Machinaal spinnen

c 03081.jpg

Ringspinmachine, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum, 2019)

Vanaf halverwege de achttiende eeuw werden er steeds slimmere uitvindingen gedaan om het spinproces te verbeteren. Handmatig spinnen maakte plaats voor machinaal spinnen. Het TextielMuseum heeft een collectie kunst, design en industrieel erfgoed. Het erfgoed omvat onder meer machines en gereedschappen op het gebied van de textieltechniek in Nederland.

De eerste mechanisering

Halverwege de achttiende eeuw steeg de behoefte naar garens, mede onder invloed van de bevolkingsgroei, afzetmogelijkheden én de toenemende productiviteit in de weverij door de invoering van de snelspoel. Op vele plaatsen zocht men naar technieken om de drie hoofdbewerkingen van het spinnen – het rekken en twisten van de spinstof en het opwinden van het garen - door een mechanisme over te laten nemen. In het centrum van de Europese textielnijverheid, Groot-Brittannië, werd in de loop van de achttiende eeuw opeenvolgende apparatuur ontwikkeld die een deel van deze taken overnam. De eerste succesvolle uitvinding was de Spinning Jenny (hoogstwaarschijnlijk een verbastering van engine, wat machine betekent). Deze handbediende machine werkte discontinue en vereiste veel aandacht en vaardigheid van de bediener om een gelijkmatig garen te produceren. De eerste bruikbare Jenny uit 1764 telde 8 spillen, latere exemplaren telden wel 100 spillen. De spinner had daarbij wel een hulpje (de Jenny) voor de aanvoer van de klossen met lonten, de afvoer van de garenspillen en het repareren van de draadbreuk. De Jenny leverde een weinig uitgerekt en ineengedraaid garen dat alleen geschikt was als grove inslag. De opkomende katoennijverheid had vooral behoefte aan katoenen kettinggaren. De tweede generatie spinmachines was hiervoor wel geschikt. Het Waterframe deed zijn intrede. De machine was mede ontwikkeld door Richard Arkwright die in 1769 octrooi erop verkreeg. Alle bewegende onderdelen worden mechanisch, door externe aandrijving (aanvankelijk veelal waterkracht), bewogen. Het uitrekken gebeurt door een walsenpaar met ieder een steeds grotere snelheid en regelbare druk. Er kon slechts sterk getwist kettinggaren op gemaakt worden. In 1779 kwam een combinatie van beide machines op de markt, de Mule Jenny, die zowel sterkere als fijnere katoengarens kon spinnen. Een linnen ketting was voor het weven van katoenen producten niet meer nodig, 100% katoenen goederen begonnen aan hun opmars. De Mule of wagenspinner - een ontwerp van Samuel Crompton - combineerde rek- en twistmechanismen en kende een centrale roterende beweging als aandrijfkracht. Het terugnemen en opwikkelen was eerder nog handwerk. De eerste machine telde 48 spillen en was nog bestemd voor thuisarbeid, maar al snel volgden grotere varianten met 1200 spindels, aangedreven door stoom- en waterkracht.

 

Voorbereiding

De opeenvolgende spinmachines vroegen om meer én gelijkmatiger voorgaren die onder meer geleverd werd door betere kaardapparatuur (Lewis Paul en Arkwright) en de zogeheten billy, een handmatig bediende voorspinmachine. Een belangrijke bijdrage leverde de eveneens door Arkwright cs. bedachte lantaarnmachine waarbij de spinlont een twist krijgt met behulp van walsen om in meedraaiende kannen zo opgevangen te worden dat het zonder verwarren eruit gehaald kan worden. De daaropvolgende ontwikkelingen bij de spinmachines leidden tot steeds verdere verfijning en uitbreiding van de voorbewerkingen. Rond 1900 waren in de katoenspinnerij na de openbreker de krasmachine en een enkele voorspinmachine gebruikelijk, rond 1960 waren drie rekbanken en drie voorspinmachines gewoon om een zodanig sterk en gelijkmatig garen te maken om zo garenbreuken in de weverij te voorkomen. In een latere fase zijn door automatisering deze bewerkingsstadia weer teruggebracht als gevolg van technische perfectionering van mechanische onderdelen als lagering van de spillen en controle/bijstelmechanismen, naast een gelijkmatigere menging van de grondstoffen en verdere beheersing van de verwerkingsomstandigheden als temperatuur en vochtigheid.

