Robin Hoeks

Christiaan Snouck Hurgronje

Islamoloog en adviseur van kolonel Van Heutsz

Snouck Hurgronje jong, onbekende maker en datum, Commons

Een jonge Christiaan Snouck Hurgronje (Foto: onbekend, Wikimedia Commons)

Christiaan Snouck Hurgronje was een Nederlandse pionier van de wetenschappelijke studie van de Islam. Hij was een van de belangrijkste adviseurs van het Nederlandse Ministerie van Koloniën geweest, maar raakte aan het einde van zijn leven steeds verder geïsoleerd. Bovendien is de naam Snouck Hurgronje in Indonesië vandaag de dag nog meer beladen dan die van Joannes Van Heutsz (1851-1924), de militair die Atjeh hardhandig onder Nederlands gezag bracht.

Familie

In het midden van de negentiende eeuw wordt de oudoom van Christiaan Snouck Hurgronje in de adel verheven door koning Willem II. Zelf was Christiaan niet van adel. Hiervoor moesten de overige familieleden verheffing in de adelstand aanvragen. Bij vlekkeloos gedrag werd dit meestal eenvoudigweg toegekend, maar dat was nou net het probleem.

Sinds 1849 had Jacob, de vader van Christiaan Snouck Hurgronje en predikant in het Zeeuwse Tholen, namelijk een verhouding met Anna de Visser, de dochter van een collega. Deze ‘sociale schande’ op zichzelf was al voldoende om adelsverheffing tegen te houden, maar ondertussen was zijn eigenlijke vrouw zwanger van haar zesde kind. Dit hield Anna en Jacob niet tegen en ze weken uit naar Engeland. Daar trouwden ze in 1855, nadat Jacob’s vrouw in Nederland was overleden.

Uiteindelijk werd Jacob in 1856 weer toegelaten tot de Hervormde Kerk, waar hij eerder uit was gezet. Hierop streek het tweetal neer in het Brabantse Oosterhout, waar Jacob weer predikant werd. In 1857 werd Christiaan geboren, hun vierde kind en enige zoon. Anna moest uiteindelijk tot 1867 op haar rehabilitatie met de Hervormde Kerk wachten.

Hervormde Kerk Oosterhout, Johan Bakker, 2017, Commons

De Hervormde Kerk in Oosterhout waar de vader van Christiaan Snouck Hurgronje predikte. Het is een Napoleonskerk uit 1810. (Foto: Johan Bakker, 2017, Wikimedia Commons)

Opleiding

Christiaan Snouck Hurgronje volgde in Breda de Hogere Burgerschool, met klassieke talen. Dit bereidde hem voor op zijn studie Letteren en Theologie aan de Universiteit van Leiden. Hij legde zijn kandidaatsexamen af in de Theologie, waarna hij zich specialiseerde in het Arabisch en de Islam.

Snouck Hurgronje en medestudenten, 1878, Bernardus Brunning, Universiteitsbibliotheek Leiden

Christiaan Snouck Hurgronje en medestudenten in 1878. (Foto: Bernardus Brunning, Universiteitsbibliotheek Leiden)

Hij promoveerde in 1880 op het proefschrift Het Mekkaansche Feest. Dit bevatte historisch-kritisch onderzoek naar de Hadj, de pelgrimstocht naar Mekka die een verplichting is voor alle gezonde moslims die rijk genoeg zijn om de reis te ondernemen. Onder de stellingen die Snouck Hurgronje verdedigde bij zijn promotie was ook een open sollicitatie aan het koloniaal bestuur van Nederlands-Indië:

“waar in Nederlands-Oost Indië de hadji's [hadj-gangers] een nadelige invloed uitoefenen op de bevolking, daar behoort men zo gestreng mogelijk de bepalingen toe te passen, ook met het doel het aantal Mekkagangers te doen verminderen.”

De open sollicitatie is eigenlijk een tweesnijdend zwaard. Allereerst is het, net als zijn gehele proefschrift, een uiting van een klaarblijkelijk diepe wens van Snouck Hurgronje om naar Mekka te trekken. Tegelijkertijd speelt hij met de stelling slim in op de angsten voor terugkerende hadj-gangers die spelen bij alle Europese koloniale mogendheden die Moslimbevolkingen besturen.

