Het onderbelichte slavernijverleden van de oprichter van de Kwatta fabriek

“Aller oogen zijn gericht op…” Suriname

Vertrekken van tot slaafgemaakten in Suriname (Bron: Jacob Eduard van Heemskerck van Beest, 1860 - 1862, Rijksmuseum)

Vertrekken van tot slaafgemaakten in Suriname (Bron: Jacob Eduard van Heemskerck van Beest, 1860-1862, Rijksmuseum)

“Een stukske Kwatta” is in het begin van de twintigste eeuw voor Brabanders een begrip. Zo is Kwatta tot in de jaren zeventig een synoniem voor een stukje chocolade. De reclameslogan van Kwatta “Aller oogen zijn gericht op Kwatta” is een bewijs van de populariteit die de N.V. Stoom Cacao- en Chocoladefabriek Kwatta, te Breda, genoot. De geschiedenis van het chocolade imperium begint echter niet in Breda, maar op de plantages in Suriname.

Met de geboorte van Joseph ‘Joost’ Gustaaf van Emden (1830-1889) begint het verhaal van het Kwatta imperium. Zo richt hij in 1883 de N.V. Stoom Cacao- en Chocoladefabriek Kwatta te Breda op. Joost werd in 1830 geboren als zoon van plantagehouder en gouvernements-secretaris van Suriname, Egbert ‘Elias’ van Emden (1799-1864). Zijn vader had een succesvolle carrière in de kolonie. Dit kwam onder andere door de relaties die Egbert had met de De la Parra’s, de familie van zijn vrouw. Zo werd Egbert in de jaren 1850, net als zijn schoonvader, een planter en bestuurder van elf plantages en slavenhouder van maar liefst 1.650 tot slaafgemaakten. Hij was dus iemand met aanzienlijke invloed in Suriname.

Deze rijkdom en invloed was ook voelbaar in het huis waar Joost opgroeide in Paramaribo. Zijn ouderlijk huis stond aan de prestigieuze Waterkant van Paramaribo, waar zijn vader een huispersoneel van veertig tot slaafgemaakten onderhield. Egbert bekleedde een aanstelling bij de regeringssecretarie en de burgerwacht. Een decennia later kreeg hij een positie bij de rechterlijke macht. Door deze functies raakte Egbert betrokken bij de abolitiekwestie, de emancipatie van tot slaafgemaakten. Hij was van mening dat de emancipatie niet te gehaast doorgevoerd moest worden, uit angst om ‘arbeidskrachten’ op de plantages te verliezen. Wanneer plantagehouders wel verliezen zouden lijden ten gevolge van de abolitie, dan zouden zij gecompenseerd moeten worden in de vorm van een geldsom. Verder steunde Egbert het idee dat de tot slaafgemaakten ‘beschaafd’ moesten worden. Zo was hij een van de weinige planters die een kerk bouwde voor zijn tot slaafgemaakten, op de plantage de Drie Gebroeders. Het feit dat de familie Van Emden een kerk liet bouwen is tevens opmerkelijk, omdat zijn voorouders het Joodse geloof aanhingen.

Gezicht van de waterkant van Paramaribo (Bron: Leonardus Schweickhardt, 1800 - 1821, Rijksmuseum)

Gezicht van de waterkant van Paramaribo (Bron: Leonardus Schweickhardt, 1800-1821, Rijksmuseum)

 

De Drie Gebroeders

In 1856 was Joost van Emden eigenaar van een van de meest prominente plantages in Paramaribo, de suikerplantage de Drie Gebroeders. Een jaar later werkte er maar liefst 257 tot slaafgemaakten gedwongen op de plantage.

De arbeid op suikerplantages was vaak zwaarder dan op andere plantages. Dit had te maken met het klimaat van Suriname. Door de nattige seizoenen kan het suikerriet maar in bepaalden maanden gesneden worden. Bovendien verhinderde het gebruik van plantbedden en drainagegrachten, die noodzakelijk zijn in moerassige gronden, het gebruik van een ploeg. Het snijden en het schoffelen van het riet in de zware zeeklei moest daarom met de hand worden gedaan. Ook zorgde de korte periode waarin het suikerriet geoogst kon worden voor een hoge werkdruk. Tot slaafgemaakten werden letterlijk opgezweept om het werk op tijd af te krijgen. Opsluiting en verhongering waren het gevolg als ze weigerden. Al deze omstandigheden en werkdagen van soms wel 24 uur hadden grote gevolgen voor de gezondheid van de tot slaafgemaakten. Het sterftecijfer was dan ook erg hoog.

