Seizoensmigratie in de suikerindustrie

De Bietencampagne

Suikerfabriek Azelma in Zevenbergen

Bietenlossers bij Suikerfabriek Azelma in Zevenbergen. (Bron: Heemkundekring Willem van Strijen)

Toen in 1858 de eerste beetwortelsuikerfabriek van Nederland werd gebouwd in Zevenbergen, kwam daarmee ook een nieuwe arbeidsmigratie op gang. Niet vanuit verre landen, maar gewoon binnen West-Brabant. Voor een deel waren dat landarbeiders die op de boerenbedrijven vanaf het voorjaar hielpen met “opeenzetten” en dunnen en later met peeën steken en hakken. We willen het hier echter hebben over de migratie van de arbeiders in de suikerfabrieken.

De suikerindustrie is een seizoensbedrijf. Van september tot december werden en worden er bieten verwerkt tot suiker. Die periode werd kortweg 'de campagne' genoemd, of ook wel 'de Bavomis' (van St. Bavo) naar het herfstseizoen met regen, wind en kou waarin de bieten werden aangevoerd en verwerkt. Het is bovendien continubedrijf. De fabriek kan in die periode niet gestopt worden, dus er is veel personeel nodig.

De fabrieken hadden een vaste bezetting met werknemers uit de buurt die na de campagne de fabriek weer in orde maakten voor het volgende seizoen. In de campagne hadden die werknemers andere functies in het proces. Omdat zij jaar in jaar uit beschikbaar waren deden zij vooral het werk dat ervaring behoefde, zoals bijvoorbeeld suiker koken en het stoken van de stoomketels. Overigens waren sommige van de 'losse' werknemers zo trouw, dat ze ook specialistische functies hadden.

Daarnaast waren er in de suikerindustrie vooral in het begin ook heel veel ongeschoolde werknemers nodig. Zij deden het veelal zware extra werk, zoals het lossen van de schepen. De vrouwen stonden in het schip en vulden rieten manden met bieten. De mannen droegen die dan de loopplank op naar de wal.

De Zevenbergse schrijver Samuel Gijsbert van der Vijgh (1876-1899), die zelf op suikerfabrieken had gewerkt, omschreef dit rond 1900 als volgt:

“Er was rustig beweeg over de lange, smalle grondstrook waar het loswerk dagelijks leefde, de lossers droegen de honderd pond zware manden, keurarbeiders uit enkele Brabantsche dorpen, plompe sjouwers in bruine en blauwe boezeroenen, blauw katoenen onderbroek, beenige zongebrande koppen onder slijkerige draaghoeden.

Zwaar gebouwde meiden, breed in blauwkatoenen werkbuis, den voorschoot om korte rokken, de beenen plomp in slobkousen, de voeten in enorme schoenen, schraapten de bieten in de manden, die ze knelden tusschen de beenen, den  mond naar den stapel. Als ze half vol waren zetten zij ze overeind, torsend groote knollen met twee handen tegelijk in een kop op de ben, die ze met twee de dragers opgaven, de lendenen moeilijk strekkend; stram door 't langdurige bukken. En de lossers droegen de manden uit ……..”

 

De eerste Nederlandse Suikerfabriek

De eerste Nederlandse suikerfabriek op basis van bieten stond dus in Zevenbergen. Dat was de Azelma van Adriaan de Bruin (1808-1882), zoon van een raffinadeur uit Amsterdam. Kort daarna kwamen er in Zevenbergen nog twee kleinere particuliere fabrieken bij, namelijk de Phoenix ('opgerezen' uit de 'figuurlijke' as van een meekrapfabriek) en de Dankbaarheid. Samen hadden ze in de campagne zo’n vierhonderd werknemers nodig in continudienst. Dat was ongeveer tien procent van de bevolking van Zevenbergen. In het begin van de twintigste eeuw kwamen daar als gevolg van de groeiende onenigheid tussen boeren en particuliere fabrikanten de coöperatieve fabrieken van de boeren bij. Die verdrongen voor een groot deel de particuliere fabrieken. Nadat in 1917 in Zevenbergen de coöperatieve suikerfabriek in bedrijf kwam, bleef alleen de Azelma nog over. Maar ook deze coöperatieve fabrieken hadden in de campagne tijdelijke werknemers nodig.