 

Hadj-angst in Nederlands-Indië

De angst voor fanatieke hadj-gangers die terugkeerden naar de Europese koloniën bestond al een tijd. Aan het begin van de achttiende eeuw werd er binnen de Verenigde Oostindische Compagnie al voor “sodanige swervers” gewaarschuwd. Aan het eind van de negentiende eeuw bereikte deze angst onder Europese koloniale bestuurders een hoogtepunt. De Britten kampten met een religieus-geïnspireerde opstand in het huidige Soedan, de Fransen hadden soortgelijke problemen in hun Noord-Afrikaanse koloniën en in Nederlands-Indië voerden Nederlandse legers een verwoede strijd met het sultanaat Atjeh, waar islamitische geestelijken olie op het vuur gooiden.

In de negentiende eeuw werd ook voor het eerst onderzocht wie men nu precies onder de duim hield in de koloniën. Het was de Nederlandse koloniale bestuurders opgevallen dat de Indonesische moslims ‘anders’ waren dan Arabische moslims. Ze trokken de conclusie dat Indonesische moslims slechts oppervlakkig islamitisch waren en dat daaronder nog hun lokale, primitieve religieuze gebruiken schuil gingen.

Gezien het religieus-geïnspireerde verzet in de Britse en Franse koloniën vonden de Nederlandse bestuurders dat ook wel prima. Zij moesten immers met een beperkt aantal een miljoenenbevolking van moslims onder controle houden. Het leek ze het beste die miljoenen moslims maar niet al te veel ‘echte’ islamitische denkbeelden op te laten doen, overgebracht door bijvoorbeeld terugkerende hadj-gangers. Het zou ze maar eens inspireren in opstand te komen!

 

Mekka

Snouck Hurgronjes aanbevelingen en open sollicitatie vielen in vruchtbare aarde. Hij kreeg in 1884 de gedroomde opdracht van het Ministerie van Koloniën. Hij diende naar Mekka te reizen en zich daar te mengen onder de Indonesische hadj-gangers.
Snouck Hurgronje had een uitstekende dekmantel: hij sprak Arabisch, kon zich dankzij zijn promotie overtuigend presenteren als een neutraal wetenschapper en had een uitgebreide kennis van de Islam in het algemeen en de ‘plichtenleer’ (Fikh) binnen de Islam in het bijzonder. In de Fikh worden de verplichte en aanbevolen leefregels van Moslims en moslimgemeenschappen beschreven. De Hadj is hierin een belangrijk element.

Foto Djeddah Snouck Hurgronje, Tropenmuseum, 1884

Een foto van een aantal Atjehse Mekkagangers in Djedda, gemaakt door Christiaan Snouck Hurgronje in 1884. (Foto: Tropenmuseum Amsterdam)

Omdat hij geen moslim was en de stad verboden gebied is voor niet-moslims, kon Snouck Hurgronje niet direct naar Mekka. Hij vestigde zich dus in de loop van 1884 in het Nederlandse consulaat in Djedda, in het huidige Saoedi-Arabië. Hier presenteerde hij zich als portretfotograaf en bouwde zo een netwerk. Om nog minder op te vallen kocht hij tevens een Ethiopische slavin. Dit was gebruikelijk in Mekka. Officieel om voor het huishouden te zorgen, maar feitelijk waren ze concubines van hun meester.

Op 1 januari 1885 verliet Snouck Hurgronje echter het Nederlandse consulaat om elders in Djedda te gaan wonen. Enkele dagen later liet hij zich besnijden en sprak hij, vermoedelijk, de Islamitische geloofsbelijdenis uit die van hem, in theorie althans, moslim maakte. Nu stond niets zijn tocht naar Mekka meer in de weg. In februari maakte hij daar vervolgens de rituele zevenvoudige ommegang rond de Ka’aba en terwijl hij er was, maakte hij een van de eerste fotoseries van de heilige stad.

Na vijf maanden moest hij halsoverkop uit Mekka vertrekken, nadat het gerucht was verspreid dat hij uit was op antiquiteiten. Desalniettemin had Snouck Hurgronje ruim voldoende materiaal, zowel voor aanbevelingen aan het Ministerie van Koloniën, als voor een aantal wetenschappelijke publicaties die volgden in de jaren na zijn verblijf in Mekka.

