De slag bij Baesweiler

Afbeelding van een Middeleeuwse veldslag uit de Keulse Kroniek. (Bron: Die Cronica van der hilliger Stat Coellen)

Afbeelding van een Middeleeuwse veldslag uit de Keulse Kroniek. (Bron: Johan Koelhoff, Die Cronica van der hilliger Stat Coellen, 1499, Wikimedia Commons)

In 1371 viel hertog Wenceslaus van Brabant het hertogdom Gulik, tussen Aken en Keulen, binnen. Nadat de hertog van Gulik Wenceslaus provoceerde door de Brabantse handel te belemmeren trok de Brabantse hertog plunderend door Gulik. De beslissende slag bij Baesweiler was er een met grote gevolgen.

Chevauchée

In 1366 benoemde keizer Karel IV (1316-1378) zijn broer Wenceslaus I (1337-1383), hertog van Brabant tot vicaris van het Heilig Roomse Rijk. Dit hield in dat Wenceslaus verantwoordelijk was voor het handhaven van de rust in het rijk. Deze positie bracht grote macht en grote kansen met zich mee. Wanneer er in de ogen van Wenceslaus inbreuk gemaakt werd op de rust en vrede in het Rijk, was hij gemachtigd om dit door militair ingrijpen op te lossen. Een uitgelezen kans om met zijn legers oostwaarts te trekken om de heersers daar te onderwerpen aan zijn wil.

Vijf jaar later greep Wenceslaus de kans om zijn macht in het oosten te vergroten. In 1371 werden Brabantse kooplieden op Guliks grondgebied beroofd door plunderende Engelse huurlingen. De hertog van Gulik, Willem II (1327-1393), weigerde om deze huurlingen hiervoor te straffen en nam zelfs enkelen van hen in bescherming. Wenceslaus kon deze ‘ordeverstoring’ niet ongestraft laten. Daarnaast was dit zijn een overtreding van de landfriede, een soort vredesakkoord, die in 1364 tussen beide hertogen gesloten was. Er restte de Brabantse hertog niets anders dan met militaire macht verhaal en compensatie te halen in Gulik.

Het hertogdom Gulik (Jülich) in de veertiende eeuw.

Het hertogdom Gulik (Jülich) in de veertiende eeuw. (Bron: Allgemeiner historischer Handatlas

De hertog ondernam een chevauchée, een kleine expeditie op buitenlands grondgebied. Dat was een veelgebruikte tactiek in de middeleeuwen. Een heer had dan slechts een beperkt aantal troepen nodig, waarmee hij zijn vijand voldoende schade kon toebrengen zonder zelf al te veel verliezen te leiden. Slechts die vazallen en huurlingen die in korte tijd een groot ruiterleger op de been konden brengen werden opgeroepen. Voor Wenceslaus waren dat onder andere de graaf van Namen en enkele Hollandse edelen, die de Brabantse zaak steunden.

Het Brabantse leger bestond verder uit een internationaal gezelschap van huurlingen en telde ongeveer 2500 soldaten. De grote aantallen ruiters leenden zich niet voor een uitgebreide belegering. Wenceslaus trok al plunderend over het platteland en ontregelde hiermee de regio, net zo lang totdat de vijand hem in het open veld tegemoet trad. Deed deze dat niet, dan verloor de lokale heer de steun van zijn eigen bevolking.

 

Baesweiler in de kronieken

Toen Wenceslaus hoorde dat de vijand onderweg was beval hij zijn troepen om het kamp op te slaan in de buurt van Baesweiler, ongeveer 15 kilometer ten noordoosten van Aken. Om fris op het slagveld te verschijnen konden zijn troepen nog wel wat rust gebruiken. Over de gebeurtenissen op de 22e augustus van het jaar 1371 zijn niet alle bronnen het eens. Over de uiteindelijke Brabantse nederlaag, kon echter niet meer overeenstemming bestaan.