Blauw fotoboek_0132 De Phoenix

De Phoenix in Zevenbergen. (Bron: Heemkundekring Willem van Strijen)

Alle rechten voorbehouden

 

Van spookhuis tot pendelbus

Die seizoenarbeiders kwamen van heinde en verre naar Zevenbergen. In het begin kwamen zij vaak te voet. Blijkbaar konden de vrouwen al lopend breien zodat de reistijd niet onproductief verloren ging. Zij sliepen dan in een speciaal voor de seizoenswerkers gebouwde woonkeet, waarvan er in Zevenbergen nog een bestaat en kortweg de 'Keet' wordt genoemd. Mannen en vrouwen woonden daar samen en het schijnt er nogal gespookt te hebben, vandaar ook dat het soms het 'Spookhuis' werd genoemd.

Samuel Gijsbert van der Vijgh verwoorde het leven in de woonketen als volgt:

“In keet twee woonden nu vijftig lossers en vijftien meiden die op zolder sliepen; de bedsteden der dragers gaapten donker in de zijmuren. Deze keet was een laag, zeer lang hol met kleine deur naast een venster in den frontmuur en een raam in den achtergevel.
Midden in 't vertrek broedde een reusachtig stenen fornuis, gedekt door een ijzeren plaat met drie gaten, waarin log-breede ijzeren potten én waterketel pasten. Voor de bedsteden, waaruit geel stroo slierde en lompige dekens neerhingen, stonden de kisten der dragers, waarin ze hun brood bewaarden en wat onderkleeren.”

Over de middagpauze schreef hij:

“Op de kisten en den rand der bedsteden aten nu de arbeiders, en een damp van zweet en eten benauwde het vertrek, schemerig verlicht door de kleine ramen en de openstaande deur. Gerinkel van hengsels der groote ijzeren ketels, die van hand tot hand gingen, glinsterde nu en dan boven de rustige eetgeluiden: rustig gedruisch, dat men hoort in groote stallen waar dieren langzaam kauwen.

Na een kwartier waren de potten ledig. De blikken borden en ijzeren vorken waren naast de kisten gelegd, tabaksdoozen klikten open, en de mannen propten groote tabakpruimen in den mond of staken een pijp op, en blauwe damp wolkte naar de wijde zoldering. Bij het kleine raam in den achtermuur diep in de keet zaten de Heyders bij elkaar: Bet, Jans, Jaonus, Hannes en twee oudere, getrouwde werklui. Bet zat tusschen Jaonus en Hannes op de grond, de beenen gestrekt, vertrouwelijk in vriendschap van menschen uit het zelfde dorp. in den vreemde, buiten het denken der anderen, vreemde, verwarde bende in de diepte der keet.

Doch om éen uur kwam de opzichter en loeide ruzieachtig naar binnen een zwaren roep uit zijn baardigen mond, de diepe oogen boos in de verte der keet: 'Vooruit hoor, ’t is tijd'.

En opeens stonden hooge gestalten recht, wiggelend in slaapbedwelming, grijpend naar het hoofd of ze de pet op hadden, en in de keet leefde groot, schor rumoer van in schrik ontwakende menschen, die tegen elkaar aanliepen, zonder gedachten, stamelend.
In de verwarring van den opstand der hooge gestalten overal, die het licht verdonkerden, bukte Jaonus zich in den hoek bij 't raam over Bet, zoende haar, en stil lachend stond ze op, nam haar kruik en ging naast hem naar buiten.”

De Keet Huizersdijk 28 Zevenbergen

De Keet aan de Huizersdijk 28 in Zevenbergen. (Foto: Piet Ooijen, Heemkundekring Willem van Strijen)

Alle rechten voorbehouden

Die seizoenwerkers hadden een flinke impact op het leven in een stadje als Zevenbergen. Dronkenschap, baldadigheid en diefstal kwamen regelmatig voor en ook in die tijd was er kennelijk een tekort aan cellen. In 1862 werd de wachtkamer van het stadhuis aan de Markt dan maar omgebouwd tot een cellenblok. Bij de invoering van de drankwet in 1881 verbeterde de situatie enigszins, maar in 1884 werd toch een detachement marechaussee van Klundert verhuisd naar Zevenbergen. Zij hadden heel wat te stellen met de seizoenswerkers en dat veranderde pas toen na WOII de arbeiders met bussen werden opgehaald in de dorpen “op het zand”. Ze werden op tijd voor hun dienst bij de poort afgezet en de arbeiders, wiens dienst erop zat, werden mee teruggenomen.

