Een katholieke blik op de Tachtigjarige Oorlog

Willem van Oranje als "Sluwe Veinzaard"

Willem van Oranje

Een portret van Willem van Oranje door Adriaen Thomaszoon Key ca. 1579. (Bron: Rijksmuseum Amsterdam)

De Opstand kende heel wat helden en de grootste was ongetwijfeld Willem van Oranje. Hij kreeg de titel ‘Vader des Vaderlands’ en is onze grootste nationale held. Hij gaf leiding aan de Opstand en leidde Nederland naar een onafhankelijk bestaan.

Vader des vaderlands?

Voor veel katholieken en dus ook voor veel Brabanders was de rol van Willem van Oranje als de alle tegenstellingen verzoenende vader echter niet vanzelfsprekend. Het verloop van de gevechten in Brabant gaf daarvoor ook wel enig aanleiding.

Sommige schrijvers zochten de nuance, anderen gingen heel ver in hun pogen Willem van Oranje onderuit te halen. Zo iemand is de Oisterwijkse kapelaan Huijbers. Hij schrijft in zijn boek Oud Oisterwijk in het begin van de twintigste eeuw over wat er zich allemaal afspeelt tijdens de Opstand in het katholieke Brabant. Dat doet hij vanuit een zeer orthodoxe katholieke visie.

Huijbers' Oud Oisterwijk gaat voor een belangrijk deel over het einde van de Middeleeuwen in Oisterwijk en het begin van de nieuwe tijd met de Tachtigjarige Oorlog. De door Huijbers geïdealiseerde Middeleeuwen gaan onder in de Tachtigjarige Oorlog.

 

Alva's bezoek aan Oisterwijk

Hij kiest onvoorwaardelijk de zijde van de Spanjaarden. Voor hem was de strijd geen strijd met een sociaal-economische achtergrond of een strijd om de macht in steden en gewesten, maar alleen een godsdienstoorlog. Katholiek tegen protestant, dus goed tegen kwaad. Geen kritiek op de hertog van Alva, met zijn Bloedraad, of op de Spaanse koning Filips II.

Het bezoek dat Alva aan Oisterwijk bracht wordt door Huijbers op de van hem bekende kleurrijke wijze beschreven: “oor, trommen roffelen, vreugdeschoten paffen; vooruit schutterijen! Dolle jeugd rent door de straten, herfstbladeren omhoog schoppend. Alva! Alva! Buiten de huisdeuren staan burgervrouwtjes, in nauwsluitende jak en plooikraag, het haar bedekt met een linnen mutsje, de handen aan de heupen, of op den arm dragend het wijdgerokte dochtertje, schreiend in gekante kuifmuts. (..) Alva, de man van verhard plichtsbesef en ijzeren wil, enkel bedacht op wat hem toescheen de glorie Gods en de eer van zijn koning.

/beeld/verhalen/53330_alva1.jpg

Allegorie op het schrikbewind van Alva. Het schilderij is gemaakt naar het voorbeeld van een kopergravure met een vergelijkbare voorstelling uit 1569. Links 'fluistert' kardinaal De Granvelle met een blaasbalg in het oor van Alva. Vóór hem knielen de geboeide Nederlandse gewesten.(Bron: Anoniem, 1629, Museum Prinsenhof Delft)

 

Sluwe veinzaard

Het positieve beeld dat hij schetst van Alva staat in scherp contrast met zijn beschrijving op Willem van Oranje. Hij beschrijft de vader des vaderlands als: “even opgeblazen als zijn pofmouwen,” “de sluwe veinzaard" en “de onbeschrijvelijke huichelaar”.

Nu wierp “de aartsketter voor goed het masker af: weg met de katholieken, weg met den godsdienst. Wet, priesters, sacramenten, alles bezoedelde zijn demonische adem. Maar was hij dan niet ‘de vader des vaderlandsch’? O ja! Terwijl burgerveeten, door hem aangestookt, het vaderland verscheurden, zat Oranje te onderhandelen met den hertog van Anjou, broeder des Fransen Konings, om de zuidelijke Nederlanden aan Frankrijk te verkopen, op voorwaarde dat Anjou alle schulden van Oranje in Duitschland zou afbetalen en hem het beheer opdragen over de Noordelijke Nederlanden! Geen wonder dat Philips II den kerel vogelvrij verklaarde en belooning zette op een raak schot, gelijk bij schadelijk wild. Zijn comediantenrol was nu uitgespeeld; de verrader van zijn land en godsdienst verloor alle crediet, bizonder in het zuiden en werd ten slotte door een pistoolschot afgemaakt in een gestolen nonnenklooster, waar hij leefde met een geroofde non. - Geen Oisterwijkse pastoor, voor of na Eijnthouts, heeft zodanig als deze, aan den lijve gevoeld de gevolgen van Oranje's kuiperijen en bandieterijen, de schandelijke politiek van dezen gewetenloozen man.”

Willem van Oranje

Een portret van Willem van Oranje door Adriaen Thomaszoon Key ca. 1579. (Bron: Rijksmuseum Amsterdam)

Plunderingen

De geschiedenis van de strijd van de opstandige gewesten tegen de Spanjaarden wordt gekenmerkt door plunderingen van soldaten, niet of slecht betaalde huurlingen die hun achterstallige soldij gingen halen bij de lokale bevolking. Aan beide zijden in het conflict heeft men zich daar schuldig aan gemaakt en het zal voor veel mensen in die tijd niet uitgemaakt hebben wie plunderden of welke vorst of regering voor de slechte betaling van de troepen verantwoordelijk was.

