De Franciscanessen van Breda

Alles voor allen en de missie

Vanaf 1953 tot aan 2017 bewoonden de Franciscanessen van "Alles voor Allen" een klooster aan de mgr. Hopmansstraat in Breda. Boven de hoofdingang de naam van hun congregatie. (Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2002, Wikimedia Commons)

Vanaf 1953 tot aan 2017 bewoonden de Franciscanessen van "Alles voor Allen" een klooster aan de mgr. Hopmansstraat in Breda. Boven de hoofdingang de naam van hun congregatie. (Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2002, Wikimedia Commons)

De Franse tijd had zijn sporen in Breda achtergelaten. De nood was hoog en er waren veel armen en zieken in de stad. De overheid beschouwde de hulpverlening veelal als een taak van het particulier initiatief. In de praktijk betekende dat dat de zorg berustte bij kerkelijke en particuliere instellingen of bij personen die zich het lot van den minderbedeelden aantrokken. Onder hen bevond zich de Bredase advocaat Ludovicus Ingenhousz (1778-1861). Samen met enkele andere vooraanstaande katholieken zoals mr. F.J. Hoppenbrouwers (1789-1858), J.P. Eeltiens (1791-1860) en Floris van Gils (1793-1855) stond hij aan de wieg van een stichting die in 1819 een huis aan de Bredase Haagdijk huurde.

De stichting bestemde dit huis tot Burgerziekenhuis. Men kon er zes personen verplegen. Het hospitaal was een katholieke inrichting al waren niet-katholieken ook welkom mits ze de katholieke identiteit zouden respecteren. De stichting stelde het echtpaar De Vet-Van Hasselt aan tot binnenvader en binnenmoeder.

In 1820 kocht de stichting met de hulp van pastoor Oomen van de parochie van de Brugstraat een uit 1445 daterend pand aan de Haagdijk aan. Dit grotere gebouw had tot 1798 dienst gedaan als Oude Mannen Gasthuis. Om te voorkomen dat het Burgerziekenhuis alsnog een protestantse signatuur kreeg, vertrouwden ze het oppertoezicht over aan de pastoors van de drie Bredase stadsparochies. Het ziekenhuis groeide en in 1823 kocht het bestuur van de stichting een naastgelegen huis aan. In 1826 overleed moeder De Vet. Dit noodzaakte de regenten om nieuwe leidinggevenden te zoeken. Hun voorkeur ging uit naar religieuzen. Zij kwamen in contact met de franciscanessen van Dongen. Deze zusters waren in 1800 uit Leuven naar de Bataafse Republiek gekomen en hadden zich in Dongen gevestigd.

 

Een nieuwe congregatie

Deze zusters staan aan de wieg van alle franciscaanse zustercongregaties in het bisdom Breda. De overste van de Dongense zusters, moeder Augustina Janssens, vond drie meisjes uit Leuven bereid om in Breda te gaan werken en een nieuwe congregatie te stichten. Het ging om Barbara Saelmaekers (1797-1886), haar zus Anne-Marie (1807-1830) en Catherina Corbusie (1787-1853). De nieuwe congregatie koos de Regel van de franciscaanse Orde en volgde de constituties van de penitenten-recollectinen, een hervormingsbeweging binnen de franciscaanse kloosterfamilie.

De nieuwe congregatie viel rechtstreeks onder mgr. Van Hooydonk (1782-1868), apostolisch administrator van het apostolisch vicariaat Breda, de voorloper van het huidige bisdom. Bij het Zuid-Nederlandse drietal voegde zich nog een leek die in het gasthuis werkte. In 1830 begonnen ze aan hun noviciaat en op 15 augustus 1831 legden de de eerste drie zusters hun professie af in de handen van mgr. Van Hooydonk.

De congregatie groeide snel en de werkzaamheden namen toe. Dat leidde tot de stichting van enkele bijkloosters die op hun beurt weer aan de basis stonden van nieuwe congregaties zoals bijvoorbeeld de franciscanessen van Bergen op Zoom (1840) en de franciscanessen van Bennebroek (1847).