Tot slaafgemaakten oogsten suikerriet op een suikerplantage in West-Indië (Bron: William Clark, 1823, The British Library)

Tot slaafgemaakten oogsten suikerriet op een suikerplantage in West-Indië (Bron: William Clark, 1823, The British Library)

Dit hoge sterftecijfer in combinatie met de afschaffing van de slavenhandel in 1814 zorgde ervoor dat er steeds minder tot slaafgemaakten ingezet konden worden op de plantages. Het resultaat hiervan is dat de Nederlandse plantagehouders, ook Van Emden, vanaf 1853 gingen experimenteren met het inzetten van Chinese contractarbeiders. Ondanks dit contract werden ook zij behandeld als tot slaafgemaakten. In de onderstaande beschrijving uit een krantenartikel, van een incident tussen Van Emden en de Chinese contractarbeiders in 1858, wordt dit duidelijk.

“Verscheidene dagbladen hebben dezer dagen melding gemaakt van het voorgevallene aan de rivier de Suriname, op de suikerplantage de Drie Gebroeders, Kortelijk komt het hierop neder. Op die plantage bevinden zich 25 Chinezen, als immigranten en dus als vrye arbeiders. De heer van Emden, zoon van den president van het collegie van kleine zaken, is daarvan directeur, terwijl de president zelf mede-eigenaar is. Er ontstond tusschen den directeur en genoemde vrije arbeiders eenig verschil over het werkloon, en onmiddellijk werd de tusschenkomst van den president van Emden ingeroepen en door dezen berigt van het gebeurde gegeven aan zijn boezemvriend, den gouverneur der kolonie, den generaal majoor Schrimpf, welke den commissaris van politie, den heer Buyckinck, last gaf zich naar genoemde plantage te begeven, en de Chinezen gestreng te straffen. Na eenige aarzeling voldeed deze aan zijn last, vertrok met de koloniale schroefstoomboot Paramaribo, en kwam den 11den Julij op de plantage de Drie Gebroeders aan. Hij liet drie Chinezen door zijne politieagenten zoo gestreng geeselen, dat een van hen, na het ontvangen van 25 stokslagen, in zwijm viel. Vier anderen zijn in het fort Zeelandia opgesloten, en veroordeeld tot twee maanden slavenarbeid.”

 

“Afschaffing van de slavernij”

Op 1 juli 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft en werd het staatstoezicht ingesteld. Op plantage de Drie gebroeders, waar Joost van Emden directeur was, werden maar liefst 243 tot slaafgemaakten vrij verklaard. Voor een periode van tien jaar hadden tot slaafgemaakten zelf in handen hadden waar ze betaalde dwangarbeid gingen verrichten. Zo hadden de plantagehouders de komende jaren nog voldoende arbeidskracht op hun plantage en kregen zij genoeg tijd om nieuwe werkkrachten te zoeken, die het werk van de tot slaafgemaakten na deze tien jaar konden overnemen.

Voor elke tot slaafgemaakte die de plantagehouder vrijverklaarde ontving hij/zij een schadeloosstelling van ƒ300. De emancipatie resulteerde niet in een verbetering van omstandigheden voor de tot slaafgemaakten. Zo werd er in de aanloop van de emancipatie de jacht op gevluchte tot slaafgemaakten in de hand gespeeld. De plantagehouders probeerden zo veel mogelijk tot slaafgemaakten personen aan te geven, voor het geld, het maakte hen niet uit dat zij juist waren gevlucht van de plantages. Met de emancipatie eindigt ook de slavenarbeid op de plantages niet.

