Het eerste boek over gokverslaving

Kaft Turcq Gokken Alea

Titelblad van het boek. (Bron: Cornelis van Dalen, 1642, Rijksmuseum Amsterdam)

In 1560 schrijft arts Pascasius Justus Turcq (1518 (?) - 1587 (?)) een boek over de gevaren van het dobbelspel. Gokken is in zijn tijd populair aan zowel de koningshoven als in de huizen van de rijke adel waar men zich luidruchtig vermaakte met speelplanken, dobbelstenen en speeltafels.

Als remedie schrijft Pascasius een therapie voor die ervoor moet zorgen dat het verstand weer zegeviert over de passie, zodat de geest tot rust komt. Het boek is geschreven in het Latijn en de titel is De Alea, sive de curanda ludendi in pecuniam cupiditate (= Over het dobbelspel of de genezing van de verslaving om geld te spelen). Het boek wordt eerst gedrukt in Bazel en later in Frankfurt en Amsterdam.

 

Afstomping, losbandigheid en geweld

Het titelblad laat geen misverstand bestaan over de rampzalige gevolgen van dobbelen. Enkele edellieden gaan volledig op in het spel. Hun domheid wordt geïllustreerd door een aap op de voorgrond. Uit het raam hangt een wellustige vrouw en op de achtergrond zijn mannen in een gevecht verwikkeld: afstomping, losbandigheid en geweld zijn de vruchten van het dobbelspel.

Turcq baseert zich op de klassieke temperamentenleer van Aristoteles en Galenus. Volgens hem komt dwangmatig gokken voor bij het sanguïstische menstype dat gekenmerkt wordt door hoge verwachtingen van het leven en een opvliegend en melancholiek karakter.

 

Een element van de duivel

In de zestiende en zeventiende eeuw vloekte men aan het speelbord niet slechts uit woede over verlies, maar men vond er een groot behagen in meesterlijk te vloeken en talentvol te schimpen. Pascasius noemt de speeltafel daarom een element van de duivel.  vertelt dat, toen hij eens aan een geroutineerde speler verklaarde nooit te vloeken, deze hem antwoordde: ‘Dan mist u een groot genoegen’.

Hij vertelt ook dat hij op een reis door Spanje dikwijls in herbergen kwam, waar hij met moeite een middagmaal of proviand kon krijgen voor het vervolg van zijn reis, maar dat hij nooit in een dorp kwam waar geen kaarten te vinden waren. Dit is trouwens niet zo gek in een land waar een koopman van koning Karel V voor tien jaar het monopolie van kaartenverkoop kreeg en die als een schatrijk man uit Spanje vertrok dat hij arm binnengekomen was (Singels, 1895).

 

De Odysseus van de Nederlanden

Het boek draagt Pascasius op aan Maximiliaan van Bourgondië, commandant van de Vlaamse vloot, omdat deze zich bij een ontmoeting in Spanje uiterst vriendelijk heeft opgesteld. Verder roemt Turcq de wijsheid van koning Philips omdat hij Maximiliaan tot opperbevelhebber heeft benoemd. Aan de bevelhebber schrijft Pascasius dat hij nu reeds achttien jaar ononderbroken in het buitenland verblijft, eerst in Spanje en daarna in Italië. Inmiddels wil hij dolgraag terugkeren naar zijn vaderland, maar hij vreest dat zijn familieleden hem niet meer zullen herkennen, zoals ook Odysseus ooit moest ervaren. Om toch een tastbare herinnering aan zijn buitenlands verblijf over te houden, heeft hij dit boek geschreven.

Het boek is waardevol in zijn ogen omdat het onderwerp, de verslaving aan het dobbelspel, nieuw is en omdat het waarschijnlijk velen kan helpen. De versie van 1642 bevat een biografische schets van Boxhorn die veel informatie geeft over het leven van Pascasius. Volgens hem was Pascasius zelf verslaafd aan het gokspel en was dit boek vooral een middel om zichzelf te genezen (Van Houdt, 2008).

 

Standaardwerk

De Alea is het eerste boek over gokverslaving en wordt eeuwenlang beschouwd als een standaardwerk op het gebied van speelzucht en verwerft daarom een zekere faam (Van Houdt, 2008). In 1686 verschijnt in Parijs een boek over het spel van een Franse geleerde die te kennen geeft dat hij veel geleerd heeft van het boek van Turcq. Honderd jaar later schrijft een andere geleerde iets dergelijks in een studie over de hartstocht voor het spel.

Tot ver in de negentiende eeuw wordt het nog gelezen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een passage in een boek van de  Amerikaanse journalist en folklorist Leland dat hij 1892 schrijft. Hij wil iets opzoeken over de rol van speelkaarten bij de Romeinen en verzucht dan: “Here again I regret not having by me my copy of Pascasius Justus de Alea--a little Elzevir which I well remember buying in my sixteenth year with my only shilling.” (Leland, 1892).

Een exemplaar van het boek bevindt zich tegenwoordig in de universiteitsbibliotheek van Amsterdam. In 1995 wordt het nog vanuit het Latijn in het Duits vertaald en uitgegeven door de universiteit van Salzburg in het kader van een studie naar de rol van het spel door de eeuwen heen (Petersmann, 1995).

 

Bronnen

Elaut, L., “Paschasius Justus Turcq. Een zestiende-eeuws speelziek jonker en medicus uit Eeklo, lijfarts van de markies van Bergen-op-Zoom”, in: Brabantia 1 (1952), 194-208.

Leland, C., Etruscan Roman remains in popular tradition, Londen, 1892.

Petersmann G., “Vorwort zum Reprint “Pascasius Iustus””,  in: Homo ludens. Der spielende Mensch 5, München/Salzburg, 1995.

Singels, N., “Speelkaarten”, in: De Gids 59 (1895), 508-538.

Thiers J., Traité des Jeux et des Divertissements, Qui peuvent être permis, ou qui doivent être défendus aux Chrêtiens selon les regles de l'Eglise et le sentiment des peres, Parijs, 1686.

Van Ham, W., Macht en gezag in het markiezaat. Een politiek-institutionele studie over stad en land van Bergen op Zoom (1477-1583), Hilversum, 2000.

Van Houdt, T., “Healing words. Ancient rhetoric and medicine in Pascasius Justus’ treatise Alea sive de curanda ludendi in pecumiam cupiditate (1561)”, in: Res publica litterarum 18 (2008), 3-16.