klaar is, zijn de aardappels aan de beurt. Die graaft ze op met een riek, doet ze in een mand en kuilt ze in. Buurmeisjes helpen hierbij en krijgen als dank een kom rijstepap. Het geoogste graan dorst ze samen met haar vader op de lemen vloer van de stal. Gedurende de herfst en de hele winter staat ze zo op een vast ritme met de vlegel te zwaaien. Er moet ook brood op de plank komen niet waar.

 

Eten

Ze eten alleen dingen die ze zelf verbouwen, iets anders kunnen ze niet betalen. Als ontbijt hebben ze zuurdesem roggebrood (mik), soms tarwebrood. Ze bakken eens in de week. Het deeg kneden ze met de voeten in een grote trog. Het brood sopt ze in een saus van uitgebakken spekvet en reuzel dat door het lange hangen geel is geworden. Maakt niet uit of het brood nu vers is of niet. Brood is niet hard, geen brood, da’s pas hard.

’s Middags eten ze aardappels met p’tazzie: zuurkool of Savoie kool. Of men eet erwtensoep en een halve streuf: een boekweitkoek met spek of vet als er geen spek is. Als het meezit drijft er een varkenspoot in de erwtensoep. Van de varkenskop wordt balkenbrij gemaakt. Vrijwel al het vlees van het zelf geslachte varken wordt gekookt en onder het zout bewaard.

Brabants dorpsleven AA 61705 (Bron: Openluchtmuseum)

Brabants gezin dat met alleen een lepel de maaltijd naar binnen werkt. (Bron: Ansichtkaart N.V. Uitg. Mij. Rembrandt, Collectie Nederlands Openluchtmuseum, Inv.nr.: 61705, ca. 1940)

’s Avonds is het weer aardappels, soms met sla en een saus van vet en het zoute kooknat van de aardappels. Moeder serveert het op één grote tinnen schotel waar ze samen van eten. Erbij drinken ze een grote kom gekarnde melk, die ze terugkrijgen van de fabriek, nadat de boter eruit is. Door die karnemelk gaat ook boekweitmeel.

Net als veel mannen is vader een stroper. Meestal vangt hij hazen. Die eten ze vrijwel nooit zelf. De hazen verkoopt hij voor een beetje geld voor het gezin. Één keer wordt hij gesnapt. Maar de bekeuring kunnen ze niet betalen. Vader moet drie dagen lang de gevangenis in, en dat alleen omdat hij voor zijn gezin probeert te zorgen.

 

Dood

Als een volwassene overlijdt, zorgt de buurt voor koffie en roggebrood met gezouten boter. Te voet, soms twee-drie uur lopen, stellen buurtgenoten verre familie ervan in kennis, fietsen zijn er nog niet. Overal waar ze komen krijgen ze koffie, een borrel of een sigaar. Als schoonvader overlijdt loopt haar hoogzwangere moeder van ’s ochtends zes tot negen uur, drie uur dus, naar de kerk-mis in Brouwhuis, alvorens eerst thuis de koeien te hebben gemolken.

In haar meisjestijd sterft geregeld de helft van de kinderen in een gezin. Ook haar broertje overleeft het niet. De meiden uit de buurt maken boeketjes van buxus met witte en blauwe bloemen van papier. Meisjes van zeven-acht jaar mogen de overgebleven bloempjes uitstrooien. Terwijl vader vooraan in de stoet het kistje onder zijn arm neemt, lopen ze naar de kerk, een uur gaand. "Een mis is niet nodig", zegt de pastoor. "Kinderen zijn engeltjes, die gaan toch wel naar de hemel."

 

Ook geïnteresseerd in oude stemmen uit jouw omgeving? Surf eens naar de dialectenbank van het Meertens Instituut (https://www.meertens.knaw.nl/ndb/). Wil je beleven hoe wij vroeger leefden? Kom dan naar het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem!

 

Bronnen

Meertens Instituut, Nederlandse Dialectenbank, Vlierden (Deurne, Noord-Brabant), opname 1.