Auteur: Robin Hoeks
Geboortedatum: | Sterfdatum:

Jos. Schrijnen

Volkskundige en rector magnificus

Jos. Schrijnen in zijn studeerkamer, 1930, collectie Regionaal Archief Nijmegen

Jos. Schrijnen in zijn studeerkamer. (Foto: onbekend, 1930, collectie Regionaal Archief Nijmegen)

Joseph Charles François Hubert Schrijnen (1869-1938) was verantwoordelijk voor de eerste integrale volkskundige verzameling van Brabantse tradities en gebruiken. Zijn werk Nederlandse Volkskunde (1917) werd een belangrijke bron voor verder wetenschappelijk onderzoek naar lokale gebruiken in Nederland.

Opleiding

Schrijnen werd op 3 mei 1869 geboren in Venlo. Hij was de zoon van apotheker Adriaan Schrijnen en Maria Canoy. Na een middelbare school in Roermond en een tweejarige filosofische cursus (voor aankomende geestelijken van het bisdom Roermond) op de abdij Rolduc, vertrok Schrijnen naar Leuven.

Daar studeerde hij klassieke letteren. Maar binnen deze studie trok hij al snel naar de vergelijkende taalwetenschap. Zo sloot hij zijn studie af in Parijs, waar hij colleges volgde van taalkundige Ferdinand de Saussure (1857-1913). Ook zijn proefschrift, uit 1891, heeft een taalkundig onderwerp.

Hierop trok hij terug naar Limburg, waar hij in Roermond na drie jaar scholing in 1894 tot priester werd gewijd. Kort erna werd hij leraar op het Bisschoppelijk College in deze stad. Ondertussen publiceerde hij over Limburgse folklore en dialecten. Pas in de loop van het eerste decennium van de twintigste eeuw schreef hij ook weer over taalkunde.

Portretfoto Joseph Charles François Hubert Schrijnen door Antonia Leonharda Margaretha Maria Arens-Tepe, 1923. Uit: Eigen kultuur. Rede uitgesproken op 17 oktober 1923 ter gelegenheid van de plechtige opening der Roomsch Katholieke Universiteit gevestigd te Nijmegen door den rector magnificus dr Jos. Schrijnen (uitgave van de N.V. Dekker & Van de Vegt en J.W. van Leeuwen, Nijmegen 1923)

Een portret van Jos. Schrijnen dat afgedrukt was in de gedrukte openingsrede van de Katholieke Universiteit Nijmegen. (Bron: T. Arens-Tepe, Wikimedia Commons)

Het begin van een academische carrière

Schrijnen breidde zijn wetenschappelijk repertoire geleidelijk uit en verdiepte zich in de cultuurgeschiedenis van de “eerste Christelijke eeuwen”. Mede hierdoor volgde in 1910 een benoeming tot bijzonder lector aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Twee jaar later werd deze benoeming omgezet in een bijzonder hoogleraarschap. Zijn leeropdracht behelsde de vroegchristelijke cultuurgeschiedenis en de vergelijkende klassieke taalwetenschap, later uitgebreid met algemene taalwetenschap en vulgair latijn.

In deze periode bleef hij naast de taalwetenschap ook bezig met de volkskunde. Dit was een verbreding en doorzetting van zijn vroege interesse in de Limburgse dialecten en folklore. In 1917 resulteerde dit werk in een grote verzameling, getiteld Nederlandse Volkskunde. Het werk is een verzameling data over verschillende ‘volkse’ onderwerpen, zoals volksreligie, volkstaal, volkskunst en volkswetenschap. Hij noemt bijvoorbeeld ‘oogstfooi’ als typisch maal na de oogst. Volgens Schrijnen kwam dit onder andere rond Duizel en Breda voor.

Nederlandse Volkskunde is opgedragen “aan de bevolking van Groot-Nederland, hereenigd in dagen van beproeving”. Schrijnens idee van een Groot-Nederland moet hier vooral opgevat worden als culturele eenheid en minder als politieke.

 

Schrijnen en volkscultuur

De opdracht aan de bevolking van ‘Groot-Nederland’ is doorspekt van de volkskundige opvattingen van Schrijnen. Hij was ervan overtuigd dat taal, tradities en volksgebruiken (cultuurverschijnselen) in zijn eigen tijd overblijfselen waren van de gebruiken van stammen in ‘de oertijd’. Voor Nederland waren dit volgens Schrijnen de Friezen, Franken en Saksen, waarbij hij buitenwegen liet dat de eerste alleen aan het begin van de Romeinse periode in Nederland genoemd worden, terwijl de laatste twee juist aan het eind van deze periode leefden.

