Thema

Oorlogsschade, crises en hoop op herstel

Dat Brabant in de Tachtigjarige Oorlog diende als slagveld, deed de welvaart van het gebied geen goed. Daarom groeide de zeventiende eeuw in Noord-Brabant niet uit tot een 'Gouden Eeuw'.

Steden en zandgronden

Economisch gezien was Staats-Brabant in de zeventiende eeuw op te delen in vier delen: de steden, de zandgronden in het zuiden en oosten, de rivierkleigronden langs de Maas en de zeekleigronden in het uiterste westen en noordwesten.

De Brabantse steden waren relatief klein: alleen Bergen op Zoom, Breda en ‘s-Hertogenbosch hadden een inwonersaantal van boven de vijfduizend. Goede verbindingen met de rest van de Republiek gaven deze steden een centrale functie. Een aantal kleinere stadjes, zoals het Hollandse Heusden en Eindhoven, dienden als regionale marktplaatsen. De beperkte economische rol van de steden betekende dat er hier aan het begin van de zeventiende eeuw geen sprake was van een ontwikkelende industrie, maar slechts van nijverheid op kleine schaal.

Het landbezit op de Brabantse zandgronden was enorm versplinterd onder kleine boeren. Hier kwam bij dat ze veel mest nodig hadden. Het gevolg van dit alles was dat het gebied in het midden van de zeventiende eeuw enorm veel kleine boerenbedrijfjes telde. Boerenbedrijfje is vaak nog een groot woord: meestal waren ze kleiner dan een hectare en er waren zelfs mensen die slechts een huisje met een hof (moestuin) hadden. Hiernaast bestonden enkele uitzonderingen in de vorm van grote hoeven van kloosters, adellijke families of rijke Bosschenaren.

fysischegeografieThuisinBrabant

De belangrijkste grondsoorten in Brabant. (Bron: Thuis in Brabant)

Rivier- en zeeklei

Waar de arme zandgronden snel uitdroogden, gold het tegenovergestelde voor het rivierkleigebied. Het gebied was vaak slachtoffer van overstromingen. De Staten-Generaal keek hier niet per se negatief naar. Het was namelijk gunstig voor de defensieve positie van de Republiek als het gebied makkelijk overstroomde: er ontstond dan een natuurlijke waterbarrière die de rijke steden in Holland beschermde.

Om de overstromingen toch te beheersen, bouwde men tegen het einde van de zeventiende eeuw een systeem van 'overlaten'. Dit waren delen dijk die bewust lager waren dan elders, zodat het water daar zou overstromen en niet ergens anders. De grootste was de Beerse Overlaat, die van Linden tot aan de Beerze boven Den Bosch liep. Landinwaarts vingen andere dijken de 'Beerse Maas' weliswaar op, maar niet voordat het water verschillende dorpskernen geïsoleerd had. De regelmatige en langdurige overstromingen schaadden de landbouw, en bovendien waren er extra waterschapsbelastingen nodig om de dijken te onderhouden.

BeerseMaasWikimedia

In 1942 werd de Beerse Overlaat gesloten. Ter nagedachtenis werd dit beeld opgericht. (Foto: Havang(nl), 2007, Wikimedia Commons)

Misschien wel de beste landbouwgebieden in Brabant lagen in het zeekleigebied in het westen en noordwesten. Buiten de ingepolderde landen werden schapen gehouden, terwijl het ingedijkte land enorm vruchtbare landbouwgrond was.

Veel grond hier was in handen van heren zoals de markiezen van Bergen op Zoom of de Oranjes. Zij genoten grote inkomsten van het land dat zij verpachtten aan lokale boeren en haalden ook winst uit de vele windmolens die ze in het gebied bezaten. Als gevolg ontstond er hiervan een samenleving met enkele grootgrondbezitters, een groep pachtboeren en een grote hoeveelheid arme landarbeiders.

Economische oorlogsschade

Oorlog en oorlogsdreiging hadden in de zeventiende eeuw een grote invloed op de Brabantse economische ontwikkeling. Regelmatig brandden troepen dorpen plat, al kon dat vaak afgekocht worden. Daarnaast moesten dorpen vaak allerlei diensten en materialen leveren aan de troepen zonder dat ze daarvoor een vergoeding kregen.

PlunderingenHerbergRijksmuseum

Soldaten plunderen een herberg. (Bron: Jacques Callot, 1633, Rijksmuseum)

De ommuurde steden, waren iets beter af. Al was een oorlog funest voor de handel waarvan ze afhankelijk waren. Een langdurige belegering was helemaal desastreus. De vijand sloot dan de stad af van de rest van de wereld en zorgde bovendien voor fysieke schade.