Halverwege de negentiende eeuw ontving de congregatie via mgr. Van Hooydonk een verzoek van mgr. Niewindt (1796-1860), de apostolisch vicaris van Willemstad (Curaçao) om de verpleging en verzorging op zich te nemen in het pas opgerichte ziekenhuis te Otrabanda, een wijk van Willemstad. Na negen dagen van intensief beraad besloot de congregatie op deze vraag in te gaan. Op 7 september 1855 scheepten zr. Ursula van Hooijdonk, zr. Joanna Botermans en zr. Dorothea van Rosmalen in. Na een reis van ruim zes weken kwamen ze op het eiland aan.

Het bewoonbaar gemaakte gasthuis werd op 3 december 1855 geopend. De zusters werkten onder zeer zware omstandigheden. Ondanks het feit dat twee zusters al na een half jaar ernstig ziek werden, lieten ze zich niet ontmoedigen. Al een jaar later kregen de zusters de zorg voor een groep Lepra-patiënten en mensen met een geestelijke beperking die op een smalle landtong (het Rif) bij Willemstad leefde in het Dolhuys. De gouverneur van Curaçao deed een dringend beroep op de congregatie. De drie zusters kregen ook versterking vanuit het Bredase moederhuis. De zusters maakten veel indruk op de lokale bevolking. Hun ziekenhuis groeide. Tegelijkertijd traden ook de eerste meisjes uit Curaçao in. Op 30 juli 1857 legde de gouverneur van Curaçao de eerste steen voor een nieuw ziekenhuis.

Tegenslagen bleven de zusters niet bespaard. In 1877 trof een orkaan Curaçao. Het Dolhuys werd verwoest. Daarnaast stierven bij deze natuurramp drie zusters. De ramp leidde ertoe dat een half jaar later de leprapatiënten gescheiden werden van de geestelijk gehandicapten die verpleegd werden op een terrein nabij het Gasthuis. De zusters hebben zich met veel liefde aan de verpleging van lepra-patiënten gewijd. Sommige zusters raakten zelf besmet.

Een half jaar na de ramp vertrokken opnieuw vijf zusters naar Curaçao. Het ziekenhuis in Willemstad bleef groeien. Op het einde van de negentiende eeuw telde het ziekenhuis meer dan vijfhonderd bedden. In de periode tussen 1893 en 1899 reisden liefst 22 zusters vanuit Breda naar Willemstad.

De Antilliaanse meisjes die intraden kregen hun religieuze vorming in Willemstad. Dat duurde tot 1912. Toen besloot het bestuur van de congregatie dat zij voortaan hun vorming in het Bredase moederhuis moesten ontvangen. Dit had tot gevolg dat de roepingenstroom in Curaçao opdroogde en het ziekenhuis geheel afhankelijk werd van Nederlandse zusters.

Het leven van deze zusters was niet altijd eenvoudig. Ze volgden een in West-Europa geschreven regel. Ze mochten soepeler omgaan met de voedingsvoorschriften. Ze bleven de zwarte kleding dragen. Pas in 1928 gaf bisschop Hopmans toestemming lichtere witte kleding te dragen. In 1936 werd op last van het gouvernement net buiten Willemstad een psychiatrisch ziekenhuis gebouwd. Ook hier werkten 22 zusters.

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw verminderde het aantal roepingen. Desondanks breidde het werk in Willemstad zich uit. Na de oorlog stuurde de congregatie herhaaldelijk zusters naar Curaçao. In 1952 startten de franciscanessen met een opleiding tot hulpverpleegster en vijf jaar later een verpleegstersopleiding. Geleidelijk aan begon de afbouw, mede omdat de congregatie in 1956 besloot een missie in Afrika te starten.

De inkleding van novicen bij de Franciscanessen Alles voor Allen te Breda, 1953. (Bron: Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven, Sint Agatha)

De inkleding van novicen bij de Franciscanessen Alles voor Allen te Breda, 1953. (Foto: Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven, Sint Agatha)

In 1960 waren er al meer leken-verpleegsters dan religieuzen actief. In die jaren liep het aantal leprapatiënten sterk terug. In 1966 werden de laatste twee patiënten ontslagen. Vanaf dat jaar nam men leprapatiënten in het Elisabethziekenhuis op. Per 1 januari 1970 zegde de congregatie het contract met dit psychiatrisch ziekenhuis op. Geleidelijk aan trokken gezusters zich terug en droegen het stokje over. In 1988 verlieten de zusters het eiland definitief en keerden terug naar Nederland.

