De vervolging van Brabantse Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog

Woonwagenkamp De Zwaaikom in Eindhoven. (Bron: Eindhoven in Beeld)

Woonwagenkamp De Zwaaikom in Eindhoven in 1937. (Bron: Eindhoven in Beeld)

Alle rechten voorbehouden

In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog is het leven voor de rondtrekkende Roma en Sinti in Nederland zwaar. Na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 laten de instanties de in Nederland wonende Roma en Sinti met rust. Systematische vervolging blijft vooralsnog uit. Maar dat zal niet zo blijven.

De nationaal-socialistische propaganda draait op volle toeren en verbreidt hun afkeer tegen “vreemd rassigen”, zoals Joden en zigeuners. Naast de verplichte registratie van de Joden in 1941 vindt er ook een registratie van alle woonwagenbewoners plaats. Op 29 maart 1943 verandert de situatie voor de Roma en Sinti helemaal. Het hoofd van de SS en de Duitse politie in Nederland, Hans Alvin Reuter, wil een einde maken aan het 'nomadenleven' in Nederland. Tijdens razzia's worden ongeveer 335 paarden van de Roma en Sinti geconfisqueerd. De paarden komen in handen van de Wehrmacht of worden door de Duitse bezetter verkocht aan boeren. Ook de wielen van de woonwagens worden in beslag genomen. Op 1 juli 1943 volgt er een reisverbod. Sinti en Roma moeten zich in een verzamelkamp vestigen of in een huis gaan wonen. Velen kiezen voor een huis en denken dat zij zo onder de radar kunnen blijven.

Telegram 16 mei 1944 oppakken zigeuners (Bron: Gelders Archief)

Telegram van 16 mei 1944 met de opdracht tot het oppakken van 'zigeuners'. (Bron: Gelders Archief)

Zigeunerrazzia

Op 14 mei komt er een telegram binnen bij de politiepresidenten in de steden Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Arnhem en Groningen. Volgens het bericht moeten “alle in Nederland verblijvende personen, die het kenmerk van zigeuners bezitten, door personeel van de Nederlandse politie onverwijld naar kamp Westerbork worden overgebracht”.

De landelijke razzia vindt plaats op 16 mei 1944, uitgevoerd door leden van de marechaussee, landwachten en de Nederlandse staatspolitie. In Eindhoven komen in de vroege ochtend van 16 mei 1944 twee vrachtwagens het woonwagenkamp De Zwaaikom op rijden. De bewoners van het kamp wordt gesommeerd om in hun woonwagen te blijven. Stiekem kijken zij door de gordijnen en zien hoe de negenjarige Settela Steinbach, samen met haar moeder, twee zussen, twee broertjes, een tante, twee neefjes en nichtje in vrachtwagens worden gesmeten. Het huilen en schreeuwen van de kinderen maakt een diepe indruk op de kampbewoners. In totaal worden in Eindhoven 21 personen opgepakt.

CR0335 Settela Steinbach 1

’Het meisje met de hoofddoek‘ Settela Steinbach kijkt door de deuren van de wagon naar buiten. (Bron: 1944, Herinneringscentrum Kamp Westerbork)

Alle rechten voorbehouden

In Helmond maakt men er haast mee en wordt de familie Hanstein om 03.00 's nachts van hun bed gelicht. Onder bedreiging van vuurwapens worden zij gedwongen om van het woonwagenkamp Scheidijk naar het politiebureau in de stad te lopen. Om 07.00 uur 's morgens worden zij op de trein naar Westerbork gezet.

De achtjarige Albert Hanstein en stiefbroer Karel Hendrik Groenhout uit Helmond. (Bron: Heemkundekring Helmont)

De achtjarige Albert Hanstein en stiefbroer Karel Hendrik Groenhout uit Helmond op een foto uit waarschijnlijk 1936. (Bron: Heemkundekring Helmont)

Alle rechten voorbehouden

Ook in ’s-Hertogenbosch gaat de Nederlandse politie voortvarend te werk: 51 personen worden opgepakt op het woonwagenkamp bij ‘de Sieb’ (afgeleide van Siberië). Ze worden lopend naar het station geleid. De trein staat daar al klaar en de Bossche zigeuners worden toegevoegd aan de arrestanten afkomstig uit het kamp in Eindhoven.


