De vitte van 's-Hertogenbosch op Schonen

Een nieuwe bekrachtiging van de handelsrechten van de Bossche vitte door de Deense koning in 1442. (Bron: Erfgoed Hertogenbosch, OSA 5702)

Een nieuwe bekrachtiging van de handelsrechten van de Bossche vitte door de Deense koning in 1442. (Bron: Erfgoed Hertogenbosch, OSA 5702)

Wie aan kolonies denkt, denkt wellicht aan zonovergoten oorden. Minder bekend is dat in de late middeleeuwen ook aan de Oostzee kolonies ontstonden, op het schiereiland Schonen in het zuidwesten van het huidige Zweden. Eén van deze aanvankelijk seizoensgebonden nederzettingen werd bevolkt door handelaren uit Den Bosch.

Stedelijke kolonies overzee

Het schiereiland Schonen in het uiterste zuidwesten van Zweden, destijds onder Deens gezag, was in de late middeleeuwen een van de belangrijkste handelscentra van Noord-Europa. Ieder haringseizoen trok het grote aantallen vissers maar ook handelaren aan. Deze handelaren, die voornamelijk afkomstig waren uit Hanzesteden, hadden per streek of stad achter het strand van Schonen elk hun eigen, juridisch autonome handelsnederzetting, een zogenaamde vitte.

Aanvankelijk waren dit seizoensgebonden handelsnederzettingen die gebruikt mochten worden voor de duur van de jaarmarkt, die in augustus begon en in november eindigde. De genoemde vitten of handelsnederzettingen groeiden in de late middeleeuwen uit tot miniatuurstadjes, kleine afspiegelingen van de moedersteden waaruit de handelaren afkomstig waren. Ze kunnen worden gezien als stedelijke kolonies overzee die in verschillende opzichten vergelijkbaar zijn met de funduqs en de fondacos aan de Middellandse Zee en met de Europese factorijen die later aan de kusten van Afrika, Azië en Amerika verrezen.

Twee kaarten van Schonen met de locaties van de vitten. (Bron: Louis Sicking)

Twee kaarten van Schonen met de locaties van de vitten. (Bron: Louis Sicking)

De vitten van de Zuiderzeesteden

Van de in totaal ongeveer dertig vitten van Hanzesteden op Schonen was de helft van de zogenoemde Zuiderzeesteden, zoals de Hanzesteden in het tegenwoordige Nederland destijds werden aangeduid. Ze vormden een groep steden die deel uitmaakten van het Hanzenetwerk. De oudste ‘Nederlandse’ vitten zijn die van Doesburg, Harderwijk, Nijmegen en Zutphen. Zij kregen in 1302 het privilege van de Deense koning om een vitte in te richten. Later mochten onder andere Zierikzee, Brielle en Amsterdam een dergelijke nederzetting op Schonen vestigen. In 1366 kreeg ook Den Bosch het recht om een vitte te stichten.

De vitten van de Zuiderzeesteden lagen bij het stadje Skanör, op het noordelijke deel van het schiereiland. De belangrijkste vitte bij Skanör was die van Rostock. De vooraanstaande positie van de Rostockse vitte kwam tot uiting in haar ligging. Deze grensde namelijk aan de westzijde aan de Travnegade, de hoofdweg naar de markt in Skanör, die tevens de verbinding vormde tussen de Deense en de Hanzekooplieden. De vitte van Kampen, die ten noorden van de Rostockse nederzetting lag, behoorde tot belangrijkste onder de vitten van de Zuiderzeesteden. Waar de Bossche vitte precies lag is niet duidelijk. Ze lag in de buurt van de vitte van Elburg die in twee veldjes was verdeeld waarvan er een bij de burcht van Skanör lag (Sicking, 2016, p. 48).

 

Bestuurlijke organisatie van de vitte

De voogd was de centrale figuur in de vitte, vergelijkbaar met een consul van een koopliedengemeenschap in den vreemde. De voogd was een stedelijke functionaris, de vertegenwoordiger van de stad of de handelaren van die stad in een vitte. Het takenpakket van de voogd was gevarieerd. Hij was verantwoordelijk voor wat we vandaag de dag binnen- en buitenlandse zaken en economische zaken zouden noemen. Ook was hij verantwoordelijk voor de rechtspraak, in het bijzonder voor kwesties tussen inwoners van zijn vitte. Deze kwesties konden volgens het in de moederstad geldende recht worden beslist, wat rechtszekerheid verschafte. Men was immers van de eigen rechtsregels het beste op de hoogte.

Aanvankelijk was de voogd eerst en vooral verantwoordelijk voor een groep mensen (het personaliteitsbeginsel), die op grond van herkomst tot de jurisdictie van de moederstad behoorden. Vervolgens kregen deze groepen kooplieden per stad van herkomst op Schonen een bepaald territorium toegewezen waarop elke groep een vitte kon bouwen. Dit hield ongetwijfeld samen met de beperkt beschikbare ruimte, met het streven naar controle over de eigen gemeenschap, en met het doel het naast elkaar leven van de verschillende stedelijke groepen zoveel mogelijk in goede banen te leiden, ter voorkoming van conflicten. Deze ontwikkeling naar territorialisering is ook te herkennen in het weinige dat bekend is over de Bossche aanwezigheid op Schonen.