Volgens de kroniek van Jean Froissart, geschreven aan het einde van de veertiende eeuw, verraste hertog Willem de Brabanders met zijn aanval. Terwijl de Brabanders ‘s ochtends een mis hielden, vielen de Gulikers onverwacht het kamp binnen en veroorzaakten grote paniek. Hierdoor wist de hertog van Gulik met zijn bondgenoten de Brabantse overmacht te verslaan en vele edelen te doden of gevangen te nemen. Hertog Wenceslaus was echter wel een opdrachtgever van Froissart. Dat de goddeloze Gulikers de vrome hertog tijdens de mis verrasten neigt dan ook wel heel erg naar het goedpraten van een gênante nederlaag.

Johanna en Wenceslaus.jpg

Hertogin Johanna en Hertog Wenceslaus. (Bron: Adriaan van Baerland, Rerum gestarum a Brabantiae ducibus gestarum historia, 1526, Wikimedia Commons)

Boek VI van de rijmkroniek Brabantse Yeesten, voltooid in 1432, is ook geschreven vanuit Brabantse zijde. Dit zesde boek is echter niet meer geschreven door Jan van Boendale, maar door een nieuwe “voortzetter”, waarschijnlijk Wein van Cottem. Deze voortzetter was een hertogelijke ambtenaar die waarschijnlijk al voor de dood van hertogin Johanna in dienst van de hertogen was. Hoewel de opdrachtgever van het boek waarschijnlijk gezocht moet worden in het Brusselse stadsbestuur, deed deze schrijver wel zijn best om de Brabantse hertogen zo positief mogelijk daglicht te stellen. Zo wordt de schuld voor de nederlaag bij Baesweiler niet bij de hertog zelf gelegd, maar bij enkele van zijn raadgevers, waaronder Reinoud van Schoonvorst die niet op verwachte versterkingen wilde wachten.

Deze kroniek vertelt hoe de Brabanders en Gulikers elkaar op het open veld tegemoet traden. De Brabanders streden dapper en wisten een groot deel van het Gulikse leger zelfs op de vlucht te jagen, nadat hertog Willem gevangen genomen was en hertog Eduard I van Gelre (1336-1371) was omgekomen. De achterhoede van het Gulikse leger wist daarna echter de troepen die de vluchtende soldaten achtervolgden te doden, hun hertog te bevrijden en hertog Wenceslaus gevangen te nemen. Hierop gaf de rest van de Brabantse troepen zich over.

Ten slotte is er nog een versie die in twee Duitse kronieken naar voren komt. In de Limburger Cronic uit ca. 1400 en de Cronica von der hilliger stadt Coellen uit 1499 spelen de Geldersen een doorslaggevende rol. De Brabanders waren aan de winnende hand, toen hertog Eduard van Gelre met zijn leger ten tonele verscheen. De strijdkreet "Gelre! Gelre! Gelre!" wist ook de vluchtende Gulikers te inspireren en met hernieuwde krachten wisten zij samen de Brabanders te verslaan. De auteur van de Limburger Cronic, was ten tijde van de slag als keizerlijk notaris actief in het hertogdom Limburg. Hoewel ook deze auteur actief was in Brabant, het hertogdom Limburg was een eeuw eerder aan Brabant toegevoegd, en in dienst was van Wenceslaus’ broer, gaat het wel om een tijdgenoot die op de juiste plek en in de juiste kringen vertoefde.

De historicus Sergio Boffa stelt dat uit de kroniek van Froissart en de Brabantse Yeesten de eerste de meest waarschijnlijke is. Volgens hem is het relaas in de Brabanste Yeesten doorspekt met vaakgebruikte verhaalelementen (topoi) en verslaat het dus geen echte veldslag. Froissart’s verhaal verklaart de nederlaag echter door een laffe aanval van goddeloze Gulikers tegen de vrome hertog, wat niet verrassend is gezien het feit dat Froissart en Wenceslaus elkaar goed kenden. Het lijkt het meest aannemelijk te zijn dat de Brabanders in eerste instantie aan de winnende hand waren en in hun overmoed verrast werden door verse troepen. Het kan hier dan inderdaad gaan om een Gelders regiment, dat als achterhoede voor de Gulikers fungeerde. Op deze manier past het gebeurde binnen zowel de verhalen uit de Limburger Cronic als de Brabantse Yeesten, die onafhankelijke van elkaar in ongeveer dezelfde tijd geschreven zijn.