Huijbers kon er natuurlijk niet onderuit dat ook aan Spaanse kant het niet allemaal koek en ei was. Eerder kon hij in zijn boek nog een Spaanse officier schetsen die in de kapel een kaarsje bij het Maria-beeld komt opsteken “want de Spanjaard houdt veel van de Madonna” Huijbers pleitte echter de koning van Spanje, Filips II, vrij van schuld: “doch wat de soldaten deden geschiedde volstrekt niet op bevel des konings; integendeel de koning verlangde naar rust en vrede, slechts op voorwaarde dat de godsdienst en zijn gezag gehandhaafd bleef”.

PlunderingenBoerderijCallot

Soldaten plunderen een boerderij. (Bron: Jacques Callot, 1633, Rijksmuseum)

De geuzen

Veel bonter maakten het natuurlijk de soldaten of huurlingen uit het noordelijke kamp. Na geschetst te hebben hoe de huurlingen van de Spanjaarden roofden, stelt Huijbers vast: "en dit waren maar kleinigheden in vergelijking met de operaties der heeren geuzen.”

Geen middel wordt door hem geschuwd om de geuzen te verwijzen naar de grootst mogelijk vuilnisbak van de geschiedenis, waarbij opgemerkt dient te worden dat hij het begrip ‘geuzen’ wel erg oprekt. Alle troepen uit het noorden zijn ‘geuzen’. Hij noemt ze “geuzen-bolsjewiki” (zijn boek verscheen kort na het uitbreken van de Russische revolutie van 1917), “beestengeweld der schurkentroepen, schuimers, uitvaagsel der maatschappij, razende bende, bloeddorstige tijgers” en ”ongedierte”. Samenvattend concludeert Huijbers: “de geuzen! Dat is: plundering en schennis en schuimende goddeloosheid.”

Hier in Brabant hebben we het gevoel dat het verhaal van de protestantse geschiedschrijving, die Willem is gaan idealiseren niet klopt, maar dat Huijbers wel erg overdrijft en bovendien met veel mening en weinig feiten komt. Wat is de waarheid?

 

Sebastiaen Vrancx - Soldiers on horseback plundering a village, ca 1635, Commons

Op dit schilderij van Sebastiaan Vrancx plunderen soldaten een dorp. (Bron: ca. 1635, Wikimedia Commons)

Misdadige oorlog

We zijn misschien wel dichterbij de waarheid gekomen door het onderzoek van Leo Adriaenssen. Hij promoveerde op 26 oktober 2007 aan de Universiteit van Tilburg. Centraal staat de wording van de Nederlandse staat in de Tachtigjarige Oorlog. Dit ging in de zestiende en zeventiende eeuw gepaard met oorlogsgeweld onder leiding van Willem van Oranje, Maurits van Nassau en de Staten-Generaal. Adriaenssen onderzocht in zijn proefschrift hoe de plattelandsbevolking in de Meierij onder dat geweld moest lijden.

Zijn conclusie: de Opstand was een misdadige oorlog. De plattelandsbevolking van de Meierij werd tussen 1572 en 1629 geteisterd door veel oorlogsgeweld. Zij was geen partij in de oorlog, maar zat klem tussen de Republikeinse Staten, het koninkrijk Spanje en het bestuur van de stad 's-Hertogenbosch. Men kon zich nauwelijks verweren tegen brandstichting en roof en probeerde die af te kopen. Als men geen geld had, moest men vluchten en zijn bezit van de hand doen. Zeventig procent van de bevolking had daarbij het leven gelaten.

 

Soldaten in Spaanse dienst plunderen een boerenwoning ten westen van Breda (1624-1625). Schapen en hoornbeesten worden afgevoerd, wie zich verzet krijgt met de stok.  Linksboven zijn schepen zichtbaar in de rivier de Mark.  (Detail van een ets van Jacques Callot uit 1628 (1592-1635) Collectie Rijksmuseum.

Soldaten in Spaanse dienst plunderen een boerenwoning ten westen van Breda (1624-1625). (Bron: Jacques Callot, 1628, Rijksmuseum)

Stalin

Volgens Adriaenssen was er sprake van een uithongeringspolitiek, waarbij Staatse troepen stelselmatig oogsten verwoestten, landerijen onder water zetten en dorpen verbrandden. Willem van Oranje was een van de initiatiefnemers van dit beleid en zijn zoons Maurits en Frederik Hendrik van Oranje waren als bevelhebbers mede verantwoordelijk.

De opvattingen van Adriaenssen hebben geleid tot discussie in de media over het beeld van Willem van Oranje als 'vader des vaderlands'. In een interview in de Telegraaf zei Adriaenssen hierover: "het heldhaftige beeld van de bevrijdingsstrijd dat nu bestaat, is absoluut niet representatief. Willem van Oranje maakte zich met zijn tactiek van de verschroeide aarde schuldig aan oorlogsmisdaden tegen zijn eigen bevolking." In het VPRO-radioprogramma OVT verklaarde hij dat Willem van Oranje een grotere oorlogsmisdadiger was dan Stalin. Misschien dat Willem wel een ‘vader des vaderlands’ was, maar dan niet in Brabant.

 

Bronnen

Adriaenssen, L., Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629, Tilburg, 2007.

Huijbers, A., Oud Oisterwijk, Oisterwijk, 1923.