Foto Mekka Snouck Hurgronje, 1885, Commons

Met een camera in een knoopsgat maakte Christiaan Snouck Hurgronje ook in Mekka enkele foto's. Hier is de Ka'aba zichtbaar, met het plein ervoor. (Foto: 1885, Wikimedia Commons)

Nederlands-Indië

Ook deze keer voegde Snouck Hurgronje een open sollicitatie toe aan het belangrijkste werk over zijn verblijf in Mekka, het in het Duits geschreven boek Mekka (1888). Hij adviseerde het bestuur van Nederlands-Indië te trachten de sympathie te winnen van terugkerende hadj-gangers. Lukte dat niet, dan moesten ze onschadelijk gemaakt worden.

Wederom had zijn sollicitatie succes. Het Ministerie van Koloniën stuurde hem namelijk in 1889 naar Java. Hier nestelde Snouck Hurgronje zich in het sociale leven, dat werd gemakkelijk gemaakt doordat hij zich als geloofsgenoot kon presenteren en ondertussen ook de lokale talen had geleerd. Al snel werd hij beschouwd als een ‘grootmoefti’ (islamitisch schriftgeleerde) van het koloniale bestuur.

Om zijn positie nog sterker te maken trouwde hij met de zeventienjarige dochter van een Indonesische regent die aan hem uitgehuwelijkt werd. Met haar kreeg hij vier kinderen, waarna ze in 1896 in het kraambed van de vijfde overleed. Hierop sloot hij een nieuw huwelijk uit de lokale elite, ditmaal met een dertienjarig meisje. Beide huwelijken hield hij angstvallig geheim voor de Nederlandse bestuurders in Nederlands-Indië en voor zijn vrienden in West-Europa.

 

Atjeh

In 1891 kreeg Snouck Hurgronje de opdracht de onrustige regio Atjeh te bereizen en te bestuderen. Hij verbleef er een half jaar en schreef een lijvig verslag van zijn bevindingen, inclusief aanbevelingen voor maatregelen die de regio steviger in Nederlandse handen moesten brengen.

Tafereelen uit den oorlog met Atchin : voor de jeugd / Julius van B....R, 1875, Deventer, Koninklijke Bibliotheek

De Atjehoorlog (1873-1914) was een verwoede strijd tussen Nederlandse troepen en de bewoners van Atjeh. Al meteen werd propaganda voor de oorlog gemaakt, waarin de bevolking zwart werd gemaakt. (Bron: Julius van B....r, pseudoniem van J. van Balen, Tafereelen uit den oorlog met Atchin: voor de jeugd, 1875, Koninklijke Bibliotheek)

Het meest berucht is wel Snouck Hurgronjes advies om de “actief vijandige partij (...) zeer gevoelig te slaan”. Hij was inmiddels volledig voorstander van hardhandig militair optreden tegen de religieus-geïnspireerde bendes die zich verzetten tegen onderwerping aan Nederland. Hij zag ook dat een deel van deze bendes vooral bestond uit opportunisten die wellicht zonder geweld aan de Nederlandse zijde te krijgen waren. Dit hardhandig optreden moest gevolgd worden door het herstellen van het vertrouwen in het de koloniale bestuurders door het stimuleren van handel, nijverheid en landbouw.

Deze voorgestelde breuk met de Nederlandse politiek in Atjeh, die tot dan toe vooral afwachtend was geweest, viel bij de koloniale bestuurders in eerste instantie niet in goede aarde. Het zou namelijk enorm duur worden. Pas een aantal tegenslagen in de strijd en de benoeming van een andere gouverneur-generaal zorgden ervoor dat Snouck Hurgronjes adviezen vanaf 1896 werden overgenomen.

 

Kolonel Van Heutsz

In deze jaren rees ook de ster van kolonel Joannes van Heutsz (1851-1924). Tijdens de gevechten in Atjeh had Van Heutsz zich onderscheiden en bleek hij een voorstander van de lijn van Snouck Hurgronje. Die ijverde dan ook voor de benoeming van Van Heutsz tot militair en civiel gouverneur van Atjeh, een post die de laatste in 1898 ging bekleden. Snouck Hurgronje ging hem als adviseur bijstaan.