Er kwamen natuurlijk ook seizoenswerkers uit de omliggende dorpen. Die van Langeweg en Zevenbergschen Hoek liepen in het begin soms dagelijks naar de fabriek en later, in de twintigste eeuw, was er natuurlijk de fiets. De meeste seizoenswerkers kwamen dus 'van het zand', het zuiden van West-Brabant, waar het boerenbedrijf minder opleverde dan de klei in Noord-West Brabant en waar de arbeiders, maar ook de boeren zelf, wel een extraatje konden gebruiken. Dat bleef eigenlijk zo tot de automatisering de behoefte aan de tijdelijke werkkrachten terugdrong. Eerst kwamen er aan het einde van negentiende eeuw de kranen, die het lossen van de schepen gemakkelijker en sneller maakten. Daarna is dit proces van verdere ontwikkeling en automatisering eigenlijk nooit meer gestopt en uiteindelijk zijn er anno 2021 nauwelijks nog tijdelijke krachten nodig.

 

Slechte omstandigheden

De omstandigheden waren dus in de negentiende eeuw niet geweldig. Toch werd er niet slecht verdiend. In 1894 werd voor het lossen van bieten uit schepen en wagens het volgende weekloon betaald: mannen: f 13,30, vrouwen f 7,98, jongens en meisjes van veertien tot achttien jaar f 3,60. Het daggeld op de boerenbedrijven was in die tijd 50 tot 60 cent per dag. Vrouwen en jongens kwamen er dus relatief bekaaid af.

Er gebeurden regelmatig ongelukken op de suikerfabrieken. Vooral de 'losse' werknemers hadden vaak weinig ervaring in een industriële omgeving, waar vele drijfriemen en niet afgeschermde draaiende machinedelen voor continu gevaar zorgden. Vooral ook het werk in de schepen, waar de grote zware grijpers van de kranen gestuurd moesten worden, was regelmatig dodelijk. Een chauffeur van de fabriek moest die gewonde mensen dan naar huis of naar de dokter brengen. Hij vertelde wat hij dan bij de mensen thuis aantrof: erbarmelijke omstandigheden, zand op de vloer, niet altijd licht, etc. Ik denk bij armoede nog altijd aan de beschrijvingen die hij gaf van wat hij aantrof. Het seizoenswerk op de suikerfabriek was dus ook welkom.

Er waren ook andere voordelen. De 'losse' campagnewerkers gingen bij hun eerste dienst allemaal naar het magazijn voor de laarzen, handschoenen, werkkleding, etc. waar ze al naar gelang hun functie recht op hadden en die ook thuis goed van pas kwamen. Niet zelden ging er een pak suikerklontjes mee in het broodtrommeltje dat precies de juiste maat had. Overigens was dat ook voor de vaste werknemers geen zeldzaamheid. Echter, zonder risico was het niet omdat de fabriekspolitie bij de poort controleerde en niet zelden iemand uit de rij pikte om zijn tas te controleren.

Blauw fotoboek_0175 Stoofstraat Suikerfabriek De Dankbaarheid

Suikerfabriek de Dankbaarheid in Zevenbergen. (Bron: Heemkundekring Willem van Strijen)

Alle rechten voorbehouden

 

Het einde van de volksverhuizingen

Anno 2021 zijn er nog maar twee suikerfabrieken in Nederland en de behoefte aan seizoenswerkers is er eigenlijk niet meer. De automatisering is zo ver doorgevoerd dat de fabrieken met slechts enkele gespecialiseerde procesoperators draaiend worden gehouden. Het vervoer vindt alleen nog over de weg plaats en is uitbesteedt aan transportbedrijven. Als er al extra personeel nodig is komt dat van de uitzendbureaus. De tijd van de kleine volksverhuizing in het najaar naar de West-Brabantse zeeklei is al heel lang voorbij.

 

Bron

Van der Vijgh, Samuel Gijsbert, Werkers, Haarlem, 1900. 

Oudheidkundige Kring “Zevenbergen”, “Van meekrap naar suikerbiet. Deel II: Suikerbiet”, in: Oud Nieuws (nr. 23, 1987).

Eigen ervaring en gesprekken met oud werknemers.