Teruggave van de Sint-Jan

TeruggaveSintJan.png

Het geborduurde gewaard door het borduuratelier C.H. de Vries in 1910 gemaakt voor de eeuwviering van de teruggave van de Sint-Jan aan de Katholieken. (Bron: Stadsarchief 's-Hertogenbosch)

In 1910 vierden de Bossche katholieken dat zij een eeuw tevoren weer in het bezit gekomen waren van de Sint-Jan dankzij keizer Napoleon (1769-1821). Het gerenommeerde Amsterdamse borduuratelier C.H. de Vries kreeg toen de opdracht om een vierstel te maken, een reeks liturgische gewaden, bestaande uit een kazuifel, een dalmatiek, een tuniek en een koorkap.

Op een van de werken is in rijk neogotisch borduurwerk het tafereel uitgebeeld dat de aanleiding was voor het eeuwfeest: keizer Napoleon tijdens zijn bezoek aan de stad in december 1810. De keizer beloofde de Bossche katholieke notabelen op hun verzoek dat zij de Grote Kerk, zoals hij toen heette, weer terug zouden krijgen. De vreugde daarover werd echter meteen getemperd doordat de keizer hen in één moeite door ook een bisschop toekende. Het besef dat een dergelijke keizerlijke benoeming voor de paus onaanvaardbaar zou zijn, bracht de Bosschenaren – trouw als zij waren aan Rome – ernstig in verlegenheid.

Sint-Jan

De Sint-Jan in Den Bosch. (Foto: Donatas Dabravolskas, 2013, Wikimedia Commons)

Het kwam inderdaad tot een richtingenstrijd: terwijl de Fransen probeerden door het sluiten van schuilkerken in de stad het kerkbezoek aan de Sint-Jan te bevorderen, werd dat de Bosschenaren door hun steile en rechtzinnige vicaris verboden. Pas onder koning Willem I (1772-1843) kwam het na moeizame onderhandelingen tot een definitief akkoord over de teruggave van de kerk aan de katholieken. Het geharrewar in Den Bosch was symptomatisch voor de moeizame gang van zaken rond de teruggave van de kerkgebouwen in Brabant die op gang was gekomen nadat de Bataafse Republiek een eind had gemaakt aan de bevoorrechte positie van de Nederlands-hervormde kerk als staatsgodsdienst.

De staatsregeling van 1798 bepaalde dat kerkgebouwen zouden toevallen aan het kerkgenootschap dat in een dorp of stad numeriek het grootst was. Maar de katholieke kerkleiding maande uit tactische, financiële en principiële motieven tot terughoudendheid. Bovendien waren lang niet alle protestantse gemeenten van plan om voetstoots afstand te doen van het gebouw dat zij vaak al meer dan twee eeuwen als het hunne hadden beschouwd. In de drie jaar dat de restitutieregeling van kracht was, werden in Brabant slechts honderdtien kerken overgedragen van de zowat tweehonderd die daarvoor in aanmerking kwamen. Later volgde de overdracht van nog eens veertig kerkgebouwen. Maar ongeveer vijftig oude middeleeuwse kerken bleven definitief in protestantse handen, ondanks het feit dat de protestanten in de meeste gevallen plaatselijk in de minderheid waren.

Koning Willem I

Koning Willem I. (Bron: Joseph Paelinck, 1819, Rijksmuseum)

Dit had een onvoorzien effect, want terwijl de middeleeuwse kerken die terug in katholieke handen kwamen vaak geheel of gedeeltelijk gesloopt werden om plaats te maken voor grotere neogotische bedehuizen, zijn de middeleeuwse kerken onder protestants beheer – van het dorpskerkje van Helvoirt tot aan de Grote Kerk van Breda – goeddeels behouden gebleven. Anders dan de katholieken hadden de vaak kleine protestantse gemeenten noch het geld noch de behoefte om hun kerkgebouw te vernieuwen, en al helemaal niet om het groter te maken.

 

Bronnen

De Mooij, C., Eindelyk vrij d’Onderdrukking. Patriottenbeweging en Bataafs-Franse tijd in Noord-Brabant, Zwolle, 1988.

Van Laarhoven, F. (red.), Naar gothieken kunstzin. Kerkelijke kunst en cultuur in Noord-Brabant in de negentiende eeuw, ‘s-Hertogenbosch, 1979.

Van Oudheusden, J., Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014.

 

Dit artikel is een bewerking van een tekst uit J. Van Oudheusden, Erfgoed van de Brabanders. Verleden met een toekomst, ‘s-Hertogenbosch, 2014, 176.