Zijn doel met Nederlandse Volkskunde was om bij deze stammen de oorsprong van deze cultuurverschijnselen te vinden. Schrijnen was ervan overtuigd dat de tradities bedreigd werden door modernisering, verstedelijking en industrialisatie. Het grotere maatschappelijke belang dat Schrijnen voor volkskunde zag was dat de discipline aan “de hooger beschaafden ruimheid van blik, frissche, kerngezonde levenskracht kan schenken, door hem weer te laten voelen, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel, dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn gebeente is” (Schrijnen 1913). Met andere woorden: als volkskundigen deze verbinding konden herstellen, zou de natie weer ‘echt’ tot bloei kunnen komen. 

Hiermee stond Schrijnen in een volkskundige traditie die al langer in andere Europese landen bestond, maar relatief nieuw was in Nederland. Niet voor niks werd het woord ‘volkscultuur’ in de negentiende eeuw nog gebruikt om ‘landbouw door het volk’ aan te duiden. Schrijnens belangrijkste invloed lijkt uit Duitsland te zijn gekomen. Daar waren volkskundigen al sinds het begin van de negentiende eeuw soortgelijk onderzoek aan het doen, met eenzelfde doel. Dit weer gebaseerd op de ideëen van Johann Gottfried Herder (1744-1803) dat elke natie door haar geschiedenis een eigen, unieke, organische eenheid was, die alleen bij kon dragen aan de ontwikkeling van de mensheid als deze trouw bleef aan haar nationale karakter. Dit nationale karakter (of “volksaard”) werd uitgedrukt in taal en andere ‘traditionele’ cultuurverschijnselen.

Johann Gottfried Herder, geschilderd door Franz Kügelgen. (Bron: 1809, Tartu University Library)

Johann Gottfried Herder, geschilderd door Franz Kügelgen. (Bron: 1809, Tartu University Library)

Omdat de verbinding tussen nationale aard en de stedelijke elite door modernisering, verstedelijking en industrialisatie al in het verleden was verbroken, richtte Schrijnen zich met name op het platteland. Daar leefde de volksaard nog het meest puur voort, volgens de volkskundigen. Het idee dat dus de volkskunde van Schrijnen voortdreef was een sterk gevoel van potentieel verlies van nationale cultuurverschijnselen in de zeer nabije toekomst, gekoppeld aan het idee dat deze nationale cultuurverschijnselen wel al circa twee millennia nagenoeg onaangetast hadden bestaan.

 

Nederlandsche Volkskunde en Noord-Brabant

In Nederlandse Volkskunde schrijft Schrijnen over dit verval in zijn inleiding: “Wat een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en elektriciteit en … aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze, cynisch-onverschillige tijdgeest” (Schrijnen 1915, vii).

Ondanks deze snelle veranderingen zijn sporen van de volksaard van de oude stammen nog wel terug te vinden. Zo schrijft hij over Noord-Brabant: “[...] Gemoedelijkheid voert bij hen [de Franken] den boventoon, de volksaard is losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt het sanguïnisch temperament door.” (Schrijnen 1915, 51).

Een groot onderscheid ziet hij tussen Noord en Zuid Nederland. De Friezen en Saksen hielden zich volgens Schrijnen op in het noorden en oosten van het land, terwijl de Franken zich vooral in de zuidelijke provincies (inclusief België) hadden gevestigd: “de hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig de eenheid van de stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid overslaat” (Schrijnen 1915, 49).

Deze volksaard wordt door Schrijnen nog steeds gesignaleerd in het huidige Brabantse platteland: “de levendige, sociaal-aangelegde aard, het Frankische karakter met zijn keltische ondergrond, noopte hen zich te verenigen in dorpen en dorpjes en gehuchten” (Schrijnen 1915, 23). Niet alleen de opbouw en aanleg van de dorpen, ook de woningen zelf zijn volgens Schrijnen door de volksaard beïnvloed: “want in de boerenwoningen spreekt zich meer het volkskarakter uit, komt het volkseigenaardige meer tot zijn recht, is het oorspronkelijk het best bewaard” (Schrijnen 1915, 28).

 

Schrijnen en de universiteitskwestie

Ondertussen hield Schrijnen zich ook bezig met de oprichting van een Katholieke Universiteit in Nederland. Als plaats werd na veel overleg uiteindelijk Nijmegen gekozen. Volledig in lijn met zijn opvattingen over volksaard drukte Schrijnen de leden van een commissie die het bisdom van advies moesten voorzien over de kwestie op het hart: “Nijmegen is een katholieke stad - dat voelt eenieder die er vertoefd heeft - en is gelegen in een geheel katholieke streek.” (Verslag in Brabers, 99). Volgens hem hadden de Brabantse plaatsen waarover nog als mogelijkheden werd gesproken “een te partikularistisch karakter” (Verslag in Brabers, 99). In 1923 opende hij zelf als eerste rector magnificus de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hier was hij ook hoogleraar Griekse en Latijnse taalkunde en de algemene taalwetenschap, later uitgebreid met Volkskunde.

