Textiel en de TH Delft

TH

Laboratorium voor Textieltechniek en Vezeltechnologie, in 1960 opgezet voor de studenten van de afdelingen Werktuigbouwkunde en Scheikundige Technologie (Foto: Delft University of Technology)

De oudste en lange tijd enige technische hogeschool in Nederland hield zich gedurende het grootste deel van het bestaan bezig met de textiel, in onderwijs én onderzoek.

Textiel en de TH Delft

De Technische Hogeschool Delft en zijn voorlopers (1842-1986) hebben een eeuwlange relatie met het textielgebeuren gehad. Van een aparte afdeling textiel is in die periode slechts een beperkt aantal jaren sprake geweest, wel waren textiele technieken al vroeg onderdeel van het lesprogramma, als onderdeel van de Mechanische Technologie.

De eerste hoogleraar op dit vakgebied, Peter Dieter Grothe, besteedt onder meer in zijn Mechanische technologie, ten dienste van het Middelbaar onderwijs : een leerboek voor fabriekanten en industriëelen en een leesboek voor beschaafden (1866) aandacht hieraan. Grothe schafte ook voor het aanschouwelijk onderwijs diverse toestellen aan, zoals een jacquardgetouw.

Zijn opvolger, P. van der Burg (hoogleraar van 1883 tot 1910), besteedde bij het onderwijs begin twintigste eeuw enige uren in de week aan textiele technieken, waarnaast ook excursies naar textielbedrijven plaatsvonden. Van der Burg breidde ook de collectie werktuigen uit.

 

Uitbouw

De in 1905 tot stand gekomen Technische Hogeschool kreeg een eigen afdeling Werktuig- en Scheepsbouwkunde en Electrotechniek. Daarbinnen was Mechanische Technologie een belangrijk onderdeel dat met de toenemende industrialisatie meer ruimte en aandacht kreeg. In de nieuwbouw van de afdeling rond 1914 was ook een werktuigzaal voor spinnerij en weverij en een laboratorium voor vezelonderzoek (textiel en papier), ingericht onder leiding van de opvolger van Van der Burg, I.P. de Vooys. In 1918 werd W.P. Smit als privaatdocent de eerste hoogleraar met als leeropdracht de textiel-industrie, maar hij stapte in 1923 over naar Scheikundige Technologie. Ondertussen steeg het studentental werktuigbouwkunde explosief.

Mede voor hen verscheen een serie handboeken voor de belangrijkste afzonderlijke bedrijfstakken, met ruime aandacht voor de textiel, onder de titel Leerboek der Mechanische Technologie onder redactie van de hoogleraren I.P. de Vooys en L.A. van Roijen. De Vooys ging in 1917 over naar een deeltijdaanstelling en stapte in 1930 helemaal over naar het bedrijfsleven. Zijn (voltijds) opvolger H. Hessellink (hoogleraar van 1930 tot 1931) zette (ook) al gauw die stap, de afdeling mechanische technologie moest het vervolgens een aantal jaren zonder hoogleraar doen. De werktuigzaal diende grotendeels voor aanschouwelijk onderwijs, maar ook voor proeven met vezelmateriaal.

Delft 11

Toestellen uit het Laboratorium voor Textieltechniek en Vezeltechnologie: schaalmodel van spinning mule, PH-meter, twist- en twijnmeter en gelijksmatigheidsmeter, herkomst Technische Hogeschool Delft, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

Het meeste onderzoek vond plaats in het laboratorium rond vezeltechniek dat volgens een eigen publicatie van de TH Delft uit 1930 "volledig ingericht is met de nieuwste apparatuur voor alle bekende onderzoekingsmethoden". Het ging als Vezelinstituut in 1938 over naar de nieuwe landelijke onderzoeksorganisatie TNO. Een belangrijke kracht in het interbellum was S.A. van Hoytema (1879-na 1948), een oud-studente van de TH die de opleiding niet voltooide maar wel als (hoofd)assistent en vervolgens als conservator Mechanische Technologie in dienst was. Zij verzorgde cursussen voor studenten en publiceerde diverse populair-wetenschappelijke boeken en artikelen rond textiel, zoals Garen en goed (1e druk 1917, 4e druk 1947) en De grondstoffen der weefsels (1936).

Na de losmaking van het Vezelinstituut werd de eigen draad op de TH verder opgepakt. In 1938 werd de in Tilburg werkzame scheikundig ingenieur A.C. Ouborg benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de mechanische (textiel)technologie. Na zijn intreerede gewijd aan de rationalisatie in de Nederlandse textielindustrie kwam hij door ziekte amper tot invulling van zijn leerstoel, hij overleed in 1940. Hij werd in 1941 opgevolgd door J.W.H. Uytenbogaart die de groep tot aan zijn overlijden, in 1964, zou leiden. Hoe de verhouding van de TH-medewerkers was met de eveneens in Delft gevestigde Rijksvezeldienst is onduidelijk. Hoytema bijvoorbeeld publiceerde ook bij deze instelling, evenals haar collega R. Smit en beiden gaven lessen aan het Rijksvezelstation.

