Een loflied op Brabant

/beeld/verhalen/62510_1900-45.jpg

Omslag van het tijdschrift Brabantia Nostra naar een ontwerp van Luc van Hoek (1937).

Eeuwenlang bezongen dichters heldendaden die in de strijd verricht waren, niet alleen die van de hertogen, maar ook die van het volk van Brabant.

De keizer van het Heilig Roomse Rijk verleende in 1106 de hertogstitel van Neder-Lotharingen aan de Leuvense graaf Godfried met de Baard (ca. 1063-1139). De titel 'dux Lotharingie' hing niet direct samen met zeggenschap over gebieden: de 'dux' was vooral een hoge keizerlijke ambtenaar die via rechtspraak de rust en vrede diende te bewaren in het gebied tussen Rijn en Schelde. Godfried en zijn nazaten probeerden echter ook werkelijk het gebied van ‘Neder-Lotharingen’ in eigen bezit te krijgen. Dat was natuurlijk niet de bedoeling, zo meenden in elk geval de naburige vorsten die de machtshonger van de hertog aan den lijve ondervonden.

Op de Rijksdag van 1190 werd Godfried te kennen gegeven dat zijn titel alleen van kracht was in zijn eigen graafschappen of in de gebieden die van hem afhankelijk waren. Het zal wel niet toevallig zijn dat voor deze gebieden toen de naam ducatus Brabantiae, hertogdom Brabant, in zwang kwam. Die benaming was ontleend aan een pagus, een oude gouw uit de tijd van de Karolingers die was gelegen tussen de Schelde en de Rijn. Pagus Bracbantensis werd die genoemd en dat wil zoveel zeggen als een territorium (bant) met drassige, vochtige grond (brac).

In de dertiende en de veertiende eeuw groeide de nieuwe naam uit tot een vertrouwd en voor velen ook achtenswaardig begrip. Want niet alleen wierp de Brabantse boom zijn schaduw over een steeds ruimer gebied, hij raakte ook almaar dieper geworteld. In de loop van de tijd kwam er een Brabantse identiteit tot ontwikkeling. In eerste instantie waren die sentimenten nog sterk verweven met loyaliteit aan de hertogelijke dynastie, maar geleidelijk aan verschoof dat besef van eigenheid naar het Brabantse grondgebied.

De geschiedschrijver Hennen van Merchtenen (1360-na 1415) gaf op wel heel bijzondere wijze uiting aan de Brabantse identiteit. In 1415 schreef hij op eigen initiatief een uitvoerige kroniek, de Cornicke van Brabant, die hij opdroeg aan de toenmalige vorst, hertog Antoon (1384-1415). Hij gebruikte daarin de naam Brabant − in de Latijnse vorm Brabancia − als een acrostichon om aan Brabant een groot aantal voortreffelijke eigenschappen toe te kennen en zo zijn lof te bezingen. Brabant was naar de mening van Van Merchtenen:

 

Beata – gezegend

Regalis – koninklijk

Antiqua – oud

Bona – goed

Audax – dapper

Nobilis – edel

Canis – trouw, zoals een hond dat is

Iusticia – vervuld van gerechtigheid

Agnus – zuiver en onschuldig, als een lam.

 

Een dergelijk etymologisch loflied zou nadien nog diverse malen worden aangeheven door dichters en kroniekschrijvers. In de twintigste eeuw werd het idee opgepakt door de kunstenaar Luc van Hoek (1910-1991), die het in aangepaste vorm verwerkte in een omslag van het tijdschrift Brabantia Nostra.

 

Bronnen

Van Oudheusden, J., Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014.

Van Uytven, R. (red.), Geschiedenis van Brabant, van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

 

Dit artikel is een bewerking van een tekst uit J. Van Oudheusden, Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014, 42.