De Gelderse steden Doesburg, Harderwijk, Nijmegen en Zutphen, en de Overstichtse stad Kampen hadden gemiddeld een halve eeuw eerder een vitte op Schonen dan de Hollandse en Zeeuwse steden en het Brabantse Den Bosch. Deze Hanzesteden aan de oostzijde van de Zuiderzee stelden hun eigen voogden aan. De graven/hertogen van Gelre (Gelre werd pas in 1339 een hertogdom), de bisschoppen van Utrecht, als wereldlijk heersers van het Sticht en het Oversticht, leken zich hierom niet te bekommeren. De hertog van Brabant en de graaf van Holland daarentegen gingen zich bemoeien met de vertegenwoordiging van hun onderdanen op Schonen. Zo verhief de laatste de voogd van de vitte van Zierikzee in 1355 tot vertegenwoordiger van alle Hollanders en Zeeuwen.

Een kaart van Schonen. (Bron: T. Liemburg, T. van Dodewaard, J. Wink en L. Sicking)

Een kaart van Schonen. (Bron: T. Liemburg, T. van Dodewaard, J. Wink en L. Sicking)

De Bossche vitte en de band met het hertogdom

In 1362 volgden de hertog en hertogin van Brabant door Den Bosch het recht te verlenen een voogd op Schonen aan te stellen. Deze kon de Bosschenaren aldaar berechten. Wel eisten de Brabantse vorsten een deel van het te ontvangen boetegeld op (Hoekx en Paquay, nr. 5699). Het jaar erop, in 1363, erkende de Deense koning de voorrechten van Den Bosch op Schonen (Hoekx en Paquay, nr. 5700). In 1366 verleenden de hertog en de hertogin van Brabant Den Bosch het recht om een vitte van de Deense koning te kopen en er jaarlijks een Bossche vertegenwoordiger, een voogd dus, aan te stellen (Hoekx en Paquay, nr. 5701). Vanaf dat jaar controleerde het stadsbestuur op bevel van de hertog de rekeningen van de voogd van de Bossche vitte op Schonen. De voogd werd door het stadsbestuur benoemd en vormde er een gerecht met vier bijzitters. De voogd ontwikkelde zich van de vertegenwoordiger van een groep mensen afkomstig uit één bepaalde stad tot de vertegenwoordiger van een groep mensen in een bepaald gebied, de vitte.

 

Het einde van de vitte

Hoe lang de vitte van Den Bosch heeft bestaan is niet duidelijk. In 1442 verleende de Deense koning een nieuwe concessie ten behoeve van de Bossche vitte. De Bossche voogd kon echter niet op tijd op Schonen zijn en daarom nam een burger uit Kampen de concessie in ontvangst. Dit is het laatst bekende gegeven over de vitte van Den Bosch (Hoekx en Paquay, nrs. 5702, 5703, 5704).

De haringmarkt van Schonen bereikte haar grootste bloei in de jaren volgend op de vrede van Stralsund in 1370. Terwijl de Deense koningen tot aan deze vrede een tegenwicht vormden tegen de macht van de zogenaamde Wendische steden onder aanvoering van Lübeck, kregen deze na 1370 meer gelegenheid om de concurrerende Zuiderzeesteden uit te sluiten van de handel op Schonen. Tegen deze achtergrond moet de opkomst van de eigen haringvisserij vanuit de Nederlanden in de late middeleeuwen worden geplaatst. Al gauw hoefden Bosschenaren voor haring niet meer af te reizen naar het verre Schonen maar konden ze deze verkrijgen in Vlaanderen, Zeeland en Holland. In de Sint Jan herinnerde het Olaf- en Caecilia-altaar met een afbeelding van de Noorse koning Olaf, de patroon van de Schonenvaarders, aan de Bossche nederzetting op het schiereiland.

 

Bronnen

Erfgoed Den Bosch, NL-HtSA Archiefnummer 0001 Stadsbestuur van 's-Hertogenbosch, 1262-1810, inv.nr. 5699-5704.

Hoekx, J., en Paquay, V., Inventaris van het archief van de stad 's-Hertogenbosch 1262 – 1810, 's-Hertogenbosch, 2004, 746-747, nrs. 5699-5704. 

Jahnke, C., "The medieval Herring Fischery in the Western Baltic", in: L. Sicking en D. Abreu-Ferreira (red.), Beyond the Catch. Fisheries of  the North Atlantic, the North Sea and the Baltic, 900-1850, Leiden en Boston, 2009, 157-186, 177.

Louis Sicking, "Zuiderzeestädte an der Ostsee. ‘Vitten’ und ‘Vögte’ – Raum und städtische Vertreter im spätmittelalterliche Schonen", in: Hansische Geschichtsblätter, nr. 134,  2016, 39-59.

Van Syngel, G., "De stedelijke secretarie van 's-Hertogenbosch tot ca. 1450", in: Noordbrabants Historisch Jaarboek, nr. 25, 2008, 12-45.

Zwart, C., "Zijaltaren als liturgisch venster op laatmiddeleeuwse samenlevingen. Altarenpatronen van vijf stedelijke parochiekerken uit de Noordelijke Nederlanden (ca. 1550) onderling vergeleken", in: Jaarboek voor liturgie-onderzoek, nr., 29, 2013, 289-329, aldaar 322.