Van Breda naar Batavia en terug

De Koninklijke Militaire Academie in Breda en Nederlands-Indië

Kasteel van Breda - Koninklijke Militaire Academie ca. 1900  sinds 1828 Opleiding officieren voor het Nederlands leger en v.a.1830 voor officieren Kon. Ned. Indisch Leger (KNIL) - Foto David - Coll. Hist. Verzameling

het Kasteel van Breda - Koninklijke Militaire Academie rond 1900. Sinds 1828 was dit de opleiding voor officieren voor het Nederlands leger en vanaf 1830 ook voor officieren van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. (Foto: David/Paris, Collectie Historische Verzameling)

Kom je als bezoeker vanaf het station door het stadspark Valkenberg naar het middeleeuwse centrum van Breda gelopen dan passeer je het Kasteelplein. De naam van het plein verwijst naar het voormalig slot van de Nassaus die hier zeshonderd jaar geleden arriveerden.

Het ligt verscholen achter een indrukwekkend poortgebouw en is sinds 1828 bestemd voor de cadetten van de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Daarentegen is het huis “Justinus van Nassau”, nu een appartementencomplex, ooit het stadspaleis van de gouverneurs van Breda, wel goed zichtbaar vanaf datzelfde Kasteelplein. Het pand is genoemd naar de bastaardzoon van Willem van Oranje, Justinus van Nassau (1559-1631). Driehonderd jaar later vormde het gebouw “een sluitstuk” van onze koloniale geschiedenis: het Etnografisch Museum van de Koninklijke Militaire Academie en de Hoofdcursus.

Officiersopleiding met museum

De KMA te Breda begon in 1830 met de opleiding tot officier in de overzeese gebiedsdelen voor het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). De eerder genoemde Hoofdcursus (sinds 1852), een officiersopleiding voor onderofficieren die gevestigd was in Kampen, verhuisde in 1923 naar Breda. Een reden temeer om de educatieve collecties uit Kampen en de zich in de voormalige Rijks-HBS (nu Koningin Wilhelmina Paviljoen) bevindende KMA-collectie onder leiding van conservator majoor Voskuil samen te voegen. Wapens, kleding en eetgerei uit de koloniën vormden de belangrijkste attributen waar de aspirant-officieren kennis van moesten nemen.

Drijvende kracht en opvolger van Voskuil als conservator was dr. Jan Marginus Somer. Dr. Somer ging na de Duitse inval in het verzet, kwam via Zwitserland, Spanje en Suriname in Londen terecht waar hij de leiding kreeg over het Bureau Inlichtingen, de Nederlandse geheime dienst. Na zes jaar Borneo werd hij in 1928 benoemd tot KMA-docent land- en volkenkunde en staatsrecht van Nederlands-Indië en hij was van mening dat “de collecties de studenten over de roemruchte periodes van ons leger in Indië dienen te informeren en het historische bewustzijn en gevoel voor tradities zouden moeten aanwakkeren”.

De zogenoemde negentiende-eeuwse pacificatie-expedities naar Atjeh, Lombok of Borneo waren in feite strafexpedities met een tweeledig doel: onderwerping aan het gezag van de gouverneur-generaal, de koloniale vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden. En, de economische controle over een wingewest waar menig Europese grootmacht jaloers op was. De expedities, waarbij deels onder een hoedje werd gespeeld met lokale vorsten, hebben het leven gekost van duizenden autochtone bewoners en honderden militairen die naar de opstandige gebieden waren uitgezonden.

Poortgebouw Kasteel van Breda KMA ca. 1895 - Foto F. Reissig - Coll. Hist. Verzameling KMA

Het poortgebouw van het Kasteel van Breda rond 1895. (Foto: F. Reissig, Collectie Historische Verzameling)

De samenstelling van het KNIL

Nu worden in een democratie de militairen door de politieke leiding met een opdracht op pad gestuurd. Na het faillissement van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (met een eigen leger), eind achttiende eeuw, kreeg de Bataafse Republiek zijn geweldsmonopolie terug en benoemde een gouverneur-generaal die vanuit Buitenzorg (Bogor) het wel en wee in de kolonie zou gaan bepalen. Toen het Indische leger in 1830 een zelfstandige organisatie werd was het circa 13.000 man sterk. In de negentiende eeuw groeide het leger gestaag en wijzigde zich in samenstelling. In 1830 was vijftig procent van de manschappen Europeaan (Nederlandse en andere nationaliteiten); toen rond 1900 de sterkte van 42000 militairen (onderofficieren en minderen) werd bereikt waren de Europeanen in de minderheid, nog geen twintig procent.

