Kasteel Mierlo

Het kasteel van Mierlo op een pentekening van Jan de Beijer. (Bron: 1738, Noordbrabants Museum)

Het kasteel van Mierlo op een pentekening van Jan de Beijer. (Bron: 1738, Noordbrabants Museum)

Van het begin van de dertiende eeuw tot en met 1795 was Mierlo een vrije heerlijkheid. De lokale machthebbers, de heren van Mierlo, konden natuurlijk niet zonder een eigen kasteel. Net als andere Brabantse kastelen heeft deze lokale machtsbasis een bewogen geschiedenis.

De heren van Mierlo hadden vele rechten zoals de hoge en lage jurisdictie, het visrecht, het warande- ofwel jachtrecht, het molen- en het tolrecht, de cijnzen en de houtschat. Ze bezaten ook het gruitrecht en het recht van korweide. Het eerste had te maken met het brouwen van bier, op grond van het tweede was de bevolking van Mierlo verplicht om jaarlijks enkele dagen gratis voor de heer te werken. Ze bezaten grote boerenhoeven, de windmolen, grote percelen grond, de kerk en de parochie met bijbehorende tienden. Ze hadden een eigen leenhof en konden de dorps-en kerkbestuurders benoemen: in 1263 was een zoon van de Heer van Mierlo pastoor van de parochiekerk.

 

Kasteelbewoners

In de beginperiode verbleven de heren en hun familie waarschijnlijk in een van de grote hoeven, want van een kasteel was nog geen sprake. Wanneer het kasteel gebouwd is kunnen we niet aantonen, maar het vermoeden bestaat dat het al in de veertiende eeuw is gebouwd, waarschijnlijk in de tijd van de heren van het geslacht Dickbier. Deze waren rijk genoeg om in hun heerlijkheid een kasteel te bouwen. De eerste geschreven bron waarin het kasteel wordt vermeld, is het testament uit 1410 van Hendrik Dickbier.

Het kasteel was gebouwd in een bestaand vennetje, dat deels als gracht heeft gediend. Dankzij (pen)- tekeningen en kopergravures weten we hoe het kasteelcomplex eruit heeft gezien. De hoofdburcht zal aanvankelijk nog alleen uit de stenen woontoren (donjon) hebben bestaan. Hierop duidt niet alleen de algemene ontwikkeling van kastelen, ook de centrale ligging van deze toren ten opzichte van de voorburcht kan hiertoe aan aanwijzing zijn. Door de latere zuidelijke toevoeging van een woonvleugel kreeg het hoofdgebouw een asymmetrische ligging ten opzichte van de voorburcht.

litho kasteel mierlo

Een kopergravure van kasteel Mierlo door G. Bouttats naar een tekening van J. van Groes. (Bron: Collectie auteur)

De hoofdburcht bezat een zekere luxe want ze was voorzien van leien daken en er was ook mergelsteen, hardsteen en sierlijsten in en aan de muren verwerkt. In de hoofdburcht bevond zich ook de wijnkelder en de kerker. In de toren was een geselkamer aanwezig waar martelwerktuigen werden bewaard, deze werden tijdens de heksenprocessen zoals die onder Erasmus van Grevenbroeck (r. 1556-1617) in 1595 gevoerd zijn, daadwerkelijk gebruikt.

 

De voorburcht

In diverse geschriften wordt het kasteel omschreven als een imposant, hoog en massief gebouw dat omgracht was en voorzien van een voorburcht. Er was feitelijk sprake van een dubbele gracht omdat er zowel een gracht lag om het kasteel als om het hele goed, inclusief de voorburcht.

Om het kasteel te bereiken moest men eerst via een smalle stenen boogbrug naar de voorburcht en vervolgens via een ophaalbrug naar het kasteel. Vooral tijdens de heksenprocessen was dat praktisch want de inwoners van Mierlo waren toen geen gewaardeerde gasten op het kasteel. Veelal kwamen ze niet verder dan de poort in de voorburcht, zodat de heer en zijn gezin niet belaagd konden worden. Als ze al verder kwamen dan was dat gewoonlijk voor de kerker of geselkamer.

Tot de voorburcht behoorden de stalling voor paarden en koetsen, een kapel en de boerenhoeve, de Neerhuizinge genoemd. De officiële stichting van de kapel dateert van 8 juni 1475, omdat er de mis werd gelezen was de kapel een soort privékerk voor de heer. De rector van de kapel had dezelfde rechten binnen het kasteel als de andere dienaren en huisgenoten en genoot vrijheid van tol en andere heerlijke rechten. Op de plaats van de paardenstallen moest eerder al een gebouw hebben gestaan maar dat was door brand verloren gegaan door het afschieten van een roer.

Projectie van kasteel Mierlo in het huidige landschap

Een projectie van kasteel Mierlo in het huidige landschap. (Bron: 2018, HKMyerle)

De voorburcht was ommuurd en op drie hoeken voorzien van een toren. De bevoorrading ging via de gracht, hiervoor waren diverse hefboommechanismen aanwezig om goederen via de gracht te kunnen in- en uitladen.

