De laatste Pauli's in Hilvarenbeek

geboorteakte Pieter Pauli

De geboorteakte van Pieter Pauli. Bij afwezigheid van de vader werd Pieter Pauli bij de burgerlijke stand aangemeld door zijn grootvader Jacobus Martinus Pauli. (Bron: Regionaal Archief Tilburg, Geboorteregister 1847, archiefnummer 908, inventarisnummer 5, aktenummer 36)

Petronella (Piet) Pauli werd te Hilvarenbeek geboren op 7 april 1822 als dochter van Jacobus Martinus Pauli (1789-1854) en Maria van Ammelrooij (1782-1872). Op haar beurt beviel Piet Pauli op 6 september 1847 in de veldwachterswoning aan de Wouwerstraat van een onwettige zoon die de naam Pieter (1847-1911) kreeg. Na de dood van hun ouders bleven Piet Pauli en haar zus Wilhelmina (Mijntje) (1824-1879) ongehuwd bij elkaar wonen. 

Door zijn functie genoot Jacobus Martinus Pauli nog enig aanzien in het dorp. Zijn dochters en kleinzoon leefden in ieder opzicht een marginaal bestaan. 

Gedurende hun hele leven woonden Piet en Mijntje op kosten van de plaatselijke diaconie. In de rekeningen van deze instelling is steeds sprake van “de Pouwlies”, die jaar na jaar een beroep deden op het armbestuur van de protestantse gemeente. Zo betaalde de diaconie spinloon aan de gezusters Pauli. Dit betekent dat zij zich bezighielden met het spinnen van koehaar, de kostwinning van de allerarmsten in Hilvarenbeek. 

In 1856 kreeg Piet Pauli kleding “om te gaan dienen in Eersel”. Voor haar zoon Pieter betaalde de diaconie jarenlang kostgeld aan een gesticht in Montfoort, waar hij met toestemming van zijn moeder geplaatst was. Piet Pauli bleek namelijk niet in staat om zelf haar kind te verzorgen en op te voeden. Later, vanaf 1863, betaalde het armbestuur een vergoeding aan een zekere Van der Voort in Hapert, waar Pieter Pauli, recht uit het gesticht, in de kost was gedaan. In Hilvarenbeek was besloten “tot plaatsing bij een landbouwer in de omgeving, nadat bleek dat de goede orde in het gesticht veel te wensen over liet” (R.A. Tilburg, Hervormde Gemeente Hilvarenbeek, nr. 17 notulen 1863-1911). 

Toen zus Mijntje op 14 januari 1879 in Hilvarenbeek overleed, woonde Pieter weer bij zijn moeder. Hij is dan timmerman van beroep. De diaconie verstrekte hem in 1870 al enig timmermansgereedschap, maar een vakman werd hij niet: “Hij verichtte alleen enige ruw timmerwerk bij de ingezetenen”.

 

Samenleving van moeder en zoon

Volgens burgemeester Verlinden waren moeder en zoon “niet in het volle bezit van hunne verstandelijke vermogens”. Ook bij de dorpelingen stonden zij bekend als “niet goed bij hun hoofd". Bovendien had Pieter een zeer lastig karakter, terwijl zijn moeder vaak in opgewonden toestand verkeerde; “Zij laat zich dan luidruchtig en op ongepaste wijze uit over personen en zaken zonder gegronde redenen". Mogelijk had hun negroïde uiterlijk er iets mee te maken dat de burgemeester de conclusie trok dat zij in het dorp vaak het middelpunt van spot zijn. Sommige spotters "scheppen er vermaak in om Pieter Pauli naar verschillenden zijden rond te zenden". (R.A. Tilburg, Gemeentebestuur Hilvarenbeek 1811-1935, nr. 1694 briefnr. 628 8 december 1880, idem briefnr. 753 9 februari 1882 en idem briefnr. 830 21 januari 1883)

In het najaar van 1879 kwamen "de Pouwlies" opnieuw in opspraak. Pieter leefde namelijk samen met een katholiek meisje, arbeidster Adriana Heeffer, en daarom weigerde de dominee om hem toe te laten tot het Heilig Avondmaal in de hervormde kerk. Een maand later ontzegde de kerkenraad hem zelfs het lidmaatschap van de hervormde gemeente. 

Het gerucht ging dat Pieter katholiek wilde worden, maar de pastoor was "weigerachtig". Hij vond Pieter ‘te min en te laag". Een jaar later was er toch sprake van een huwelijk tussen Pieter en Adriana, maar de trouwpartij ging niet door. De vader van de bruid weigerde zijn toestemming, ofschoon in mei 1880 de eerste twee huwelijksafkondigingen waren gedaan. In december van dat jaar was het huwelijk nog niet voltrokken. Toen weigerde ook de aanstaande bruid om met Pieter Pauli te trouwen.

 

De laatste jaren van de Pouwlies

Ondertussen hadden moeder en zoon Pauli al heel wat pekelzonden op hun geweten. Zij stonden terecht voor het stelen van zand en weerspannigheid tegen veldwachter Willem van Puijenbroek. Pieter had bovendien Gustavina Caroline de Apel geslagen en in haar zwerende vinger gebeten, en Jan van Ham uitgemaakt voor "bedschelm". 

Vanaf 1884 ging het steeds slechter van met de twee. Zij verkozen geruime tijd niet te werken, “zeggende en menende in hun waanzin dat zij te rijk zijn om zulks te doen, doch dat hunne kapitalen door het gemeentebestuur, de notaris of eenig voornaam ingezetene worden teruggehouden.” (R.A. Tilburg, Gemeentebestuur Hilvarenbeek 1811-1935 nr. 1694 briefnr. 904 15 april 1884, idem briefnr. 928 9 juli 1884, idem briefnr. 929 10 juli 1884, idem briefnr. 930 11 juli 1884). Zij waren voortdurend in verzet tegen het bestuur van de diaconie van de hervormde gemeente. Pieter Pauli "loopt steeds op zijne wandelingen met een zakpistool”, waarmee hij de postbode bedreigde. Hij was gevaarlijk en het ging van kwaad tot erger. 

