Thema

Tachtigjarige Oorlog

Een dunne grens tussen Staats- of Spaansgezinde provincie.

Op 24 april 1533 werd Willem van Oranje (1533-1584) geboren, ook wel Vader des vaderlands genoemd. Hij is de Nederlandse geschiedenisboeken ingegaan als de heldhaftige edelman die de Nederlanden bevrijdde van het Spaanse juk. Maar ervoer iedereen dit wel zo tijdens de Tachtigjarige Oorlog? Brabant bevond zich vanwege zijn overwegend katholieke bevolking in een lastige positie.

In oktober 2018 staat Brabants Erfgoed in het teken van de Tachtigjarige Oorlog. Op de speciale themapagina vind je nog meer artikelen over die periode, waaronder een interactieve longread.

Strijd met of tegen de Spanjaarden?

beeldenstorm.jpg

Tekening van de Beeldenstorm. (Bron: Jacobus Buys, 1786, Rijksmuseum)

In de zestiende eeuw stonden de Nederlanden onder Spaans gezag. De Spaanse heerser Filips II (1527-1598) kwam in 1555 aan de macht toen zijn vader afstand deed van de troon. Filips II was een fanatiek katholiek en streefde naar een centraal gezag. Daarnaast hief hij vrij stevige belastingen. Edellieden en stadsbesturen van de Nederlanden hechtten juist waarde aan hun lokale privileges. Zo hadden de Brabantse steden in de loop der eeuwen vrijstellingen van belastingen weten te verwerven dankzij hun steun aan de hertogen. Filips tornde hieraan.

Brabant is later bekend komen te staan als een overwegend katholieke provincie maar in de zestiende eeuw was in de Brabantse steden juist het protestantisme in opkomst. In die tijd was Brabant een hertogdom en omvatte het ook grote delen van het tegenwoordige België, waaronder ook steden als Antwerpen en Brussel. Toen meerdere Brabantse steden weigerden om mee te werken aan de vervolgingen en het heffen van zware belastingen ontstond er een conflict.

De spanningen in de Nederlanden kwamen duidelijk aan de oppervlakte in de zomer van 1566. Vanuit het zuid-westen van Vlaanderen ontstond er een golf van geweld over die zich in de maanden erna door Brabant en de rest van de Nederlanden verspreidde. Tijdens deze beeldenstorm werden kerken en kloosters vernield en leeggeroofd. Filips was woedend en stuurde de hertog van Alva (1507-1582) met een groot leger naar Nederland om orde op zaken te stellen. Stadhouder en rebel Willem van Oranje (1533–1584) vluchtte naar Duitsland en bereidde vanuit daar een invasie voor.

De eerste jaren van strijd vielen voor de opstandelingen niet gunstig uit. Ze leden grote verliezen. De Spaanse troepen waren beter getraind en bewapend. In 1572 keerde het tij, toen de watergeuzen Den Briel innamen en de Spaanse kas de kosten van de oorlog niet meer kon dragen. De soldij van de Spaanse soldaten werd al een tijd niet uitbetaald. Zij sloegen aan het muiten en plunderen. Met name de ‘Spaanse furie’ in Antwerpen van 1576 zette kwaad bloed bij de Nederlandse gewesten: de stad werd geplunderd en in brand gestoken, waarbij duizenden burgers omkwamen. Alle gewesten behalve Luxemburg kozen in de Unie van Brussel de kant van opstandeling Oranje. Ze vaardigden de Pacificatie van Gent uit, waarin ze eisten dat de Spaanse troepen zouden verdwijnen en dat de koning de oude privileges in ere herstelde.

spaansefurie.jpg

Tekening van de 'Spaanse furie' in Antwerpen. (Bron: Anoniem, ca. 1620, Rijksmuseum)

Een rommelige scheiding tussen noord en zuid

De tegenstellingen binnen de Unie van Brussel bleken toch te groot voor een succesvolle samenwerking. De Brabanders waren pragmatischer dan de noordelijke gewesten. Waar de noordelijke gewesten een overwegend protestantse en zelfstandige staat wilden, waren de Brabanders koningsgezind en bereid tot verzoening met de Spaanse koning. Een deel van de zuidelijke Nederlanden sloot in 1579 de Unie van Atrecht om vrede met de koning te sluiten en als reactie hierop sloten enkele gewesten in het noorden de Unie van Utrecht. Het centrum van de opstand verplaatste zich van Brabant naar Holland.