De heerlijkheid is achtereenvolgend in het bezit geweest van de families:

  • ca. 1256 – 1334 Van Rode (van Mierlo)
  • 1334 – 1335 Van Langel
  • 1335 - 1356 Van Cuijk
  • 1356 - 1501 Dickbier
  • 1501 - 1518 De Swaef
  • 1518 - 1674 Van Grevenbroeck
  • 1674 - 1765 Van Scherpenzeel
  • 1765 - 1794 De Heusch

 

Verval en sloop

Toen in de zeventiende eeuw de heerlijkheidsrechten werden ingeperkt en na afkoop door de Mierlose bevolking van een groot deel van de heerlijkheidsrechten in 1617, werd Mierlo voor de heren minder interessant.

Vanaf dat moment bleek ook steeds vaker dat de heer niet meer op het kasteel woonde, maar zijn heil op een andere plaats zocht. In 1736 werd het kasteel, inclusief de hoeve, getaxeerd op 5.000 gulden en dat was evenveel als de windmolen van Mierlo. Dit bedrag geeft aan dat de bouwkundige toestand op dat moment al zeer te wensen overliet. Het kasteel raakte in de loop van de achttiende eeuw verder in verval, vooral nadat het na 1765 voornamelijk door pachters van het jachtrecht werd bewoond. De heerlijkheid leverde niet genoeg geld meer op om ingrijpende restauraties aan kasteel en bijgebouwen te ondernemen, alleen de hoogstnodige.

Enkele restauraties werden nog wel gedaan. In 1771 is een gedeelte van de leien op het dak van de hoofdburcht vervangen, maar dat was zover bekend de laatste grote onderhoudsactiviteit. De indruk wordt gewekt dat de heer van Mierlo het gebouw bewust liet vervallen. In 1795 werd het eerste gedeelte van het kasteel gesloopt, daarna werden andere delen in 1804 en 1809 afgebroken. De stenen, balken en andere bouwmaterialen werden openbaar verkocht, ook werden bouwmaterialen van het complex gestolen en verwerkt in andere gebouwen, waarschijnlijk in de omgeving van het kasteel. De hoeve bleef volgens de kadastrale kaarten nog lang bestaan omdat deze inkomsten opleverde.

 

De laatste heren en vrouwen van Mierlo

Nadat de heerlijke rechten op grond van de staatsregeling formeel werden afgeschaft, bleven de afstammelingen van de heren van Mierlo wel hun titel voeren maar daar waren vrijwel geen (financiële) voordelen meer aan verbonden. Toch bleven er nog wel enige heerlijke rechten bestaan, zoals het jachtrecht. De erfgenamen behielden nog lange tijd hun grote hoeven en uitgestrekte landerijen in Mierlo.

De laatste vrouwe van Mierlo was Leopoldina Louisa van Scherpenzeel Heusch (1834-1920), zij is in 1920 overleden. Daarmee kwam een einde aan bijna zevenhonderd jaar heren van Mierlo, van Roelof Rover van Rode tot aan de genoemde laatste vrouwe van Scherpenzeel Heusch. In de jaren 1934-1936 hebben nazaten de laatste bezittingen verkocht.

De kasteelpoort van kasteel Mierlo geschilderd door Schellekens

De kasteelpoort van kasteel Mierlo geschilderd door Schellekens (Bron: 1937, deelcollectie Topografisch Historische-Atlas)

Twintigste eeuw tot heden

In de eerste helft van de twintigste eeuw was van het complex bovengronds nog de restanten van de poort over. Deze poort heeft tot omstreeks 1948 als laatste overblijfsel bestaan, na een zware storm is deze gesloopt. De verlande en dichtgegroeide grachten waren een kleine wildernis met hazelaar en wilgen geworden.

Van de vroegere eigendommen van de heren van Mierlo rest nu alleen nog de windmolen en een kasteelboerderij, beide Rijksmonumenten. En het in 1732 gebouwde secretarijhuis dat, nadat het kasteel was gesloopt, tevens dienst heeft gedaan als logeeradres voor de familie en vrienden als die kwamen jagen. Het is in Mierlo ook beter bekend als het Jachthuis, een aantal jaren geleden is het totaal verbouwd, hoewel het wel zijn contouren heeft behouden.

De locatie van het kasteel ligt nog duidelijk als een verlaging (oud beekdal van de kasteelse loop) midden in een weiland. In 1990 is er door bureau RAAP een onderzoek gedaan, waaruit bleek dat er nog redelijk wat funderings- en muurresten in de grond aanwezig zijn. In 2014 heeft het totale complex de status van gemeentelijk monument gekregen. Omdat de gemeente de exacte ligging van de te beschermen locatie moest bepalen zijn er in 2015 en 2016 opnieuw onderzoeken gedaan. Het meest verrassende wat daaruit kwam is de mogelijke aanwezigheid van een tweede omgrachte voorburcht.

 

Weijerke

Tussen de kerk en het kasteelterrein ligt nog een vijver met een eiland dat ook heeft toebehoort aan de Heren van Mierlo. Het geheel is prachtig omzoomd met zomereiken als een tastbare aan een rijk verleden.

 

Bronnen

Coenen, J., Mierlo van oorsprong tot heden: een overzicht van de geschiedenis van Mierlo, Mierlo, 2004.

Van Bussel, H., Mierlo: sprokkelingen, zonder plaats, 1976.

Het heerlijkheid archief van de heren van Mierlo, het origineel is in het archief van Maastricht en bij Heemkundekring Myerle een kopie.

 

Voor meer informatie zie de website van Heemkundekring Myerle. Hier vindt u onder andere ook enkele video’s waarin het kasteel en haar bewoners tot leven komen.