02_TM_Wollendekenfabriek.jpg

Kaardassortiment met drie schrobbelmolens en vliesverdeler, collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum, 2019).

Ring en vleugel

Na de Mule Jenny bleef het verder zoeken naar een machine die de verschillende functies tezamen kon uitvoeren, onafhankelijk van menselijke bediening. De eerste volledige mechanische spinmachine, de selfactor en wederom een Britse uitvinding, werd rond 1830 in gebruik genomen. De selfactor vereiste wel veel stelwerk en ervaring. Slechts dankzij vele in te stellen regelmechanismen kon bijvoorbeeld een gelijkmatige en goed aflopende opwinding verkregen worden. In 1851 werd de eerste in Nederland in gebruik genomen. De selfactor bleef (verbeterd en met meer spillen) tot 1970 in gebruik. In de VS werd ondertussen een simpeler constructie met ringspillen ontwikkeld, de ringspinmachine die vanaf 1880 in Nederlandse bedrijven ingang vond. Deze was eenvoudiger in gebruik, kende een geringer energieverbruik bij hogere snelheden. Het afzetten van de volle garenklossen en de aanvoer van de voorgaren gebeurde lang nog handmatig.

machspinnen2.tif

Schaalmodel van Mule Jenny naar Samuel Crompton, Selfactor Ateliers Houget en selfactor-telkok, uit collectie TextielMuseum (Foto: TextielMuseum, 2019)

Spinnen naar aard

De wolspinnerijen zijn te onderscheiden in de kamgaren- en strijkgarenspinnerijen. Bij het kamgaren worden de kortere haren die eruit zijn gekamd gebruikt, de strijkgarenspinnerij gebruikt de langere haren. Dit strijkgaren vindt toepassing voor weefsels met een mooi haardek of voor goede vervilting, zoals winterjassen, dekens en lakenstoffen. Verder waren er spinnerijen ingericht op de vervaardiging van sajet- en andere grovere (brei)garens. Naast mechanische wol- en katoenspinnerijen kende de Nederlandse textielindustrie ook nog een enkele jutespinnerij (onderdeel van het jutebedrijf van Ter Horst te Rijssen), hennepspinnerijen als onderdeel van de touwfabricage en diverse vlasspinnerijen. De twee machinale vlasspinnerijen in de tweede helft van de 19e eeuw - te Dongen en Groningen - gingen beide in deze periode ten onder, de twintigeeuwse opvolger, de Nederlandsche Vlasspinnerij te Tilburg (begonnen als onderdeel van de firma Van Puijenbroek te Goirle), haalde evenmin het eind van de eeuw.

Selfactor van atelier hougets Textielmuseum 1925

Een selfactor van Atelier Hougets uit 1925 uit de collectie van het Textielmuseum. (Foto: Textielmuseum, ?)

De selfactors bleven ook na de invoering van de ringspinmachine nog lang in gebruik mede door continue verbetering. Spinnerijen in Tilburg schaften nog in het interbellum dergelijke machines aan, zoals deze machine afkomstig van André van Spaendonck & Zonen (Spandon), vervaardigd in 1925 door Ateliers Houget te Verviers, een mooi staaltje van werktuigbouwkundig vernuft en pronkstuk in de vaste opstelling.

 

Bronnen

Dijkmeijer, E., Textiel. Deel 2 Spinnen, weven, bindingsleer en breien, Eindhoven, 1944.

Van Paassen, W. J. C. en Ruygrok, J. H., Textielwaren ten dienste van vakscholen en van hen, die zich voor het manufacturenbrevet voorbereiden (diverse drukken). 

Van Waarden, F., 'Techniek en arbeid in de Twentse katoenspinnerijen van de oudheid tot heden’, in Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek 1, 1984.