Koloniale banden van Kasteel Asten

Kasteel Asten 1, Commons, RCE

De voorburcht van Kasteel Asten in 1963. (Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Wikimedia Commons)

Kasteel Asten (vroegste vermelding 1432, nu een ruïne) is in de loop van de eeuwen vaak van eigenaar veranderd. Het kasteel was in de achttiende eeuw voor mensen van adel een startpunt van jachtpartijen in de bossen rondom. De laatste bewoner verliet het kasteel in 1984. Verhalen over heksen doen sindsdien de ronde, maar de geschiedenis van het kasteel heeft nog een andere duistere kant.

Elmina

Pieter Pieterzn. Valckenier (1691-1738) kocht het kasteel in 1735, niet om in te wonen, maar als belegging. Wel werd Valckenier door de aankoop "vrijheer van Asten en Ommel" en Kasteel Asten werd door de nieuwe eigenaar deel van de koloniale geschiedenis. Valckenier was een telg uit een Amsterdamse regentenfamilie. Zijn vader was secretaris en schepen van Amsterdam en bewindvoerder van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Ook Valckenier werd burgemeester van Amsterdam, nadat hij van 1723 tot 1727 Directeur-Generaal van Guinea (West-Afrika) was geweest. Valckenier was al in 1715 actief voor de West-Indische Compagnie (WIC) als opperkoopman in slaven aan de kust van Afrika. Hij kreeg in dat jaar op eigen verzoek ontslag uit die functie om acht jaar later op Elmina als hoogste bestuurder terug te keren.

Gezicht op Fort Elmina aan de goudkust. (Bron: Johannes Vingboons, 1665-1668, Atlas Blaeu - Van der Hem)

Gezicht op het WIC-fort Elmina aan de goudkust. Het fort diende als verdediging voor een handelspost in tot slaafgemaakten en goud. (Bron: Johannes Vingboons, 1665-1668, Atlas Blaeu - Van der Hem)

Meer dan 550.000 Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen zijn door de WIC en anderen tussen 1621 en het begin van de negentiende eeuw in slavernij gedwongen, gevangen in de forten aan de kust en in de ruimen van de zeilschepen naar de Amerika’s gebracht. Gemiddeld een op de vier mensen stierf aan boord. Brazilië, Curaçao, Suriname en Nieuw Amsterdam waren de plaatsen waar deze mensen zijn verkocht om als slaven op plantages en in huishoudens voor de Europese kolonisten te werken. Een van de kinderen, Quaco, kwam ook nog op Kasteel Asten terecht.

Valckenier keerde in 1727 terug naar de Republiek om burgemeester van Amsterdam en vrijheer van Asten te worden en te trouwen met Bregje van Ghesel (1698-1753). Na Valckeniers dood in 1738 bleef Bregje Vrouwe van Asten en erfde een vermogen. Ze hadden geen kinderen. Het kasteel kwam in handen van twee kooplieden uit Dordrecht, Hombroek en Nievervaart.

 

Paramaribo

In de tijd dat Hombroek en Nievervaart eigenaren van het kasteel waren, was een van de huurders baron Assueer Jan Torck, heer van Rosendael bij Arnhem. In het gevolg van de baron bevond zich Quaco, de zwarte bediende van de baron.

Standbeeld Kwakoe Paramaribo

Het standbeeld in Paramaribo van Jozef Klas herinnert aan de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Dat was een woensdag. Het heet Kwakoe, omdat die naam in delen van West-Afrika werd gegeven aan jongens die op een woensdag zijn geboren.(Bron: Nationaal Archief, Wikimedia Commons)

De verhalen van Pieter Valckenier en Quaco laten zien hoe een plek als Kasteel Asten is verbonden met de geschiedenis van Afrika, Suriname en Indonesië, met koloniale slavernij en geweld, rijkdom voor de een, armoede voor de ander.


Bronnen

Mok, I. en E. Heuvel, Quaco, leven in slavernij, Zutphen, 2015.

Hondius, D. e.a., Nederland: Gids Slavernijverleden | The Netherlands: Slavery Heritage Guide, Volendam, 2019.

www.mappingslavery.nl en educatief materiaal op https://edu.mappingslavery.nl/.

http://www.quaco-stripverhaal.nl/