Het Vezelinstituut 1941-1991

Schakel tussen onderzoek en bedrijfsleven

2011-007-011

Grondstoffen Vezelinstituut TNO, Delft, uit de collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

Georganiseerd, meer grootschalig onderzoek ofwel research werd in de twintigste eeuw steeds belangrijker, ook voor de textielindustrie. Een zelfstandig instituut hiervoor maakte lange tijd onderdeel uit van de landelijke onderzoekkoepel, het TNO.

Testen en onderzoek werden een steeds belangrijker onderdeel van de bedrijfsvoering. Dat gebeurde deels in de textielbedrijven zelf, maar er ontstonden in de loop van de twintigste eeuw aparte kennisinstellingen. In Nederland kwam er een enkele landelijke onderzoeksinstelling, onder de vlag van het brede nationale onderzoeksinstituut TNO.

Voorgeschiedenis

Ook voor de textiel, de belangrijkste bedrijfstak begin twintigste eeuw, werd in de loop van de twintigste eeuw ontwikkeling en onderzoek steeds belangrijker. Het Nederlandse bedrijfsleven was geen voorloper, maar In navolging van het buitenland kwam ook in Nederland het speurwerk van de grond, zowel binnen als ook in georganiseerd verband buiten de bedrijven. Twee hoogleraren van de enige Technische Hogeschool Delft brachten in 1913 op verzoek van het Ministerie Binnenlandse Zaken een rapport uit omtrent de vraag of er behoefte bestond aan voorlichting op het gebied van vezelhandel en vezelindustrie. Dit resulteerde uiteindelijk in de oprichting van de Rijksvezeldienst in 1919. Deze was gevestigd aan de Technische Hogeschool Delft en kende een gestadige groei, mede dankzij de goede banden met het bedrijfsleven, veruit de belangrijkste opdrachtgever. Maar in 1940 werkten er toch nog maar zes personen. In 1941 werd de dienst onderdeel van de kort tevoren opgerichte nationale nijverheidsorganisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek ofwel TNO. Het kreeg de naam Vezelinstituut, dat ook het papieronderzoek omvatte. Als onderdeel van TNO kende het instituut een snelle uitbreiding, 32 medewerkers in 1942, 50 in 1948.

2011-007-015

Grondstoffen Vezelinstituut TNO, Delft, uit de collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

Groei en bloei

De grote groei van het Vezelinstituut vond plaats in de naoorlogse periode waarin de Nederlandse industrialisatie zijn hoogtepunt bereikte. Het aantal medewerkers nam stormachtig toe, 143 in 1951 tot 163 in 1957 (exclusief het huishoudelijk personeel!). In 1948 kwam er samen met het gezamenlijk onderzoeksinstituut van de Twentse textielbedrijven De Voorzorg een gemeenschappelijk laboratorium in Enschede. In 1951 trok dit in bij de uitgebreide HTS in Enschede en in 1969 kreeg het onderdak bij de nieuw opgerichte Technische Hogeschool Twente. In het tweede textielcentrum van Nederland, Tilburg, kwam in 1958 naast het drie jaar eerder geopende documentatiecentrum een laboratorium tot stand. De filialen waren vooral toegerust voor kwaliteits- en aanverwant onderzoek (Tilburg 1959 12 medewerkers, Enschede 24), het fundamentele onderzoek vond plaats in Delft, waar men onder meer kon beschikken over een instrumentenwerkplaats.  Daar kreeg het Vezelinstituut in 1961 een nieuw onderkomen in de Zuidpolder.

vezelinstituut1

Chemisch laboratorium van het Vezelinstituut, uit 't Getouw, jrg. 5, nr. 2 (1948), p. 7

Neergang

In de jaren 1970 telde het Vezelinstituut nog ruim tweehonderd medewerkers, maar de teruggang van de Nederlandse textielindustrie had zijn weerslag op de orderportefeuille en werkgelegenheid. In 1980 telde de afdeling textiel nog iets meer dan vijftig medewerkers, en dat aantal geleidelijk liep terug. In 1991 werd het Instituut omgevormd tot Centrum TNO Textiel, en werd ondergebracht bij het Kunststoffen en Rubberinstituut. De verschillende nijverheidsorganisaties werden vervolgens in 1996 ondergebracht in een enkele nieuwe organisatie, TNO Industrie.

vezelinstituut noodgebouw mijnbouwstraat 16-02-1960

Vezelinstituut TNO noodgebouw Mijnbouwstraat in Delft, 1960 (Foto: Delft University of Technology)

Aard en uitvoering van het onderzoek

De aard van het onderzoek werd grotendeels bepaald door de opdrachtgevers, die naast de industrie ook de detailhandel, warenhuizen en de Consumentenbond omvatte. Daarnaast staat dan het zogeheten ‘vrij speurwerk’. Het is dus moeilijk om een of meerdere rode draden hierin te ontdekken. Een belangrijk, groot en langdurig onderzoek betrof een nieuwe methode om van ongeroot vlasstro via een chemisch procedé vlasgarens te maken, samen met de AKU. Dit procedé leidde in 1955 tot de oprichting van een zelfstandige NV Novivlas. Verder onderzoek in de jaren ’50 betrof onder meer kleurmeting en echtheid van kleurstoffen dat onder meer leidde tot een normalisatie van Vlaggenkleuren, sterkte van garens en kettingsterken. Een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering betrof voorlichting en publiciteit: voordrachten, cursussen, bedrijfsbezoeken en publicaties.

2011-007-010

Grondstoffen Vezelinstituut TNO, Delft, uit de collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

Voor het onderzoek was een keur aan bedrijfs- en meetapparatuur voorhanden, de jaarverslagen bevatten een overzicht van de belangrijkste nieuwe apparatuur. Deels betreft dit machines voor de proefbedrijven, zogeheten semi-technische apparaten en deels dus meetinstrumenten en -apparatuur. Het merendeel betreft textielspecifieke apparaten en instrumenten als spin-, weef- en verfapparaten al dan niet op laboratoriumschaal. Een deel gaat om algemene onderzoeksapparatuur als lichtechtheidsmeter, torsiebalans en oscilloscoop.

vezelinstituut

Onderzoek van garenreinigers met behulp van een schouwcylinder, uit Jaarverslag Vezelinstituut TNO, Delft 1964

Eigen ontwikkeling

TNO en ook het Vezelinstituut ontwikkelden allerlei eigen procedés en ook apparatuur waarvoor ook wereldwijd octrooi werd aangevraagd en verleend. In hoeverre er een actieve octrooipolitiek werd gevoerd en de octrooien toepassing vonden is een punt van nader onderzoek. Vermeldenswaardig is de in 1947 ontwikkelde viscosigraaf, een apparaat voor het continu meten van de viscositeit van zetmeelpappen. De produktie hiervan was uitbesteed aan een Nederlands bedrijf, in 1955 waren er vijftig stuks in de industrie in gebruik. Na Novivlas bleef men binnen het instituut doorgaan met vlasonderzoek. Rond 1970 resulteerde dat in een nieuwe rootmethode Vitnovlas en een methode om vlasgaren twistloos te spinnen. De toepassing op Industriële schaal van beide ontwikkelingen bleek commercieel niet haalbaar.

 

Bronnen

Jaarverslagen Vezelinstituut TNO, met name jaarverslag 1959 met een kort overzicht van 40 jaar Rijksvezeldienst en Vezelinstituut.