Dalende belastinginkomsten na de vrede in 1648 wijzen op een onverwachte 'positieve' kant van oorlog. Na dit jaar verkleinde de Staten-Generaal in veel Brabantse vestingsteden de garnizoenen en in de oorlogsjaren hadden de garnizoenssoldaten kennelijk een grote bijdrage geleverd aan de stedelijke economie. Een aantal Brabantse steden vroeg dan ook in Den Haag om een groter garnizoen. Ook de bouw van forten tijdens de oorlog had de werkgelegenheid gestimuleerd, maar na het rampjaar 1672 zorgde de aanleg van de Zuiderwaterlinie voor een zelfde werkgelegenheid. 

Met name de Tachtigjarige Oorlog had een ernstig gevolg voor de economie van Brabant. Toen het gebied in 1648 generaliteitsland werd, kwam het in een bijzondere situatie terecht: het was deel van de Republiek, maar werd wat belastingen betrof als buitenland beschouwd.

Het gevolg was dat er voor handel tussen Brabant en de rest van de Republiek in- en uitvoerrechten verschuldigd waren. In de loop van de zeventiende eeuw bedongen steden regelmatig uitzonderingen op deze regel, maar dit was een continu proces van (her)onderhandelen.

Nijverheid

Van grootschalige industrie was in Brabant in de zeventiende- en achttiende eeuw geen sprake. Wel kenden sommige gebieden een bloeiende nijverheid. In de Langstraat bestond een op Holland gerichte schoenenproductie en in de Meijerij stond zelfs een kwart van alle weefgetouwen van de Republiek.

WeverwerksplaatsVanOudenroggeRijksmuseum

Een weverswerkplaats. (Bron: Johannes Dircksz. van Oudenrogge, 1652, Rijksmuseum)

Ook op de nijverheid hadden de zeventiende-eeuwse oorlogen invloed en niet alleen vanwege de 'binnenlandse' in- en uitvoerrechten. Hoewel wel eens beweerd is dat de textielindustrie vanaf 1650 vanuit Holland naar Brabant (en ook naar Twente) verplaatst is, lijkt dit niet te kloppen. Eindhoven, Helmond, Tilburg en de Meijerij kenden al een lange traditie van textielnijverheid. Deze was tot het eind van de Tachtigjarige Oorlog met name op Antwerpen gericht, maar keerde de blik na 1648 naar Holland. Tegelijkertijd werden er steeds producten naar het buitenland geëxporteerd.

De lonen in Brabant lagen lager dan in het verstedelijkte en welvarende Holland. Lang werd gedacht dat dit kwam doordat de nijverheid een 'extraatje' was. Omdat ze toch al van een soort bestaansminimum verzekerd waren dankzij de landbouw, zouden ze lagere prijzen kunnen vragen voor hun nijverheidsproducten. Bronnenonderzoek heeft echter anders uitgewezen: zeer weinig thuiswevers hadden bijvoorbeeld eigen vee. Een iets groter deel van hen bezat eigen land, maar dit was eigenlijk meer een groot uitgevallen tuin.

Op de kaart

Agrarische crisis

Vanaf 1660 beperkte een nieuw probleem de economische groei in Brabant en de rest van Europa. De graanprijzen stagneerden en begonnen zelfs te dalen. De prijzen van andere landbouwproducten en de pachtopbrengsten volgden. Een massale verarming was het gevolg, niet alleen in Brabant.

BoerenRijksmuseumWaterloo

Een boerenlandschap. (Bron: Anthonie Waterloo. 1630-1663, Rijksmuseum)

De prijsdalingen kende een aantal oorzaken. Zo nam de vraag naar voedingsmiddelen af door een daling van de Europese bevolkingsgroei. Daarnaast drukte toegenomen concurrentie, met name door Ierse zuivel, de prijzen. Als oorlogen of natuurrampen vervolgens een gebied troffen, werd de toch al worstelende lokale economie bijna weggevaagd. Tot slot had de algemene verarming invloed op de nijverheid. De vraag nam af, waardoor Tilburgers, Helmonders en Eindhovenaren minder orders kregen uit Holland. De nijverheid die zich op de lokale markt richtte kreeg te maken met forse concurrentie uit Oost-Europa.

De achttiende eeuw

KarikatuurFranseRevolutie

Een spotprent uit het Frankrijk net voor de Franse Revolutie. De arme boer draagt de geestelijken en adel op zijn rug. Soortgelijke spanningen leefden ook in Brabant. (Bron: M. P., 1789, Bibliothèque nationale de France)

De agrarische crisis zette de toon voor de achttiende eeuw. Er heerste grote armoede in Brabant en epidemieën van verschillende (vee)ziekten verergerden de situatie. Pas rond 1740 zouden de landbouwprijzen weer stijgen. Dat gaf een impuls aan (hernieuwde) ontginningen, zoals die al sinds de middeleeuwen plaatsvonden in Brabant.