Westerbork

Vanuit heel Nederland komen Roma, Sinti en woonwagenbewoners per trein naar het Judendurchgangslager Westerbork.Tot ver in de avond vindt de registratie plaats. Van de 578 opgepakte mannen, vrouwen en kinderen heeft een aantal geluk. Ongeveer 200 woonwagenbewoners blijken toch niet tot te voldoen aan de kenmerken van een zigeuner en worden vrijgelaten. Ook mogen 50 Roma en Sinti het kamp verlaten, omdat zij in het bezit zijn van een neutraal paspoort uit Zwitserland, Italië of Guatemala.

Alle eigendommen, geld, sieraden, worden afgenomen onder het mom dat alles zal worden teruggegeven. Daarna volgt de 'medische keuring', 'ontluizing' en hun haar wordt afgeschoren. Ongeveer 245 Roma en Sinti, waaronder tenminste 123 kinderen, worden opgesloten in een afgezonderde barak, berooid, kaal en ontzet.

Op vrijdag 19 mei 1944 vertrekt het 96e treintransport met overvolle wagons uit Westerbork. Dit uitgaande transport, waarin zich ook de Roma en Sinti bevinden, wordt in opdracht van de kampcommandant Albert Gemmeker (1907-1982) gefilmd door de Joodse cineast Rudolf Breslauer (1903-1945) en deze opname staat bekend als de 'Westerbork film'. Uit deze film komt de bekende foto van Settela Steinbach, het meisje met de hoofddoek.

De lange trein bestaat uit drie delen. Het voorste gedeelte met Joodse 'gevangenen' heeft Bergen-Belsen als bestemming, de rest van de trein Auschwitz. In de achterste wagons worden de 245 Sinti en Roma opgesloten met één emmer water en één emmer om hun behoefte te doen.

De Zigeunerbarakken van Auschwitz op een luchtfoto van de RAF in 1944. (Bron: Royal Air Force)

In het geel de Zigeunerbarakken van Auschwitz op een luchtfoto van de RAF in 1944. (Bron: Royal Air Force)

Auschwitz

Op 21 mei 1944 arriveert het treintransport in Auschwitz-Birkenau. De Nederlandse Roma en Sinti worden geregistreerd, getatoeëerd en naar Lagerabschnitt B II, het Zigeunerlager, gebracht. Opmerkelijk is dat de families in het Zigeunerlager bij elkaar mogen blijven.Al snel wordt men zich bewust van de massamoorden, omdat het Zigeunerlager naast het crematorium ligt. In het zigeunerkamp heersen onvoorstelbare onhygiënische toestanden en vele mensen sterven aan vlektyfus, diarree of van de honger. Tussen eind mei en begin juli 1944 vinden er selecties plaats in het zigeunerkamp en veel mannen en vrouwen worden naar andere concentratiekampen overgeplaatst.

In verband met de verwachte aankomst van grote aantallen Hongaarse Joden worden alle achtergebleven Roma en Sinti met hun kinderen in de nacht van 2 op 3 augustus 1944 uit het Zigeunerlager gehaald en de gaskamers ingedreven. Het gaat er chaotisch aan toe. De mensen, ook kinderen, begrijpen wat hun te wachten staat en schreeuwen “moordenaars” en “verraders” naar hun Duitse bewakers. Hun dode lichamen worden in de open lucht verbrand, omdat de ovens buiten bedrijf zijn.

Van de uit Nederland gedeporteerde Sinti en Roma overleven slechts 31 personen de Holocaust. Volgens schattingen zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog meer dan een half miljoen Roma en Sinti vermoord. De Roma en Sinti hebben veel moeite moeten doen om hun vervolging, door hen Porajmos (verslinding) genoemd, erkend te krijgen.

 

Bronnen

Beckers, J., Me hum Sinthu: ik ben zigeuner: gesprekken met zigeuners over de vervolging in de periode '40-'45 en de jaren daarna, Den Haag, 1980.

Stichting O Lungo Drom, O lungo drom = De lange weg: een reizende tentoonstelling in woord en beeld, Rijswijk, 2019.