De straatweg van 's-Hertogenbosch naar Luik

54aluik1.jpg

De weg van 's-Hertogenbosch naar Luik. (Foto: Marc Bolsius, Erfgoed Brabant)

Wie vanaf Vught over de A2 in zuidelijke richting rijdt, ziet op zeker moment precies in de as van de weg de toren van de Boxtelse Sint-Petruskerk opdoemen. Dit uitzicht herinnert aan de achttiende-eeuwse voorganger van de snelweg, de straatweg van ’s-Hertogenbosch naar Luik.

Landmeters die het tracé van wegen als deze moesten uitzetten, gebruikten daarbij de kerktorens van het volgende dorp namelijk vaak als richtpunt. De loop van de snelweg is niet de enige relatie met de achttiende-eeuwse situatie. Ook de vroegere tolplaatsen langs de weg, barrières met slagbomen die pas open gingen als het verschuldigde weggeld betaald was, zijn hier en daar bewaard gebleven. Halverwege Vught en Boxtel, bij de buurtschap Hal, was de Halse Barrier ingericht. Een van de huizen daar, pal aan de snelweg gelegen, draagt nog altijd de naam ‘De Oude Tol’ op de gevel.

In 1741 legde de zoon van president-schepen Hendrik Bernard Martini (1693-1776) de eerste steen van de weg met een zilveren hamer, die nu in Het Noordbrabants Museum ligt. Aanleiding voor het project was het uitbreken van de Oostenrijkse Successieoorlog. Daardoor dreigde een blokkade van de belangrijke handelsroute van Holland naar Luik, die via de Oostenrijkse Nederlanden liep. Een rechtstreekse verbinding zou dat probleem kunnen omzeilen.

Stratemakershamer

De zilveren hamer waarmee de zoon van president-schepen Hendrik Bernard Martini (1693-1776) de eerste steen van de straatweg van Luik naar 's-Hertogenbosch legde. (Bron: Het Noordbrabants Museum)

Alle rechten voorbehouden

Het verbeteren van deze verbinding was hoe dan ook dringend gewenst. Omdat de Maas door lage waterstanden en vele tollen nauwelijks te gebruiken was, takelde men de handelswaar voor het zuiden in Den Bosch uit de schepen en laadde ze over op vrachtkarren. Daaronder waren ook zogeheten ‘Walenkarren’, die bijna de complete inhoud van een schip konden vervoeren. Ze werden getrokken door soms wel zes, en in de winter door zelfs acht of negen paarden.

Op het traject naar Luik was men met deze karren zo’n vijf tot zeven dagen onderweg. Op een steenweg, zo was becijferd, zouden zelfs de zwaarste karren aan drie paarden genoeg hebben en ook de reisduur zou erdoor worden verkort, een evidente verbetering dus.

De aanleg van de weg bleek een project van lange adem. Nadat het voor die tijd reusachtige bedrag van 400.000 gulden dat Den Bosch voor de aanleg geleend had, in 1745 was besteed, reikte de steenweg nog niet verder dan Best. Maar zelfs met dat onvoltooide werk verkeerde Staats-Brabant in de voorhoede, want het was een van eerste verharde doorgaande wegen in Nederland.


Pas in 1818 werd de steenweg voltooid, met hulp van de overheid en met bijdragen van Eindhoven. Die stad had ondertussen onder meer de nog altijd bestaande en kaarsrechte tracés van de Boschdijk, de Stratumsedijk en de Aalsterweg verder naar het zuiden aangelegd. Bij de ombouw van de A2 tot autosnelweg kwam in 1992 bij Vught, parallel aan het nieuwe tracé, een deel van de oude achttiende-eeuwse keienbestrating aan het licht. Over een afstand van enkele honderden meters werd dit monument van verkeersgeschiedenis blootgelegd en hersteld.

 

Bronnen

Corten, J. (red.), Lijnen door het Brabantse land. 200 jaar verkeersinfrastructuur in Noord-Brabant 1796-1996, Zwolle, 1996.

Van Oudheusden, J., Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014.

 

Dit artikel is een bewerking van een tekst uit J. van Oudheusden, Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014, 136.