Constant Cremer

Geboortedatum: | Sterfdatum:
Willem II 1907 met Constant Cremer

Constant Cremer op een elftalfoto van Willem II in 1907. De foto is ingekleurd door Jan van Oefelen. (Foto: Archief van Willem II)

Alle rechten voorbehouden

Constant Cremer (1886-1937) was meer dan een eeuw geleden als voetballer van Willem II de eerste donkere speler op de Nederlandse velden. Hoe kwam deze talentvolle jongen in Nederland terecht? Het levensverhaal van een ‘buitenstaander’ met een ongekend doorzettingsvermogen.

Constant (Jimmy) Cremer werd op 23 september 1886 geboren in Ango-Ango, een plaats gelegen aan de Congo-rivier in Belgisch Congo. Hij was zoon van Jan Willem Constant Cremer (1852-1889) en de Congolese prinses Sofie.

Op 26 oktober 1927 trad hij in Malang in het huwelijk met Petronella Berlauwt (1894-1990), dochter van Johan George Bisschoff Berlauwt (1856-1921) en een Javaanse vrouw genaamd Siti. Constant en Nellie kregen één dochter Constance (1928-2007). Constant Cremer overleed op 30 augustus 1937 in Batavia.

 

Gegoede familie

Hoewel zijn geboortehuis in Belgisch Congo stond, kwam Constant Cremer door geboorte in een bekende Gelderse familie terecht. Zijn niet zo verre oom Jacob Theodoor Cremer (1847-1923) was bijvoorbeeld een van de belangrijkste ondernemers in de tweede helft van de negentiende eeuw in Nederlands-Indië. Later werd hij zelfs nog Minister van Koloniën. Jacob Cremer was mede-grondlegger van het Koloniaal Instituut, later het Tropenmuseum in Amsterdam, dat overigens pas na zijn dood werd geopend.

De vader van Constant, Johannus Willem Constant Cremer, trad in 1872 in dienst van de Nieuwe Afrikaansche Handelsvennootschap (N.A.H.). Dit bedrijf handelde in palmpitten, ivoor, katoen, koffie en rubber. Zijn standplaats werd het aan de Congo-rivier gelegen Banana. Jan Cremer bleek een goed handelaar en handelde ook in Afrikaanse kunst. Enkele door hem verkregen kunstobjecten zijn nog te vinden in Artis en in de collectie van het Museum Volkenkunde in Leiden.

Constant Cremer als kind in Congo

Constant Cremer als kind in Congo ca. 1886. (Foto: Privé-archief Margreeth van der Harst, kleindochter van Constant)

Alle rechten voorbehouden



Opvoeding

In 1889 besloot Jan Cremer zijn zoon Constant op driejarige leeftijd voor zijn opvoeding naar Nederland te brengen. Helaas overleed vader Jan onderweg in Boma. De jonge Constant verbleef daarom tot zijn vijfde verjaardag noodgedwongen bij de consul Frederik de la Fontaine Verwey (1856-1940), tevens hoofdagent van de N.A.H. in Banana. In 1892 vertrok hij alleen naar Nederland. De familie Cremer (vader Jan had meerdere broers en zussen) besloot om de donkere Franstalige jongen onder te brengen bij Nicoline Ambagtsheer-Cremer (1845-1930). Zij was een zus van Jan en getrouwd met Jacob Ambagtsheer (1841-1919), magazijnchef bij de Werkplaats van het Staatspoor in Zwolle. Het gezin had een zoon, Alexander Jacob (1888- Jacob is vertrokken naar Nederlands-Indië, Palembang, hier loopt het spoor vast), die ongeveer even oud was als Constant. In 1898 maakte Jacob Ambagtsheer promotie en werd hij overgeplaatst naar de Centrale Werkplaats van het Staatsspoor in Tilburg. De beide neven gingen in Tilburg naar de lagere school, in de wijk Velthoven.

Opleiding

Op dertienjarige leeftijd werd Constant in 1898 in Breda ondergebracht bij de weduwe Johanna Gallay Sanders (1849-1923). De familie Cremer had een militaire loopbaan voor ogen, maar dat zag Constant niet zitten. Twee jaar later in 1901 kwam hij terug en ging hij voor de tweede keer bij zijn tante Nicoline wonen. Het zou niet voor het laatst zijn. Hij werd naar de Rijks-HBS gestuurd, gevestigd in het voormalig paleis van Koning Willem II (1792-1849). Hij behaalde in 1905 het getuigschrift van de driejarige HBS. Zijn rapportcijfer voor ijver was goed. Met uitzondering van enkele vakken zoals natuur- en scheikunde scoorde hij verder ternauwernood voldoendes. Op één vak scoorde hij heel hoog, namelijk gymnastiek. Talenten in dat vak zorgden voor aanzien bij klasgenoten.