 

Desastreuze gevolgen

De uitkomst van de slag is echter in elk verhaal hetzelfde. De Gelderse hertog vond de dood en Wenceslaus werd met vele edelen gevangen genomen. Dit had grote gevolgen voor de politieke situatie van het Brabantse hertogdom. Niet alleen liep het prestige van de Brabantse hertogen een enorme klap op, ook moesten zij enorm aan macht inboetten. Hertog Wenceslaus wist zijn vrijheid te verkrijgen dankzij tussenkomst van de keizer, maar voor vele edelen gold dit niet. Hertog Willem van Gulik eiste een grote som losgeld voor de vrijlating van de Brabantse edelen en de hertogelijke schatkist was nagenoeg leeg. Om het geld bij elkaar te krijgen klopte hij bij de steden aan voor een bede. De steden, die in zijn afwezigheid een front gevormd hadden om hun belangen te verdedigen, wilden de hertog enkel steunen in ruil voor de bevestiging van het Charter van Kortenberg uit 1312. Hiermee pakten de steden een groot deel van hun macht, die ze in de Brabantse successieoorlog verloren hadden, weer terug.

Ook groeide de macht van zijn concurrent, de hertog van Gulik, enorm. Doordat Eduard van Gelre de dood vond en enkele maanden later ook zijn broer en erfgenaam kinderloos stierf, kwam de hertogstitel van Gelre beschikbaar. In ruil voor de vrijlating van zijn broer Wenceslaus schonk de keizer deze titel aan de zoon van de hertog van Gulik. Na de dood van hertog Willem II, kwamen de hertogdommen Gelre en Gulik dus samen in een persoon. In plaats van zijn macht in het oosten te vergroten had Wenceslaus een nieuwe machtige vijand gecreëerd, hertog Willem I van Gelre en Gulik (1364-1402).

 

Bronnen

Bacha, E, La chronique Liégeoise de 1402, Brussel, 1900.

Boffa, S., Warfare in medieval Brabant 1356-1406, Woodbridge, 2004.

Delbrück, H., Das Mittelalter, Berlijn, 1907 (Geschichte der Kriegskunst in Rahmen der politischen Geschichte, III).

Govaerts, S., “‘Mannen van wapenen’: The Baesweiler campaign and the military labor market of the county of Loon in the fourteenth century”, in: Viator (jrg.47, nr. 3, 2016), 297-342.

Houthuys, A., Middeleeuws kladwerk. De autograaf van de Brabantse yeesten, boek VI (vijftiende eeuw), Hilversum, 2009.

Kervyn de Lettenhove, M., Chroniques de Froissart. Tome XIII, Osnabrück, 1967.

Koelhoff the younger, J., Die Cronica van der hilliger Stat Coellen, Keulen, 1499.

Rice, T., A study of Froissart’s Meliador, Toronto, 1954.

Van Uytven, R. (red.), Geschiedenis van Brabant, van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

Nijhoff, I, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland. Tweede deel, Arnhem, 1833.

Verbruggen, J., The art of warfare in Western Europe during the middle ages. From eight century to 1340, Suffolk, 1997.

Willems, J. F. en Bormans, J., Les gestes des ducs de Brabant en verses Flammands du XVe siècle, deel 2, Brussel, 1843, 501-642.

Wyss, A., Kritische Erörterungen über die Limburger Chronik, Marburg, 1875.

Wyss, A., Die Limburger Cronik des Tileman Ehlen von Wolfhagen herausgegeben von Arthur Wyss, Hannover, 1883 (Deutsche Croniken und andere Geschichtsbücher des Mittelalters, IV).