Verzet versus collaboratie

Petrus Haagen

Verzetsstrijder Petrus Haagen, schuilnaam 'Toni', werd in Vught gefusilleerd op 19 augustus 1944. (Foto: 1944, NIOD)

Het succes van de musical Soldaat van Oranje lijkt eindeloos. Middag aan middag en avond aan avond nemen meer dan duizend mensen plaats in een tot theater omgebouwde hangar in Katwijk. Het liedje ‘Als wij niets doen, wie dan?’ is een hoogtepunt van de show. "Doen of je neus bloed is God geklaagd", wordt er gezongen. Verzet was na mei 1940 heilige plicht: "Het is nu aan jou en mij, onze enige hoop zijn wij." Even hooggestemd is de titel van de tentoonstelling in de foyer van het theater: "Morgen is vandaag. Kun jij kiezen in oorlogstijd?"

Ook het Nationaal Comité 4 en 5 mei betrekt herdenken en nadenken nadrukkelijk op heden en toekomst: "Geef vrijheid door." Dat we in een democratische rechtsstaat leven is allerminst vanzelfsprekend. Daar moet je wat voor doen, aldus het Comité, en daarbij kan kennis van de Tweede Wereldoorlog inzicht en inspiratie bieden. Verhalen over onderdrukking en verzet kunnen volgens het Comité bijdragen aan de bezinning op vraagstukken van nu. Waarom gingen mensen in verzet? Wat kunnen wij daarvan leren?

 

Wit, zwart en grijs

Toen de Duitse troepen op 10 mei 1940 ons land binnen­vielen, was Wim Speelman een 21-jarige economiestudent die als dienstplichtig soldaat in Den Haag was gelegerd. Hij zag er op 14 mei de zuidoostelijke horizon roetzwart kleuren: de Luftwaffe legde het centrum van Rotterdam in de as. Een paar weken later al was Speelman drukdoende foto’s van de verwoeste binnenstad naar Londen te verzenden, samen met tekeningen van militaire vliegvelden die door de Duitsers in gebruik waren genomen. In september 1940 ging de gereformeerde domineeszoon het ondergrondse blad Vrij Nederland rondbrengen. Verzet was voor Speelman van­zelfsprekend. Onrecht moest worden bestreden totdat het recht weer zou zegevieren, ook al kon het je leven kosten.

Mensen als Wim Speelman vormden een hele kleine minderheid. De dominante houding was ‘aanpassing’. Honderdduizenden burgers zochten in de eerste bezettingszomer hun heil bij de Nederlandsche Unie, een beweging die pal zei te staan voor vaderland en volk - en daartoe ging samenwerken met het Duitse bezettingsregime. De Unie gaf stem aan de wijdverbreide wens "er het beste van te maken." Lid worden van de Unie was voor velen een daad van vaderlandsliefde. Maar zonder overtuiging en daadkracht voeren goede voornemens snel naar een hellend vlak. In juni 1941 besloot de Unieleiding, onder Duitse druk, Joden van kaderfuncties uit te sluiten. De grens tussen aanpassing en collaboratie kon verraderlijk dun zijn.

Verzetsgroepen kregen pas enige omvang in 1943, toen de vuist van de bezetter op de voordeur begon te bonken. ­Nederlandse mannen moesten in Duitse fabrieken gaan werken. Tienduizenden doken onder, met als gevolg dat verzet wat meer vanzelfsprekend werd, want al die mannen hadden een schuilplaats en voedsel nodig. Pas toen kwamen de LO en de LKP, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de daaraan gelieerde Landelijke Knokploegen, tot wasdom.