 

Voetbal in Tilburg

Meer dan veertig jaar nadat de eerste jongens op de kostschool Noorthey in Veur (Zuid-Holland) kennis maakten met voetbal, verscheen ook in Tilburg de sport die al voor de Eerste Wereldoorlog uitgroeide tot de grootste volkssport van Nederland. De verspreiding van de Engelse sport volgde het moderniseringsproces van Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw. In dit transitieproces speelden innoverende persoonlijkheden, nieuwkomers en de toe-eigening van vooral uit Engeland afkomstige cultuurgoederen een belangrijke rol. Tilburg ontwikkelde zich rond 1900 tot een moderne stad, waar nieuwe fenomenen zoals voetbal en wielrennen in een relatief korte periode model stonden voor vooruitgang. Deze activiteiten werden, zeker bij jongeren, in hoog tempo populair en trokken veel actieve sporters en toeschouwers aan.

In 1896 besloot een aantal Tilburgse jongens tot de oprichting van Footballclub Tilburgia, in 1898 omgedoopt tot Willem II. In de eerste jaren waren vooral leerlingen van de Rijks-HBS lid van de matig presterende club. De vereniging stond bekend onder de weinig verheffende naam “de ballenschuppers”. Kinderen van de Tilburgse conservatieve, katholieke elite waren op de Rijks-HBS nauwelijks te vinden en daarom ook geen lid van Willem II. Alleen de leden van de protestantse fabrikantenfamilie Van den Bergh, ook behorend tot de elitaire bovenlaag, waren vooraanstaand lid van de club. Zij zorgden bijvoorbeeld voor het beroemde Tricoloreswedstrijdshirt en het eerste volwaardige voetbalstadion dat in 1906 gebouwd werd. 

De prestaties van de club verbeterden sterk na 1901. Onder voorzitterschap van Pius Arts (1881-1955), zoon van de uitgever van de Nieuwe Tilburgsche Courant Antoine Arts (1845-1926), groeide Willem II uit tot een van de belangrijkste voetbalclubs in Nederland met als hoogtepunt het landskampioenschap in 1916. Mede als gevolg van de goede prestaties nam het aantal voetbalclubs en voetbalveldjes in hoog tempo toe.

Voetballer 

In het seizoen 1903-1904 beschikte Willem II plotseling over een groep talentrijke voetballers. Het elftal werd zelfs Brabants kampioen. Een van die talenten was Constant Cremer. Hij had zich in 1901 samen met zijn neef Alexander aangesloten. De leerkrachten van de Rijks-HBS hadden niet zoveel op met de moderne Engelse sport. Zij meenden dat de schoolprestaties ernstig leden onder het voetballen omdat daaraan veel te veel tijd werd besteed.

Constant Cremer in het elftal van Willem II

Constant Cremer in het elftal van Willem II. (Foto: Archief van Willem II)

Alle rechten voorbehouden

De donkere, knappe jongeman uit Belgisch Congo, voor de gemiddelde Tilburger in deze tijd een exotisch uiterlijk, bleek een prima voetballer te zijn. De Tilburgers waren op de hoogte van zijn afkomst. Een wedstrijdverslag in de NTC meldt: “vooral Cremer was nu in de middellinie de man. Zo echt op zijn Congoleesch wist hij telkens Koreman, de vlugge, listige linksbuiten de bal afhandig te maken onder luid applaus van het publiek”. Maar dezelfde journalist noemde hem “de nikker’. Hij moest het niet van zijn werklust hebben, maar vooral van zijn techniek en tactisch inzicht. De sportverslaggever karakteriseerde hem als “goed maar lui, kan als hij wil heel goed presteren; een handige halfback”. Constant Cremer was, net als Willem II, populair in Tilburg.