 

Van Batavia naar de binnenlanden

De KNIL-officieren, waarvan zeker na 1880 het merendeel de opleiding aan de KMA in Breda had genoten, kwamen slecht voorbereid van boord toen ze in de negentiende eeuw voor het eerst voet aan wal zetten in de “gordel van smaragd”. Een enkeling, zoals een cadet al in Indië had gewoond of er zelfs was geboren, wist wel wat hun te wachten stond. De rijstvelden op Java waren niet te vergelijken met de akkertjes die ze tijdens oefeningen in Brabant hadden gezien. De jungle op Sumatra was toch van een andere dimensie dan de Biesbosch, waar ze wel eens hadden geoefend.

Al spoedig zouden ze merken dat hun kleding en een deel van de bewapening niet geschikt was voor gebruik in de tropen. Volstrekt ondoelmatig waren de Hollandse uniformen, bij de hals hoog gesloten en gemaakt van 100% vaderlandse wol. Pas in 1908 werden katoenen en linnen uniformstoffen ingevoerd die enig soelaas boden bij de hoge temperaturen en luchtvochtigheid.

 

Di mana Breda of waar ligt Breda?

De Bredase lessen Maleis was nog maar een pover begin om te kunnen communiceren met de ondergeschikten. De jonge officier maakte al snel kennis met Javaans, Madoerees, Soendanees enz., enz. Inlandse tolken waren onmisbaar gezien de samenstelling van het KNIL waar tussen 1830 en 1870 ook nog eens vierduizend rekruten waren toegevoegd uit de Goudkust (nu Ghana).

Bij aankomst op Java werd hij gestationeerd in een Depotbataljon waar de jonge luitenant de lokale situatie beter leerde inschatten en dat was geen overbodige luxe. Ervaren officieren en onderofficieren bereidden hem voor op zijn eerste benoeming in een Veldbataljon. Daarna werd hij bijvoorbeeld commandant van een benteng, een provisorisch versterkte kampong met een greppel, wat palissaden en wat prikkeldraad, midden in de rimboe.

Van officier tot directeur - R. Birckenhauer, directeur van de Semarang-Tjeribon Stoomtram (1)

Rudolf Birckenhauer was een genieofficier die aan de KMA opgeleid was. Hij werd uiteindelijk directeur van de Semarang-Cheribon Stoomtram en zelfs voorzitter van de Nederlands Indische Spoorwegen. (Foto: F. Reissig, Collectie Historische Verzameling)

Deze rauwe werkelijkheid werd dan regelmatig nog overschaduwd door nachtelijke aanvallen van “opstandige inlanders”, soms gevolgd door een dagenlang voortdurende, zenuwslopende patrouille door een onoverzichtelijke jungle. Een bosbivak, permanent alert zijn, manschappen die sneuvelen of ten gronde gaan aan tropische kwalen, menigeen zal hebben teruggedacht aan de relatief zorgeloze tijd die hij als cadet met z’n kameraden op het Kasteel van Breda en het Cadettenkamp in Teteringen heeft doorgebracht.

 

Met vrouw en kinderen naar de rimboe

Maar toch waren er toch ook gezinnen van militairen die alle ontberingen op zich namen en vertrokken naar een buitenpost. De echtgenote van de officier nam dan het onderwijs en de medische zorg van de kinderen voor haar rekening. Wat oudere kinderen stuurde men liever naar kostschool of zelfs terug naar Nederland.

In een advertentie in de Java Bode van 6 september 1871 biedt zich een deftige familie te Breda aan die twee kinderen uit Indië zou kunnen opvoeden. Het traktement van een luitenant zal niet voldoende zijn geweest om de gevraagde som van f 85,- per maand/per kind (nu circa 930,- euro) te kunnen opbrengen zoals we in een advertentie van oktober 1879 zien. Maar dat was eerder voor een vermogende plantersfamilie of fabrieksdirecteur. Een zekere heer J.A. Barmentloo adverteert met zijn Kostschool te Oosterhout bij Breda met volledig onderwijs en een droog gezond klimaat in het Samarangs Handels- en Advertentieblad van 16 februari 1874. Voor verdere inlichtingen mag u zich melden bij den Heer Heijting, Assistent-Resident van Koeto-Ardjo (Residentie Bagelen).

Bataviaasch Handelsblad 25.10.1879 (1)

Een van de besproken advertenties in het Bataviaasch Handelsblad van 25 oktober 1879.