Van Heutsz, Hannké, 1909, Rijksmuseum

Johannes Benedictus van Heutsz (1851-1924) was eerst kolonel, in 1904 werd hij benoemd tot Gouverneur-generaal. (Bron: Hannké, 1909, Rijksmuseum)

De belangrijkste adviezen van Snouck Hurgronje aan Van Heutsz in deze periode laten zich samenvatten als het militair neerslaan van opstandelingen en verzetsgroeperingen en het hard optreden tegen versies van de politieke Islam die dit verzet voedden. Hiernaast moesten wel de lokale feodale hoofden ‘geëmancipeerd’ worden, dat wil zeggen: zich langzaam steeds meer aanpassen aan Nederlandse gebruiken. En dit op zowel bestuurlijk gebied als in hun dagelijkse levens. 

Snouck Hurgronje was er van overtuigd dat op deze manier de gewapende strijd tegen ongelovigen uit de Indonesische Islam zou verdwijnen. De feodale hoofden zouden dan zelf de voordelen van Nederlands bestuur gaan zien en kiezen voor een autonoom Indonesië onder Nederland. Dit ‘emancipatoire’ deel van zijn gedachtegoed leverde Snouck Hurgronje uiteindelijk de bijnaam “inlandersvriendje” op onder de koloniale bestuurders, die over het algemeen een pure harde lijn voorstonden.

Binnen zijn visie op het koloniaal bestuur in Atjeh en Nederlands-Indië had Snouck Hurgronje wel een blinde vlek: de lagere bevolkingsgroepen. Volgens Snouck Hurgronje zouden die getrouw hun religieuze leiders en feodale heren volgen. Aan het einde van de negentiende begon dit echter net te veranderen, uiteindelijk uitlopend op de oprichting van politieke (vak-)organisaties als Sarekat Islam (opgericht in 1914).

 

Christiaan Snouck Hurgronje oud, onbekend, ca. 1930, Commons

Christiaan Snouck Hurgronje rond 1930. (Foto: Wikimedia Commons)

Terugkeer naar Nederland

Uiteindelijk raakten de verhoudingen tussen Van Heutsz en Snouck Hurgronje ook steeds meer gespannen. Het resultaat was dat Snouck Hurgronje in 1906 terugkeerde naar Nederland. Het Ministerie van Koloniën benoemde hem wel levenslang tot hun adviseur, met het aardige salaris van 3.000 gulden per maand. Hij verbood zijn Indonesische vrouw en kinderen hem te schrijven of achterna te reizen. Hij zou in 1910 in Nederland weer trouwen.

Bij terugkeer werd hij hoogleraar Arabisch in Leiden. Mede dankzij wetenschappelijke publicaties tijdens en over zijn periode in Nederlands-Indië was hij een internationaal vermaard wetenschapper geworden. Zijn emancipatoire, paternalistische, visie op koloniaal bestuur maakte echter dat hij steeds geïsoleerder raakte. In het Nederland van het interbellum bloeide het nationalisme en vond men het zinloos om de Indonesiërs te ‘emanciperen’. Daar waren ze toch niet intelligent genoeg voor, was de gedachte.

In 1927 ging Snouck Hurgronje met emeritaat. Hij overleed in 1937. Kenmerkend voor zijn geïsoleerde positie is het feit dat zijn begrafenis maar een bezoeker had: een oude vriend uit Leiden.

 

Bronnen

Dröge, P., Pelgrim: leven en en reizen van Christiaan Snouck Hurgronje, Houten, 2017.

Gobée, E. en C. Adriaanse (reds.), Ambtelijke adviezen van C. Snouck Hurgronje, 1889-1936, ‘s-Gravenhage, 1957.

Knoops, E., “Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) – Arabist en islamoloog”, in: Historiek.net, November 2017 (stand op 10-9-2018). Zie: https://historiek.net/christiaan-snouck-hurgronje-biografie/73159/ 

Drewes, G., “Snouck Hurgronje, Christiaan (1857-1936)”, in: Biografisch Woordenboek van Nederland (stand op 10-9-2018). Zie: http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/bwn2/snouckc 

Blessing, M., “Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936): Moslimkenner & inlandervriendje”, in: Historisch Nieuwsblad (nr. 2, 2007). Zie: https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6892/christiaan-snouck-hurgronje-1857-1936.html 

Boddaert, D., “De familie Snouck Hurgronje”, in: Adel in Nederland (stand op 10-9-2018). Zie: https://www.adelinnederland.nl/de-familie-snouck-hurgronje-door-jonkheer-mr-dolph-boddaert/

 

Deze persoon komt voor in Brabantse Helden, een tv-serie geproduceerd door Omroep Brabant en Erfgoed Brabant.