In 1873 eindigt het tienjarige staatstoezicht. De vroegere tot slaafgemaakten worden vrije burgers. Plantagehouders, zoals Van Emden, moeten hierdoor op zoek naar vervangende arbeiders. In het Surinaamse buurland Brits-Guyana was al vanaf 1834 gebleken dat Hindoestaanse contractarbeiders geschikt waren als vervangende arbeiders. Na overleg kreeg ook Nederland toestemming van Groot-Brittannië om arbeiders te verwerven in Brits-Indië. De Britten hadden echter de voorwaarde dat de contractarbeiders voor vijf jaar betaalde arbeid moesten verrichten op de Surinaamse plantages. Na deze vijf jaar zouden zij recht hebben op een eigen stuk akkerland in Suriname en honderd gulden, of een gratis reis naar hun moederland. Er kon ook gekozen worden voor verlenging van de contractperiode. Dit laatste gebeurde echter niet altijd uit vrije wil. Onder het mom dat er geen schepen beschikbaar waren, moesten de arbeiders vijf jaar doorwerken. Wanneer zij weigerden, kwam het aanbod van akkerland of een reis volledig te vervallen.

Woningen voor de contractarbeiders op Plantage Kwatta (Bron: Théodore van Lelyveld, 1895 - 1898, Rijksmuseum)

Woningen voor de contractarbeiders op Plantage Kwatta (Foto: Théodore van Lelyveld, 1895-1898, Rijksmuseum)

 

De N.V. Stoom Cacao- en Chocoladefabriek Kwatta

De zaken liepen met deze nieuw verworven contractarbeiders voor Van Emden voorspoedig, totdat er zich ongeveer elf jaar later op zijn cacaoplantage een geval van lepra openbaarde. Uit angst vluchtte hij daarom naar Parijs. Eenmaal aangekomen in Parijs besloot hij om naar Breda te vertrekken, waar een paar jaar eerder drie directe familieleden waren neergestreken.

In juli 1877 vestigde Van Emden zich met zijn gezin in de stad, waar hij ging leven met zijn in Suriname vergaarde vermogen. Met het oog op de carrière van zijn zoons, besloot hij in zaken te gaan met de Bredase banketbakker P.A. de Bondt. Samen richtten zij de Chocoladefabriek De Bondt & Co. op in 1883. De cacao die in deze fabriek werd gebruikt kwam van Van Emden zijn cacaoplantages. Een jaar later ging hij alleen verder, door middel van de winst van de plantages, onder de naam NV Stoom Cacao- en Chocoladefabriek Kwatta.

N.V. Stoom Chocolade- en Cacaofabriek Kwatta Breda (Bron: Firma Schreurs (v/h Stutz), Stadsarchief Breda, Kwatta chocoladefabriek, Breda Beeldcollectie, GN19920174)

N.V. Stoom Chocolade- en Cacaofabriek Kwatta Breda (Bron: Firma Schreurs (v/h Stutz), Stadsarchief Breda, Kwatta chocoladefabriek, Breda Beeldcollectie, GN19920174)

Alle rechten voorbehouden

De roemrijke jaren van Kwatta braken echter pas aan, onder de gebroeders Jules en Eugène Stokvis. Vier jaar na het overlijden van Van Emden in 1889, namen zij de fabriek over. Door ook de plantages over te nemen hielden zij zelf de aanvoer van het belangrijkste ingrediënt voor de chocolade, de Kwatta cacao, in de hand. De verpakte reep, die in 1907 werd geïntroduceerd, zou hun grote doorbraak worden. Kwatta chocolade wordt hierdoor een begrip.

 

Bronnen

Van Stripriaan, A., An Unusual Parallel: Jews and Africans in Suriname in the 18th and 19th Centuries, (1997).

“Wet van den 8sten Augustus 1862, houdende de opheffing der slavernij in de kolonie Suriname”, in: Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, (1 januari 1862), 271.

“Binnenland”, in: Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad (jrg. 2, nr. 207), (2 september 1858), 2.

Choenni, C., Hindostaanse contractarbeiders (1873-1920): van India naar de plantages in Suriname, (2018).

Nierse, L., Slavernij Suriname ‘geboren’ in Breda, (2019). 

Nationaal Archief, Suriname en Nederlandse Antillen: Vrijverklaarde slaven (Emancipatie 1863), De Drie Gebroeders.

Nationaal Archief, Suriname: Contractarbeiders uit India (Hindostanen), Contractnummer: B/786.