De slechte situatie in Brabant was ondertussen ook doorgedrongen tot de Staten-Generaal, die het gebied bestuurde. Steeds meer dorpen hadden zich vanaf 1715 bij de Raad van State gemeld met een verzoek tot kwijtschelding of uitstel van belastingbetaling. In december 1722 besloot de Raad van State tot een onderzoek. In het najaar van 1724 verlaagde de Staten-Generaal hierop een groot aantal belastingen, en enkele werden tijdelijk zelfs niet meer geheven.

Dankzij deze maatregelen en de stijgende landbouwprijzen bood Brabant vanaf het midden van de eeuw weer goede investeringsmogelijkheden. Vermogende burgers belegden hun kapitaal in ontginningen en landgoederen. Dit ging vaak gepaard met bosaanplant voor houtwinning, onder andere voor de lokale klompenmakers. De landbouw werd verder geholpen door de introductie van de voedzame aardappel in de tweede helft van de eeuw. Grote delen van de nijverheid hadden wel een behoorlijke klap gehad: de textielnijverheid kon gedurende de achttiende eeuw niet concurreren met buitenlandse alternatieven. Ondanks het economische herstel in de tweede helft van de achttiende eeuw bleef de armoede in Brabant groot.

De Franse Tijd

In de Franse Tijd verspreidden de idealen van de Verlichting en de Franse Revolutie zich naar de Nederlanden. De overheid kreeg een belangrijkere rol in de samenleving toebedeeld, en op basis van statistiek probeerden bestuurders richting te geven aan economische en sociale ontwikkelingen. Hierbij richtten ze hun vizier ook op de armoede in Brabant, de oorzaak van een hoop banditisme en groepscriminaliteit.

De maatregelen tegen de armoede waren te verdelen in twee categorieën: symptoombestrijding, zoals razzia’s tegen bedelaars of werkverschaffingsprojecten, en structurele ingrepen, zoals economische stimuleringsmaatregelen. Daarnaast werd met nieuwe wet- en regelgeving landontginning gestimuleerd.

De inlijving van de Republiek door Frankrijk had onmiddellijke, positieve, gevolgen voor de nijverheid. Zo vielen alle verschillende tollen en douanebeperkingen weg, die in de zestiende eeuw de nijverheid nog zo dwars hadden gezeten, en werd de binnenlandse afzetmarkt plots veel groter. Daarnaast zorgde de constante oorlogssituatie voor een grote vraag naar uniformen, wat weer een nieuwe bloei van de textielindustrie betekende.

MargraffWikimedia

Andreas Marggraf, gebaseerd op een ets. (Bron: Anoniem, ca. 1770, Wikimedia Commons)

De Fransen stimuleerden ook de teelt van een relatief nieuw product: de suikerbiet. De belangrijkste suikerbron was lang het suikerriet geweest, dat op grote schaal in de koloniën werd geteeld met behulp van slavenarbeid. Door de blokkade van de Engelsen tijdens de Napoleontische oorlogen stokte de aanvoer van suikerriet en steeg dus de suikerprijs. In 1747 had de Duitser Andreas Marggraf (1709-1782) ontdekt hoe de suiker uit de biet te halen. Onder Napoleon propageerde Charles-François Lebrun (1739-1824) de suikerbiet in de Nederlanden. Het zou wel nog even duren voordat de suikerbiet echt doorbrak: na 1815 maakte het goedkope suikerriet zijn comeback.

De lange periode als generaliteitsland en de agrarische crisis van circa 1660 tot 1740 had de Brabantse economie weinig goeds gebracht. Met het aanbreken van de negentiende eeuw leek er echter verbetering op komst.

 

Bronnen

Noordegraaf, L. (red.), Agrarische geschiedenis van Nederland: van prehistorie tot heden, Amsterdam, 1986.

Van Gurp, G., “Gemerts linnen en de proto-industrie in de Meierij van 's-Hertogenbosch tijdens de zeventiende en achttiende eeuw”, in: Textielhistorische Bijdragen (jrg. 48, 2008), 46-77.

Van der Heijden, C., “Oorsprong en karakter van de proto-industrie in Noord-Brabant: een baanbrekende studie van Gerard van Gurp”, in: Textielhistorische Bijdragen (jrg. 45, 2005), 83-93.

Van Uytven, R. (red.), Geschiedenis van Brabant, van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

Van Velthoven, H., Stad en Meierij van ‘s-Hertogenbosch: deel 1, Amsterdam, 1935.

Draag bij aan Brabants erfgoed!

Wil je een verhaal delen? Vul hieronder je gegevens in, en geef kort aan wat je zou willen bijdragen. De redactie neemt dan contact met je op.