In het begin van de jaren zestig dachten de zusters korte tijd aan de stichting van een missiepost in Brazilië. De overste van de congregatie, moeder Mechtildis maakte in 1962 een reis naar de missieposten in Afrika en Curaçao. Op die reis deed ze ook Brazilië aan. Het was de bedoeling dat de zusters zich daar niet richtten op de medische zorg maar op het instandhouden van de rooms-katholieke Kerk India gebied. Door de terugloop van het aantal roepingen moest de congregatie afzien van deze plannen.


Missie in Afrika

De zich aftekenende crisis in het religieuze leven in de jaren vijftig deed geen afbreuk aan de missionaire inzet van de Bredase religieuzen. Juist in die tijd ontstond er binnen de rooms-katholieke Kerk een toenemende interesse voor het Afrika. Men kreeg oog voor de bloeiende Kerk op dit continent. In 1954 hield de rector van het klooster, mgr. W. Koenraadt, een gloedvolle uiteenzetting voor de zusters over het katholicisme aldaar. De zusters werden gewonnen voor het idee in Afrika te werken en in 1955 maakte een groep van drie zusters een bezoek aan de grensgebieden van de huidige landen Oeganda, Rwanda, Tanzania en Zaïre (nu de Democratische Republiek Congo). Enkele Witte Paters, missionarissen die zich speciaal toelegden op de missie in Afrika, vergezelden hen.

Het drietal, onder leiding van zuster Wilhelmina, de overste van de congregatie, keerde enthousiast terug. De congregatie besloot zusters voor het missiewerk in Afrika vrij te maken. De zusters stichtte een ziekenhuis in Rubya (Tanzania) en in Mutolere (Oeganda). De Witte Paters betaalden de bouwkosten van de ziekenhuizen en de zusters de inrichtingskosten. Zes jaar, in 1961, later stichtte de congregatie een missiepost in Nyakibale, een klein dorp in Oeganda, ook behorend tot het bisdom Mbara. Daar stonden de zusters aan de wieg van het Caroli Lwangihospital, genoemd naar een van de martelaren van Oeganda. De lokale bisschop, mgr. Ogez, zegende het ziekenhuis op 14 november 1962 in. Het ziekenhuis kreeg een grote lokale betekenis. Het hand een verzorgingsgebied van ruim 175.000 personen. In 1971 startte het ziekenhuis met een verpleegstersopleiding.

Oeganda gold binnen Afrika als een redelijk welvarend land. Dat veranderde met de machtsgreep van generaal Idi Amin (ca 1925-2003). Hij stortte het land door zijn dictatoriale bewind in de afgrond. De zusters trokken zich niet terug maar namen wel maatregelen waardoor hun werk door kon gaan. Zo sloot de congregatie een overeenkomst met het bisdom Kabale waarbij het bisdom het ziekenhuis in Mutolere overnam en de zusters in loondienst van het bisdom kwamen. Hetzelfde deden de zusters met de ziekenhuizen in Rubya en Nyakibale, respectievelijk aan de bisdommen Bukoba en Mbara.

De zusters zijn nooit persoonlijk bedreigd. Vaak waren ze de enige strohalm waaraan gewonde soldaten zich vastgrepen.
De overdracht aan de bisdommen leidde het terugtrekken van de zusters in Oeganda. In 1991 vertrokken de zusters uit Rubya en Nyakibale. In 1995 volgde Mutolere. Uit het oog betekent niet uit het hart. De congregatie bleef de missieposten steunen. De lokale bevolking nam het werk van de zusters over.

De congregatie van de franciscanessen "Alles voor Allen" kan terugkijken op veertig jaar geslaagde arbeid ten dienste van de bevolking van Tanzania en Oeganda, inzet die zijn vruchten heeft afgeleverd.

 

Bronnen

Van Alphen, Q., Alles voor allen: geschiedenis van de congregatie der zusters penitenten-recollectinen van de Haagdijk te Breda, Roosendaal, 1947.

Sponselee-De Meester, T., “Alles voor Allen”: geschiedenis van de Zusters Franciscanessen van Breda 1947-2007, Nijmegen, 2007.