 

Suikerindustrie

Toch moet het voor de populaire voetballer geen gemakkelijke tijd zijn geweest in Tilburg. De familie van de uit Belgisch Congo afkomstige wees had bedacht dat Constant Cremer met zijn belangstelling voor scheikunde (chemie) terecht kon in de suikerindustrie. Naar eigen zeggen wilde hij een opleiding aan de polytechnische school in Delft volgen, maar de familie stuurde hem naar de in 1893 aan de School voor de Suikerindustrie verbonden analistenopleiding in Amsterdam. Deze opleiding was zowel gericht op de suikerindustrie in Nederland als in Nederlands-Indië. Een belangrijk onderdeel van de cursus was de stageperiode. Constant liep als ‘volontair-chemiker’ onder andere stage op de NV Noord-Brabantse beetwortelfabriek Standaardbuiten.

Na het behalen van zijn diploma stond de deur van tante Nicoline in de zomer van 1907 voor de derde maal open voor Constant. Hij werkte in die periode als volontair/werkman op de Werkplaats van het Staatsspoor. Dezelfde werkplaats waar de Amsterdammer Gerard de Ruiter (1876-1933), mede-initiator van het voetbal in Tilburg, stage had gelopen. Die werkplaats is nu omgetoverd tot een van de belangrijkste gebouwen van Tilburg: de LocHal. Constant Cremer kon in deze periode weer voetballen bij Willem II. In een wedstrijd van de ‘oude-glorie’ (het elftal van 1904) tegen het eerste elftal van Willem II, gespeeld in de in 1906 geopende Tilburgse voetbaltempel, kon hij nog eenmaal zijn kwaliteiten laten zien. In april 1908 vertrok hij naar Java.

Willem II 1907 met Constant Cremer

Willem II in 1907 met Constant Cremer. De foto is ingekleurd door Jan van Oefelen. (Foto: Archief van Willem II)

Alle rechten voorbehouden

 

Nederlands-Indië

Op Java maakte Constant Cremer snel carrière. Aanvankelijk werkte hij als scheikundige op de suikerfabrieken in Petjangaän en Majong. Maar ambitieus als hij was, klom hij op tot fabricage-chef, tuingeëmployeerde en waarnemend administrateur op de suikerfabrieken Koning Willem II, Phaïton en Kebonagoeng

In Soerabaja behaalde hij in 1911 alsnog zijn suikersyndicaatsdiploma, het diploma dat hij in Delft niet kon halen. Zijn leidinggevenden schrijven in zijn aanbevelingsbrieven lovend over hem en noemden hem behulpzaam en ijverig, theoretisch en praktisch op zijn taak voorbereid, hem was nooit iets teveel.

Constant Cremer was zich zeer bewust van zijn afkomst. Het huis waarin hij op Java woonde heette Ango-Ango. Niet alleen in Nederland, ook in Nederlands-Indië viel hij tussen wal en schip. Hij was geen (Indische) Nederlander, maar ook geen "inlander". Zijn huidskleur verraadde zijn afkomst. Hij zal daarom niet alleen in Nederland, maar ook in Nederlands-Indië te maken hebben gehad met racisme en discriminatie. Bewonderenswaardig is daarom zijn doorzettingsvermogen zowel in opleiding en werk als op het voetbalveld.

 

Nieuwe carrière

In 1922 bezocht Constant Cremer voor de vierde keer zijn tante Nicoline, die op dat moment in Den Haag woonde. Door de wereldwijde depressie eind jaren twintig verloor hij in 1932 zijn baan en moest hij op 46-jarige leeftijd een nieuwe carrière starten. Via zijn contacten in de vrijmetselarij werd hij ambtenaar bij het Tucht- Opvoeding-, Reclassering- en Armwezen in Tangerang, in de omgeving van Batavia. Na een kort ziekbed overleed hij in 1937. De Java-Bode meldde dat een grote groep vrienden en kennissen hem begeleidde op zijn laatste reis, waaronder namens zijn werkgever E. Voorneman (1892-1947) die tevens burgemeester van Batavia was. Constant Cremer is begraven op het Laanhof kerkhof in het huidige Petamburan.

 

Bronnen

Archief Constant Cremer: in bezit van zijn kleindochter Margreeth van der Harst.

Kemmeren, M., “Friendly games, seriewedstrijden en matchen”, In: De Sportwereld 61-62 (2011), 13-22.

Kemmeren, M., “Constant Cremer, voetballer met Afrikaanse wortels”, in: Tilburg, Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur,  nr. 1 (2012), 12-17.

Nauright, J. and S. Wiggins, “Race”, in: Pope, S. and J. Nauright, Routledge Companion to Sport History, New York, 2012, 148-159.