Toch is deze scheiding niet zo soepel en rechtlijnig verlopen als men achteraf vaak denkt. Aan het begin van de oorlog was het zeker niet duidelijk dat de Nederlanden zou splitsen in een noordelijk, protestants en Oranjegezind deel en een koningsgezind, katholiek zuiden. Door toevalligheden, zoals het wel of niet slagen van een belegering of oproer, kwam deze scheiding uiteindelijk tot stand.

schermersoproer.JPG

Het Schermersoproer in 's-Hertogenbosch, geschilderd door Jan van Diepenbeeck. (Bron: Jan van Diepenbeeck, ca. 1600, Noordbrabants Museum)

Het Schermersoproer in ‘s-Hertogenbosch is een goed voorbeeld van een dergelijk oproer. Hendrik Agylaeus, een geboren en getogen Bosschenaar, had protestantse sympathieën. Na het uitbreken van de Opstand richtte hij het Schermersgilde op, een vrijkorps. Hij wist het Bossche stadsbestuur zich aan te laten sluiten bij de opstandelingen. Toen het bestuur op 1 juli 1579 op het bordes van het stadhuis hun besluit verkondigde, braken er rellen uit. Koningsgezinde katholieken vochten met Staatsgezinde calvinisten en er vielen doden. De koningsgezinden wonnen en de stad sloot zich aan bij de Unie van Atrecht. Niet alle Brabantse steden deden dat: Antwerpen, Breda en Bergen op Zoom sloten zich aan bij de Unie van Utrecht.    

De strijd, die tot 1648 zou voortduren, was van grote invloed op het leven van de gewone Brabander. Soldaten van zowel Spaanse als Staatse kant vernielden de oogst en plunderden. Vooral de inwoners van de Meierij waren daardoor het slachtoffer van honger. Veel protestanten die in het zuiden woonden, vluchtten naar het noorden waarbij ze veel kapitaal met zich mee namen, wat een economische klap voor Brabant betekende. Ook stadsbewoners leden onder de oorlog. Zo werd Steenbergen meermaals ingenomen en was de stad aan het einde van de oorlog vrijwel verwoest.

Brabant als frontgebied

Tussen 1579 en 1588 werd bijna heel Brabant heroverd door de Spanjaarden. In 1588 begonnen de opvolger van Willem van Oranje, prins Maurits (1567-1625) en zijn neef stadhouder Willem Lodewijk (1560-1620) een grote veldtocht naar Brabant en keerde het tij. Maurits voerde militaire hervormingen door, waardoor de Staatse troepen beter bestand waren tegen de tercio’s van de Spanjaarden.

Waar in het begin van de opstand er nog grote veldslagen hadden plaatsgevonden, veranderde de strijd in een oorlog om steden. De steden werden versterkt met aarden omwallingen en innovaties als ravelijnen en bastions. Deze moesten de kanonskogels tegenhouden. De vestingwerken kregen een stervorm, om dode hoeken te voorkomen. De vijand kon niet ongezien naderen. Die bijzondere vorm is tegenwoordig nog goed te zien op kaarten. Steden als Grave en Heusden zijn hier voorbeelden van.

turfschip.jpg

Tekening van het turfschip van Breda. (Bron: J. Luyken, 1590, Stadsarchief Breda)

De innovaties in vestingbouw maakten het lastig om een stad in te nemen zonder grote verliezen te lijden. Hulp van binnenuit kon dit probleem oplossen. Aanvallers verzonnen listen om troepen binnen de muren te krijgen. Beroemd is de list die Maurits in 1590 gebruikte om Breda te veroveren. Een groep Staatse soldaten werd verstopt in een turfschip dat Breda binnen voer, en zij konden de stad vervolgens van binnenuit veroveren.

Een tweede manier om een stad in te nemen was door gebruik te maken van een vijfde colonne. Iedere stad had wel een groep ontevreden burgers die zich liever aan de kant van de vijand wilde scharen. Zij konden de aanvaller helpen door bijvoorbeeld de stadspoort open te zetten. Dit werkte niet altijd. Toen de koningsgezinde veldheer Spinola (1569-1630) Bergen op Zoom belegerde, kreeg hij hulp van katholieke Bergenaren. Op 18 juli 1622 zetten zij de stadspoorten voor het Spaanse leger open. De actie mislukte toen een groep protestantse Bergenaren de poorten weer sloot. Het Spaanse leger hield de belegering van de stad bijna negentig dagen vol, maar Bergen op Zoom hield stand. Maurits wist de stad uiteindelijk te ontzetten en de Spaanse troepen waren gedwongen te vluchten. Het lied ‘Merck toch hoe sterck’ kwam tijdens dit beleg tot stand.