In juli 1884 verbleven moeder en zoon wekenlang in de open lucht omdat zij door de diaconie gerechtelijk uit hun woning waren gezet. Zij kregen daarna een hut buiten de bebouwde kom van het dorp, maar waren hieruit na acht dagen vrijwillig vertrokken. Geneesheer Piet de Lang trok zich het lot van "de Pouwlies” aan en schreef een brief naar de commissaris van de koning waarin hij, in bedekte termen, sprak over mishandeling, wat de burgemeester tegensprak. Uiteindelijk is Pieter Pauli in 1884 opgenomen in het krankzinnigengesticht Coudewater te Rosmalen. Op 30 november 1885 was hij volgens de geneesheren voldoende hersteld om naar Hilvarenbeek terug te keren.

Zijn moeder is enkele jaren later, op 28 november 1887, in haar geboorteplaats overleden en op kosten van de diaconie begraven. Zoon Pieter leidde daarna een zwervend bestaan. Hij sliep in schuren en stallen en bleef het mikpunt van pesterijen. Opnieuw greep de overheid in. Pieter ging naar een kosthuis en de diaconie betaalde het kostgeld tot aan zijn overlijden op 1 januari 1911. Het leven van "de Pouwlies” in Hilvarenbeek is waarschijnlijk niet veel beter geweest dan dat van de Surinaamse tot slaaf gemaakt waar zij van afstammen.

 

Bronnen

Adriaenssen, L., "Elf generaties Moonen", in: Brabantse Leeuw (jrg. 29, 1970), p. 88.

De Brouwer, L., "Een Afrikaanse veldwachter in het begin van de vorige eeuw", in: Brabantse Leeuw (jrg. 45, 1996) p 129-133.

Van Gils, J., Hilvarenbeek onder de koningen. Een Kempisch dorp in de 19e eeuw, Hilvarenbeek, 2006, p. 168-170, 212-213.

Mol, T., Openbare orde en gezag, Twee eeuwen Goirle, deel IV (Goirle, 1989), p 21-22.

De Vries, W., "Een steigerend (Bles)paard", in: J. Meesters, Onze voorouders en hun werk (Amsterdam, 1971) p. 233-250.

RA Tilburg, Archief dorpsbestuur Hilvarenbeek 1392-1810, nr. 29 f 198v. 8 oktober 1795, idem nr. 32 f 277 19 maart 1806, idem nr. 5424 f 05.106 6.7 september 1808.

RA Tilburg, Archief gemeentebestuur Hilvarenbeek 1811-1935, nr. 1467a, ongedat., idem nr. 1468 ongefol. 1811, ongefol. 16 mei 1816, idem nr. 1469 f 4v. 5 november 1819, idem nr. 1470 f 34v.  15 januari 1852, idem nr. 1675 ongefol. 24 november 1820, idem nr. 1676 f 43 16 juni 1827, idem nr. 1677 f 49 23 juli 1840, idem nr. 1679 f 55 briefnr. 179 3 juni 1851, idem br. 1681 briefnr. 1338 10 december 1885, idem, nr. 1692 f 6v. 5 augustus 1845, idem nr.1713 ongefol. 31 maart 1826, idem nr.1714 ongefol. 5 juni 1827, idem nr. 1884, jaarverslag gemeente 1851, idem nr. 1694 briefnr. 628 8 december 1880, briefnr. 753 9 februari 1882, briefnr. 830 21 januari 1883, briefnr. 904 15 april 1884, briefnr. 928 9 juli 1884, briefnr. 929 10 juli 1884, briefnr. 930 11 juli 1884, idem nr. 1695 briefnr. 385 21 januari 1890, idem nr. 1778 18 juni 1891.

RA Tilburg, Bevolkingsregister Hilvarenbeek 1850-1860 A-D p 95, idem 1860-1890 A 125. 

RA Tilburg, Archief gemeentebestuur Oisterwijk 1811-1920, nr. 673 map Potters 6 februari 1834.

RA Tilburg, Archief van de Hervormde Gemeente Hilvarenbeek nr. 17 1863-1911, nr. 53 lidmatenboek, idem nr. 48 ongefol. 23 mei 1855, 12 juli 1857, 21 november 1858, 6 november 1859, 12 februari 1860, 14 september 1862, 8 oktober 1879, 11 december 1879.

BHIC ’s-Hertogenbosch, Archief Provinciaal Bestuur 1814-1920 nr. 395 18 april 1826, idem nr.874 26 februari 1838, idem nr. 7537 index op de resoluties van Gedeputeerde Staten van 1810 en 1811.

BHIC ’s-Hertogenbosch, Bestuursarchieven 1795-1814, nr. 18 ongefol. 4 mei 1796, idem nr. 134 f 105 21 april 1796.

BHIC ’s-Hertogenbosch, archief Rechtbank van Eerste Aanleg den Bosch nr. 816 20 september 1833, idem nr. 821 16 maart 1838.

BHIC ’s-Hertogenbosch, Archief arrondissementsrechtbank Eindhoven, nr. 38 rolnr. 4644 1 april 1862, idem nr. 47 rolnr. 5809 5 september 1867.

BHIC ’s-Hertogenbosch, Archief arrondissementsrechtbank ’s-Hertogenbosch nr. 145 rolnr. 29 9 maart 1882, idem nr. 151 rolnr. 33 8 februari 1883, idem nr. 166 rolnr. 20 6 mei 1884.