Javaanse jongens in Breda

Tot aan de Tweede Wereldoorlog kwamen er regelmatig zonen van vorsten, uit de regio’s die op Java zelfbestuur kenden, naar Breda voor een officiersopleiding. Eenmaal in functie kon het gebeuren dat deze pangerans (prins) -officieren weer naar Nederland kwamen zoals bij het veertigjarig jubileum van koningin Wilhelmina in 1938. Zo komt een groep pangerans na het feest naar Breda om de opleiding te bezichtigen en zich te laten rondleiden door de in Batavia geboren generaal-majoor Hugo Baron van Lawick, gouverneur van de KMA.

Bezoek van de Pangerans N.O. Indie aan de KMA op 30.9.1938 die door de gouverneur Baron van Lawick worden rondgeleid. (Coll. Hist. Verzameling KMA) (1)

Het bezoek van de Pangerans uit Noordoost-Indie aan de KMA op 30 september 1938. Ze worden door de gouverneur Baron van Lawick rondgeleid. (Foto KMA - Collectie Historische Verzameling)

Alle rechten voorbehouden

De bezetting van Nederlands-Indië door Japan bracht een omwenteling teweeg in de relatie tussen het moederland en de overzeese gebieden. Krampachtige pogingen van Nederland om met politionele acties dit reusachtige gebied na de Japanse capitulatie te behouden liepen op niets uit. De klok was verzet, het was tijd voor de soevereiniteit van een nieuw land: Indonesië

Na de soevereiniteitsoverdracht van 1951 tot en met 1957 zijn Indonesische cadetten opgeleid aan de KMA te Breda. Dat ging niet altijd van een leien dakje en de herinnering aan het verlies van de kolonie (en familieleden) was nog broos.

Buiten de kazernepoort kwam het eens tot heel merkwaardig voorval: Een deel van de Indonesische cadetten was ook aanwezig toen op 1 februari 1953 in Nederland de dijken braken. Ook zij sprongen die zondagochtend in de bootjes en trokken er met hun Nederlandse collega’s er op uit om mensen in nood te helpen. Een Indonesische cadet wilde een Zeeuws echtpaar uit een huis redden maar vrouwlief weigerde de uitgestoken hand. De jonge cadet voelde zich behandeld als een vuile inlander. Gelukkig keurde de man de handelswijze van zijn vrouw af.

Breda juli 1953 -Koningin Juliana bedankt zich bij de Indonesische cadetten voor hun hulp tijdens de Watersnood (1)

In juli 1953 bedankte koningin Juliana de Indonesische cadetten voor hun hulp tijdens de Watersnood. (Foto: KMA, Collectie Historische Verzameling)

Tot slot

Het Etnografisch Museum, van Indisch Verzameling tot Rijksmuseum Justinus van Nassau werd op 1956 door de gouverneur van de KMA overgedragen aan Dr. F.J. Duparc, vertegenwoordiger van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Het museum realiseerde ruim drie decennia lang bijzondere tentoonstellingen alvorens in 1992, tot grote teleurstelling van velen, definitief te sluiten. De collectie werd opgenomen in de Leidse collectie van het Volkenkundig Museum. Men vergeleek het met Justinus van Nassau, destijds door Spinola verslagen, die verhuisde immers ook naar Leiden na zijn verlies in Breda. Zijn voormalige paleis werd een appartementencomplex.

 

* Dr. Somer ging na de Duitse inval in het verzet, kwam via Zwitserland, Spanje en Suriname in Londen terecht waar hij de leiding kreeg over het Bureau Inlichtingen, de Nederlandse geheime dienst

 

Bronnen

Cappers, W., "Nasi goreng en negerzaad: de opleiding van Indonesische cadetten aan de Koninklijke Militaire Academie, 1949-1957", in: Armamentaria (jrg. 38, 2004).

Sommer, J., Gids voor den bezoeker van het Etnografisch Museum, 1940.

Lanzing, F., Soldaten van smaragd: mannen, vrouwen en kinderen van het KNIL 1890-1914, Amsterdam, 2005.

Groen, P. en Klinkert, W., Studeren in uniform: 175 jaar Koninklijke Militaire Academie 1828-2003, Den Haag, 2002.

Bouman, B., Van Driekleur tot Rood-Wit: de indonesische officieren uit het KNIL, 1900-1950, Den Haag, 1995.

Willemsen, M., Volkenkunde in Breda: van indische verzameling tot Rijksmuseum Justinus van Nassau en de Vereniging voor Volkenkunde, Breda, 2011.