Richard over werken in restaurant De Postkoets en zijn toekomstplannen

De ouders van Richard in Restaurant De Postkoets (Foto: Uitgeverij de Bode) Alle rechten voorbehouden

De ouders van Richard in Restaurant De Postkoets (Foto: Uitgeverij de Bode) Alle rechten voorbehouden

Richard, geboren in Veghel, werkt als gastheer in Restaurant de Postkoets. Dit restaurant bestaat al sinds 1995 in het monumentale postgebouw aan de markt in Roosendaal. In december 2020 vertelde Richard over zijn ervaringen in dit restaurant, over de toekomst van het restaurant en die van hem zelf.

Werken in mijn ouders restaurant  

“Een van de grotere momenten in dit restaurant is het vieren van het Chinees Nieuwjaar. Meestal krijgen we de maand ervoor al heel veel vragen zoals ‘vieren jullie dit jaar nog oud en nieuw?’ Op basis daarvan versturen we dan de uitnodigingen. Dat doen we altijd per post, we hebben een adressenbestand van de vaste gasten. Die uitnodigingen sturen we dan rond met het menuutje dat vier tot vijf gangen heeft. Het restaurant is die groot genoeg voor alle vaste gasten. maar, de reserveringen gaan altijd snel. 

De chefkok is mijn vader. Hij is wereldkampioen Chinese kok geweest, daar komen ook veel mensen voor. Tijdens het Chinees nieuwjaar hebben wij ook een wijnsommelier. Livemuziek hebben we zelfs, in het begin waren er meer ‘Chinese’ artiesten, maar die werden te duur. Op een gegeven moment gingen we over naar een Nederlandse artiest die de hele avond nummers zong en dat beviel goed. Zo’n avond duurde dan van 18:00, tot sluit

Als er iemand met een vrolijk gezicht aan het dansen is, dan geeft dat voldoening. Zeker als mensen aan het eind vragen ‘volgend jaar nog een keer?’ Het zijn die kleine momenten, dat maakt voor mij de horeca divers en elke dag anders.

Wij hebben weinig Chinese gasten hier, de vaste gasten zijn voornamelijk Nederlanders. Onze menukaart is wel iets anders dan het gemiddelde Chinese Indonesische restaurant, maar we zijn ook niet de Chinees Kantonese Dim Sum restaurants zoals je die in Rotterdam of Den Haag hebt. Heel veel Chinese ingrediënten gebruiken wij tegenwoordig niet meer. Die zijn in de eerste paar jaar verdwenen. Wij hadden wel veel Chinese producten, maar ze waren niet populair. Waarschijnlijk is het zo dat wat de boer niet kent, dat eet hij niet. Toen is het van de kaart gehaald; het verkocht niet goed. We moesten dan veel weggooien. Dat maakt het juist moeilijk. Sommige producten hebben we vervangen door iets wat mensen wel kennen: Chinese kool in plaats van boomoren of een mini loempia in plaats van gestoomd Dim Sum hapje.

 

Vooruitkijken naar een nieuw begin

Ik heb veel ervaring in de horeca. Ik werk al lang in het restaurant van mijn ouders. Daar ben ik goed in geworden en daar voel ik mij ook vertrouwd bij. Als ik ergens anders iets zou gaan doen, is de kans groot dat dat weer iets in de horeca zou zijn. 

Toevallig ben ik nu veel bezig met wat ik zelf zou willen doen als ik hier niet meer werk. Ik dacht erover na om misschien een noodle bar te beginnen, met Japanse Ramen misschien. Of, een Dim Sum restaurant, want ik mis dat echt. De laatste jaren is het aanbod minder en de kwaliteit slechter geworden, omdat wokrestaurants makkelijker zijn. De andere optie is Koreaanse barbecue. Ik houd altijd veel van eten. Ik heb qua cultuur daarin nooit echt vaste roots gehad.

Ik ben geen kok. Ik kan wel een beetje koken, een tijdje heb ik in de keuken gewerkt. Maar, ik heb twee linkerhanden en heb daarom al een paar keer goed in mijn vingers gesneden in de keuken. Ik houd wel van koken, maar niet van het commerciële. Ik ben meer een gastheer. Nu het restaurantgedeelte dicht is [red. door corona] kan ik mijn ding niet doen en daar baal ik wel van. Ik zit alleen achter de balie en mijn computer, af en toe loop ik om iets in te pakken, maar daar blijft het bij. Daarnaast doe ik nog wel inkopen, boekhouding en de schoonmaak. De dag komt wel nog vol, daar hoef ik niet bang voor te zijn.

Dit restaurant gaat waarschijnlijk sluiten. Op dit moment is dat nog niet honderd procent zeker, maar ben er wel zeventig procent van overtuigd dat we dicht gaan helaas. Het is een hele onzekere toekomst. Waarschijnlijk ga ik in mijn eigen restaurant dan niet zo extreem hard werken zoals mijn ouders dat hebben gedaan en zoals ik dat nu zelf ook doe. Dat extreem veel werken is niet goed voor je fysieke en mentale gezondheid. Ik wil wat meer rust hebben in mijn leven. De laatste vijf jaar heb ik wel zeven dagen in de week gewerkt. Met af en toe dan een of twee weken vrij, maar dat niet eens elk jaar. Een familiebedrijf is echt veel werken en daar moeten we keuzes in maken. Die keuze heb ik voor mijzelf in mijn hoofd al gemaakt.

 

Veel is mogelijk

Ik ben nog heel erg aan het twijfelen, de tijd begint nu wel te dringen. Horeca blijft het makkelijkst voor mij. Daarin heb ik veel gewerkt, veel ervaring opgedaan. Dat wil ik waarschijnlijk ook het liefst. Qua corona is horeca alleen een slechte branche om opnieuw in te stappen. Dat maakt het dus moeilijk. 

Of ik ga gewoon echt bij een baas werken, misschien met een webshop ernaast. Om dan even rust te pakken, kapitaal te sparen en alsnog een restaurant te gaan openen. Ik zie dat nog steeds als een ding dat ik wil. Nou niet persé een restaurant, maar meer een lounge-café/bar met een klein eetgedeelte. Horeca heeft nu wel klotetijden.

 

Ik ben nog steeds wel Brabander

Ik zou in een grote bruisende stad willen zijn. Ik houd van levendigheid en drukte. Eindhoven bijvoorbeeld. Ik ben nog steeds wel Brabander. Eindhoven is een stad waar ik van houd en regelmatig kom. In Roosendaal blijven is op zich ook niet verkeerd, ik ken hier veel mensen door dit restaurant, maar buiten dit restaurant zie ik die mensen eigenlijk amper. Misschien wil ik een nieuwe frisse start in een andere stad.”

 

Dit verhaal is een van de getuigenissen voorgekomen uit het project Chinese Brabanders in het Brabants Erfgoed. Hiervoor is Mika Kraft met allerlei Brabanders met een Chinese afkomst het gesprek aangegaan, om een verhaal uit hun leven uit te werken tot een artikel op www.brabantserfgoed.nl . Dit project is voortgekomen uit een onderzoeksstage bij Erfgoed Brabant vanuit de studie Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.