 

Naoorlogse groei

Na de bevrijding kreeg het textielonderwijs en -onderzoek een grote stimulans door de opbloei van de Nederlandse textielindustrie. Delft bleef nog geruime tijd de enige hogere technische opleiding in Nederland. Zowel in onderzoek als onderwijs was hier aandacht voor de textiel. De staf van de groep Textieltechniek en Vezeltechnologie kreeg uitbreiding, in 1949 kwam dr J.E. Leene als lectrice erbij, in 1955 ing. J. Beyer als tweede hoogleraar. Focus lag op ontwerpen van textielmachines en onderzoek naar de mechanische eigenschappen van vezelmaterialen en verouderingsprocessen van textiele materialen. Er was verder een college Vezeltechniek en een Laboratorium voor Vezeltechniek dat in 1960 met een verbrede doelstelling als Laboratorium voor Textieltechniek en Vezeltechnologie - onderdeel van de afdelingen werktuigbouwkunde en scheikunde - officieel geopend werd. Doelstelling: “bestudering en onderzoek van vraagstukken samenhangende met de productie van textielmaterialen”. Het beschikte onder meer over een werkend productieapparaat.

TH laboratorium 1958

Textielconservering bij het Laboratorium voor Textieltechniek en Vezeltechnologie, Technische Hogeschool Delft, 1958 (Foto: Delft University of Technology)

De echte praktijk, de textielnijverheid, was voornamelijk gevestigd in het zuiden en oosten van het land. Met de in Tilburg en Enschede gevestigde textielonderwijsinstellingen was inmiddels meer samenwerking ontstaan. In 1949 waren er plannen om Werktuigbouwkundige ingenieurs in opleiding een jaar te detacheren in Tilburg of Twente en docenten uit de twee textielscholen daar colleges in Delft te laten verzorgen. In 1953 was er sprake van een opleiding tot textiel-ingenieur, in samenwerking tussen de TH en de scholen in Tilburg en Enschede. In het laboratorium voor textiel- en vezeltechniek werden ook praktische werkzaamheden verricht, met name op het gebied van textielconservering. Zo werd in 1958 het Nederlandse vaandel van de Slag bij Waterloo gerestaureerd. De expertise werd ook gedeeld met het buitenland, in 1961 vond zelfs uitzending naar Irak plaats. In hoeverre er naast testen en conserveren baanbrekend onderzoek is verricht is onduidelijk. Er zijn geen octrooien bekend op naam van het laboratorium voor textiel en vezeltechniek.

 

Ontrafeld

In de loop van de jaren zestig kwam in snel tempo de klad in de Nederlandse textielindustrie en zijn de activiteiten aan de TH evenredig afgebouwd. Dit resulteerde in een nieuwe benaming Vezeltechniek om vervolgens als Vezelversterkte Kunststoffen (VVK) van 1975 tot 1991 onder leiding van prof. K. van Harten verder te gaan. Zijn opvolger, R. Marissen (hoogleraar van 1991 tot 2002), had slechts een parttime aanstelling. VVK ging in 1993 samen met Mechanical Engineering.

002-006(1)

Schaalmodel van driemolen-kaardassortiment, Maschinenfabrik Memmingen, 1958, herkomst Technische Hogeschool Delft, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

03080a=b-04

Technische tekening kaardassortiment, Maschinenfabrik Memmingen, 1958, herkomst Technische Hogeschool Delft, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum)

Voor zover uit de aan het TextielMuseum overgedragen inventaris is op te maken zijn er na 1960 geen investeringen meer gedaan. Rond 1980 is het besluit gevallen de afdeling op te heffen en is vervolgens de in overgrote meerderheid nog redelijk recente apparatuur in twee fasen overgegaan naar het TextielMuseum waar enkele objecten anno 2019 nog praktisch nut bewijzen en de overige bestanddelen de brede aard van het toenmalig onderzoekswerk demonstreren. De invloed van de textiel aan de TH is nog een compleet onontgonnen terrein en object voor nader onderzoek dat moeizaam lijkt omdat binnen de huidige TU Delft amper materiaal bewaard is.

 

Bronnen

Ir. A.H.J. Nijhof 1938-2011 : some memories we wish to share, Hertz Newsletter 2012-2 (March-April 2012), Faculteit 3mE / Mechanical Engineering / Department PME, Delft University of Technology, p. 5-19 (met literatuurlijst).

Vooys, I.P. de, Het laboratorium voor papier- en textielonderzoek en de werktuigzaal voor spinnen en weven, De Ingenieur 30 (1915), 41-45.