Niet dat onderduiken gewoon werd of dat aanpassing massaal werd afgezworen. In juli 1943 werd ook de twintigjarige Wim Aantjes voor de Arbeidseinsatz opgeroepen. Hij werkte op een postkantoor. De chef drong er bij hem op aan naar Duitsland te gaan, anders was een getrouwde collega de pineut. In Duitsland begonnen heimwee en gewetensnood aan Aantjes te knagen. En besloot hij tot een noodsprong: hij meldde zich bij de Germaanse SS aan. Die leidde niet voor militair werk op. De scholing vond in Nederland plaats. Eenmaal terug op vaderlandse bodem dacht Aantjes de benen te kunnen nemen. Het liep allemaal heel anders. Aantjes werd onder druk gezet om tot de Landstorm toe treden, ­onderdeel van de Waffen SS. Hij weigerde en kwam in een strafkamp terecht.

Anton Mussert en Hanns Rauter

Beëdiging door Anton Mussert en Hanns Rauter van leden van de Landstorm in ’s-Hertogenbosch op 17 oktober 1943. (G.H. Cino, 1943, NIOD)

De druk der omstandigheden kon keuzes bepalen, soms ook toeval. Nee, niet voor diehards als Wim Speelman en evenmin voor NSB-leider Anton Mussert. Maar tussen deze ­uitersten, het ‘wit’ van principieel verzet en het ‘zwart’ van collaboratie tot het bittere eind, gaapte een groot grijs ­gebied. Daar kon, in het geval van Aantjes, de overredingskracht van een kantoorchef het verschil maken. 

Of kon een treinmachinist besluiten op zijn post te blijven en mee te werken aan het wegvoeren van Joden omdat hij een gezin had te onderhouden? Of kon een gearresteerde verzetsstrijder, vastbesloten om de kaken op elkaar te houden, toch gaan praten omdat de Sicherheitsdienst dreigde zijn verloofde in een kamp op te sluiten?

En kon een politieagent, geboren en getogen in Ginneken, onder Breda, de naam hebben een verzetsman te zijn die zijn leven op het spel zette, maar ook bekend staan als een NSB’er die de Duitsers hand- en spandiensten verleende? Frans van Bilsen was in de zomer van 1942 de oprichter van het Tilburgse verzetsblad De stem van vrij Nederland. Een jaar later, augustus 1943, hielp hij twee uit kamp Haaren ontsnapte geheim agenten, slachtoffers van het Englandspiel, aan onderdak. Tegelijkertijd deed het verhaal de ronde dat Van Bilsen in 1941, toen hij als hoofdagent in Vlaardingen werkte, tot de NSB was toegetreden en een handlanger van de Sicherheitsdienst was. Naar eigen zeggen zou hij het NSB-lidmaatschap als dekmantel voor zijn ondergrondse werk hebben willen gebruiken. Hoe dan ook: bij de politie meende de ene collega dat Van Bilsen een goed vaderlander was, de andere beweerde dat hij ‘fout’ was. Begin 1944 werd Van Bilsen door het verzet geliquideerd, vijf dagen voor zijn 33e verjaardag. Verzetsheld of verrader? Of verzetsheld én verrader? Deze vragen wachten driekwart eeuw later nog altijd op een antwoord en dat zal waarschijnlijk wel zo blijven.

 

Wisselend beeld

De verhalen van verzet en collaboratie tonen een baaierd van beweegredenen en beslissingen, vaak even ondoorzichtig als ingewikkeld. En waar de geschiedenis moeilijk kenbaar is, komt de weg vrij voor beeldvorming, die vaak een spiegel van de tijdgeest is. Tijdens de eerste naoorlogse jaren vroeg de wederopbouw om vereende krachten en was de visie op de bezetting dienovereenkomstig: Nederland had zich kranig tegen de Duitsers verweerd. Punt. Dit was ook de teneur van het geschiedwerk Onderdrukking en verzet, dat tussen 1947 en 1954 verscheen. Zelfs aan de voormannen van de Nederlandsche Unie werden waarderende woorden gewijd. De ­oorlog raakte stilaan in de vergetelheid. De herinnering ­vergrijsde. Toen voormalig Unievoorman Jan de Quay, sinds 1946 commissaris van de Koningin in Noord-Brabant, in 1959 premier werd, reageerde de bevolking schouderophalend.