Schrijnen als rector, 1923 (Bron: Regionaal Archief Nijmegen)

Schrijnen verwelkomt als rector magnificus gasten bij de opening van de universiteit. (Bron: onbekend, 1923, Regionaal Archief Nijmegen)

Historicus Jan Brabers beschreef de betekenis van de oprichting van de Katholieke Universiteit Nijmegen als “‘kroon op het werk’ van de katholieke zuil” (Brabers, 1998). Het belang van een eigen universiteit voor het katholieke volksdeel zag Schrijnen vooral in het ontwikkelen van de eigen cultuur en het opheffen van de achterstand van katholieken in Nederland. Niet voor niets was de titel van Schrijnens inaugurele rede “Eigen kultuur”.

Dit doet misschien vermoeden dat Schrijnen hoopte dat de universiteit bij zou gaan dragen aan de eigenheid van de katholieke zuil, afgezonderd van de verdere buitenwereld. Of zelfs als plek waar het katholicisme wetenschappelijk gecultiveerd kon worden om het uiteindelijk in Nederland verder te verspreiden. De inhoud van de rede was echter anders. Schrijnen sprak onder andere over het volwassen worden van katholiek Nederland om “zijn aandeel in de nationale kultuurtaak te kunnen volbrengen”. Net zoals volgens Schrijnen de Friezen, Franken en Saksen in de oertijd een bijdrage hadden geleverd aan de vorming van de Nederlandse cultuur, was het voor hem tijd dat ook de katholieken deze taak met overtuiging ter hand namen.

 

Onderscheidingen

Als hoogleraar en rector was Schrijnen een belangrijke kracht achter een aantal internationale samenwerkingen, zoals de Fédération des Universités Catholiques en de Comité International Permanent des Linguistes. Daarnaast bleef hij linguïstisch onderzoek doen naar taal als sociaal verschijnsel en leverde zijn wetenschappelijke prestaties hem een groot aantal onderscheidingen op. Bovendien werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en het Vaticaan maakte hem ‘Huisprelaat van Zijne Heiligheid de Paus’.

Nederlandse Volkskunde was ondertussen zo’n standaardwerk geworden, dat Schrijnen in zijn Nijmeegse periode de tijd nam voor een herziene en uitgebreide tweede druk. Deze versie bleef nog lang invloedrijk in het vakgebied. De vastgelegde cultuurhistorische fenomenen zoals gemoedelijkheid en het rijke sociale leven, bleven nog lang benoemd als, bijvoorbeeld, ‘typisch Brabants’. Schrijnen zelf overleed enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog in 1938 in Nijmegen.

 

Bronnen

Schrijnen, J., Nederlandsche Volkskunde (2 delen), Zutphen, 1915-1916.

Schrijnen, J., "Ter nadere bepaling van wezen en doe der volkskunde", in: Volkskunde (jrg. 24, 1916), 5-10.

Brabers, J., Proeven van eigen cultuur: vijfenzeventig jaar Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1998, Nijmegen, 1998.

Van den Belt, C., Fostering the Catholic cultural ties between the Netherlands and Flanders. A study on the reflections of the Dutch Catholic intellectuals involved in the periodical ‘De Beiaard’ regarding the First World War and its outcome (MA-scriptie), 2016.

Vermeulen, H., Before Boas: The Genesis of Ethnography and Ethnology in the German Enlightenment, Nebraska, 2015.

Call, D., The marrow of human experience: essays on folklore, Logan, 2006.

Dekker, T., “Ideologie en volkscultuur: een geschiedenis van de Nederlandse volkskunde”, in: T. Dekker e.a. (red.), Volkscultuur, een inleiding in de Nederlandse etnologie, Nijmegen, 2000.

Storm, E., “Regionalism in History, 1890-1945: The Cultural Approach”, in: European History Quarterly (jrg. 33, nr. 2, 2003), 251-265.

Henkes, B., “Voor Volk en Vaderland: Over de omgang met de wetenschap en politiek in de volkskunde”, in: Eickhoff, M. e.a. (red.), Volkseigen: Ras, cultuur en wetenschap in Nederland 1900-1950, Zutphen, 2000.