Het lied Merk toch hoe sterck gaat over het heldhaftig verzet van de stad Bergen op Zoom tegen de Spanjaarden.

Als een stad niet snel werd ingenomen, kon een belegering lang duren. Dat merkte Spinola tijdens het Beleg van Breda in 1624. De bevolking moest door uithongering gedwongen worden zich over te geven. Spinola omringde de stad en liet op tactische plekken forten aanleggen. Niets en niemand kon Breda meer in. De Bredanaars werden behalve door honger ook geteisterd door ziektes als dysenterie en scheurbuik. Na elf maanden gaf Breda zich over: een van de laatste grote overwinningen van de Spanjaarden. In 1637 wist Fredrik Hendrik de stad na een belegering van 52 dagen weer in handen van de opstandelingen te krijgen.

Water als wapen

Naast het beleg van Breda in 1637 was de inname van ‘s-Hertogenbosch in 1629 een van Frederik Hendriks aanzienlijke overwinningen. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), een wapenstilstand, had het koningsgezinde stadsbestuur de verdediging van ‘s-Hertogenbosch flink verbeterd. Het van nature drassige karakter van het omliggende land droeg hieraan bij en leverde de stad de bijnaam ‘moerasdraak’ op. Toch weerhield het Frederik Hendrik, met de bijnaam ‘Stedendwinger’, er niet van de stad in te nemen. Hij loste het probleem van de drassige omgeving op door het water simpelweg weg te pompen. Hij liet twee hoge dijken en enkele molens om de stad aanleggen om het water onder controle te krijgen. Na een beleg van vijf maanden wisten de Staatse troepen een bres te slaan in de verdedigingswerken van ‘s-Hertogenbosch, waardoor de stad onverdedigbaar werd. Het Bossche garnizoen was gedwongen zich over te geven en de stad kwam in Staatse handen.

Frank Lammers bezoekt in Vught het voormalige hoofdkwartier van Frederik-Hendrik tijdens de Tachtigjarige Oorlog en hij gaat kijken wat er in de Bossche Sint-Jan is overgebleven na de protestantse inname van de stad in 1629. (Bron: Canon van Lammers, aflevering 11, Erfgoed Brabant)

Tijdens de Tachtigjarige oorlog werd vaker gebruik gemaakt van water als wapen of verdediging. De strategie om land onder water te zetten ten behoeve van de oorlogsvoering heet inundatie. Deze strategie werd in West-Brabant al vanaf 1582 ingezet, toen daar de ‘Linie van Eendracht’ werd aangelegd om de opmars van de Spanjaarden te stoppen. Vanaf 1628 werd deze linie uitgebreid rondom Bergen op Zoom en Steenbergen door de aanleg van sluizen en beekjes waardoor het land gecontroleerd onder water gezet kon worden. Deze West-Brabantse waterlinie zou de basis worden voor de Zuiderwaterlinie die door een groot deel van Brabant loopt en vanaf de zeventiende eeuw werd aangelegd. Noord-Brabant zou vanaf de vredesverklaring in 1648 gaan dienen als bufferzone tegen invallen vanuit het zuiden.

 

Bronnen

Amersfoort, H., Groen, P., en Van Nimwegen, O. (red.), De Tachtigjarige Oorlog: van opstand naar geregelde oorlog, 1568-1648, Amsterdam, 2013.

Sonnemans, G. e.a., Blikken op Brabant. De canon van Nederland in Noord-Brabants perspectief, ‘s-Hertogenbosch, 2012.

Van Boven, M. en Trappeniers, M., Het beleg van ’s-Hertogenbosch in 1629, ’s-Hertogenbosch, 1979.

Van Oudheusden, J., Verhalen van Brabant. Geschiedenis en erfgoed in tien tijdvakken, ‘s-Hertogenbosch, 2015.

Van Uytven, R. (red.), Geschiedenis van Brabant, van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004.

Draag bij aan Brabants erfgoed!

Wil je een verhaal delen? Vul hieronder je gegevens in, en geef kort aan wat je zou willen bijdragen. De redactie neemt dan contact met je op.