Loe de Jong

Links historicus Loe de Jong bij de overhandiging van het boek De Bezetting, wat gebaseerd was op de gelijknamige televisieserie van De Jong. (1966, Beeld en Geluid)

Een omslag voltrok zich na 1960. Loe de Jongs tv-serie De bezetting bracht de oorlog vijf jaar lang in de huiskamer. Het proces tegen Adolf Eichmann, de grote organisator van de Holocaust, en de publicatie van Jacques Pressers kroniek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (1965) maakten duidelijk dat de meeste ­Nederlanders tijdens de oorlog op hun handen hadden ­gezeten. Deze pijnlijke waarheid kreeg een eigen dynamiek tijdens de woelingen die de maatschappij na 1965 in de greep kregen. Polarisatie vierde hoogtij; het beeld van de bezettingsjaren verkleurde van grijs naar zwartwit. De voormannen van de Nederlandsche Unie werden in 1972 door Loe de Jong, in het vierde deel van zijn levenswerk Het ­koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, als wegbereiders van collaboratie neergezet.

Zes jaar later onthulde De Jong, live op tv, het oorlogsver­leden van Aantjes, leider van het CDA-in-wording. Diens ­carrière was geknakt, eigenlijk zijn hele verdere leven. Deze moeder aller oorlogsaffaires wordt wel beschouwd als het hoogtepunt van het zwartwitdenken over de bezettings­jaren, maar lijkt ook het begin van een omslag te zijn geweest. Vakgenoten hekelden De Jongs drieste optreden. Ook veel televisiekijkers hadden zich aan de publieke terechtstelling gestoord. Duizenden staken Aantjes per brief een hart onder de riem: "Je hebt fout gedaan, maar bent niet fout geweest." "Na zoveel jaren mogen dergelijke dingen niet meer opgerakeld worden." "Afschuwelijk zoals U door L. de Jong voor de leeuwen geworpen bent." Die ‘goed-fout-oorlog’ was de hunne niet.

In de no-nonsense-setting van de jaren tachtig werd hoog­leraar Hans Blom de stem van een nieuwe generatie historici die de oorlog niet langer door een morele bril bekeek. Het resulteerde in een aantal verhelderende studies, onder meer van Gerard Trienekens, die korte metten maakte met De Jongs conclusie dat vanaf 1943 schraalhans keukenmeester was geweest. Honger versus overvloed was een even ­simplistische tegenstelling als die tussen goed en fout. Van voedselnood was volgens Trienekens tot september 1944 geen sprake geweest.

Na de millenniumwisseling haalde historicus Chris van der Heijden een asgrijze blokkwast over de bezettings­geschiedenis. Slechts weinigen hadden gekozen; de meesten deden of hun neus bloedde. Van der Heijdens studie deed de nodige stof opwaaien, maar de kern van zijn betoog was in juni 1943 al door het verzetsblad Trouw verwoord: "De groote massa kent niet de bereidheid tot het offer." Dat wordt in een Katwijks theater al bijna acht jaar lang ‘God ­geklaagd’ genoemd. De realiteit is echter dat ‘aanpassing’ voor 95% van het mensdom de standaardhouding is. ­Vandaag, morgen, overmorgen.

 

Bronnen

Bolhuis, J. J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Arnhem en Amsterdam, 1947-1955.

Presser, J., Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, Den Haag, 1965.

De Jong, L., Het ­koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog deel 4, Den Haag, 1972.

Trienekens, G., Voedsel en honger in oorlogstijd: 1940-1945 misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht, 1995.

Van der Heijden, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam, 2010.

Bak, P., Een oord van bang wachten: Kamp Haaren 1941-1944, Hilversum en Tilburg, 2018.